Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF3748

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
01/430 REA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij toepassing van art. 22 Wet REA is van belang of de gevolgde scholing in voldoende mate tot substantiële verbetering van de arbeidsmarktpositie leidt.

Afwijzing vergoeding scholing bij stichting “De Voorde”, aangezien deze scholing niet voldoet aan de vereisten van art. 22.1 Wet REA.

Rechtbank: de in art. 22 Wet REA aan verweerder toegekende discretionaire bevoegdheid brengt met zich dat de wijze waarop verweerder van die bevoegdheid gebruik maakt in rechte terughoudend moet worden getoetst. Vergoeding van kosten, samenhangend met een scholing, kan in beginsel slechts aan de orde komen als met een redelijke mate van zekerheid valt te verwachten dat daarmee een adequate compensatie kan worden verkregen van het door de handicap veroorzaakte verlies of dreigend verlies aan verdiencapaciteit (CRvB 24 oktober 2000, RSV 2001, 25, url(''LJN: ZB9006'',../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=zb9006) ). In het kader van de beoordeling of een voorziening als bedoeld in art. 22.2 Wet REA zal worden verstrekt, legt verweerder dan ook terecht de maatstaf aan of de scholing in voldoende mate leidt tot een substantiële verbetering van de arbeidsmarktpositie, zodat als gevolg van de scholing voldoende uitzicht bestaat op loonvormende arbeid.

In casu is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de door eiseres gevolgde scholing ziet op een substantiële verbetering van haar arbeidsmarktpositie.

Beroep ongegrond.

De Raad van bestuur van het UWV, verweerder.

mr. M.E. Snijders

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 01/430 REA

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A,

wonende te B, eiseres,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 30 januari 2001, uitgereikt door Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., thans UWV Cadans, te Zeist.

2. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2000 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij niet voor vergoeding van een door haar gevolgde scholing in aanmerking komt, aangezien het geen scholing betreft, die voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 22, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA).

Tegen dit besluit is namens eiseres op 25 juli 2000 bezwaar gemaakt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het eerdergenoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, namens eiseres op 5 maart 2001 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 3 april 2001 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van eiseres zijn nadere stukken overgelegd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 10 december 2002. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. Van Willigen voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. G. Sassen, werkzaam bij UWV Cadans te Zeist.

3. Overwegingen

Bij Koninklijk Besluit van 13 december 2001 (Stb. 2001, 682) zijn met ingang van 1 januari 2002 de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: de Invoeringswet) en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. De Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 is op grond van artikel 2 van de Invoeringswet, voor zover van belang, per die datum ingetrokken. In artikel 9, tweede lid, van de Invoeringswet is bepaald dat een besluit dat door het Lisv of namens dit instituut door een uitvoeringsinstelling is genomen, geldt als een besluit van het UWV. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Invoeringswet, voor zover hier van belang, treedt het UWV in bestuursrechtelijke gedingen waarin het Lisv partij is in zijn plaats.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 november 2000, samengevat ten grondslag dat eiseres niet het in overleg met haar gekozen (adequate) traject ter bemiddeling via Bureau Passage, doch een scholing via stichting ‘de Voorde’ is gaan volgen. Deze scholing komt niet voor vergoeding in aanmerking ingevolge de Experimentele regeling burnouttrainingen Wet REA.

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Eiseres heeft, samengevat, betoogd dat in overleg met Bureau Passage is besloten dat zij een scholing bij ‘de Voorde’ zou gaan volgen, welke scholing door Bureau Passage als noodzakelijk werd beschouwd. Daar Bureau Passage eiseres niet adequaat wist te begeleiden en ‘de Voorde’ wel, dient volgens eiseres déze scholing voor vergoeding ingevolge artikel 22 van de Wet REA in aanmerking te komen. Uit de nader overgelegde stukken blijkt voorts dat UWV Cadans te Utrecht wel scholingen gevolgd bij ‘de Voorde’ heeft vergoed. Verder biedt ‘de Voorde’ meer dan enkel burn-out trainingen, aldus eiseres.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Wet REA kan verweerder aan de arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10 van die wet, voorzieningen toekennen die strekken tot behoud of herstel van de arbeidsgeschiktheid of die de arbeidsgeschiktheid bevorderen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid in ieder geval worden verstaan:

scholing of opleiding

voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het kunnen volgen van scholing of opleiding als bedoeld in onderdeel a.

….

Ingevolge artikel 6 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA (gebaseerd op artikel 22, zesde lid, van de Wet REA) wordt een voorziening als bedoeld in (onder meer) artikel 22 slechts toegekend, indien deze in overwegende mate op het individu is gericht.

Tussen partijen is in geschil of de door eiseres gevolgde scholing bij ‘de Voorde’ voor vergoeding door verweerder in aanmerking kan komen.

Ter zitting heeft verweerder het bestreden besluit nader gemotiveerd, onder meer stellende dat bij de beoordeling van de vraag of een voorziening zal worden toegekend, bezien dient te worden of de scholing adequaat is in die zin dat deze in voldoende mate is gericht op werkhervatting. Voorts heeft verweerder ter zitting erkend dat ‘de Voorde’ meer biedt dan enkel burn-out trainingen, zodat bezien dient te worden of een voorziening kan worden toegekend ingevolge artikel 22 van de Wet REA.

De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 22 van de Wet REA aan verweerder toegekende discretionaire bevoegdheid met zich brengt dat de wijze waarop verweerder van die bevoegdheid gebruik maakt in rechte terughoudend moet worden getoetst. Dit betekent dat de rechtbank slechts heeft te beoordelen of verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met geschreven of ongeschreven recht.

Vergoeding van kosten, samenhangend met een scholing, kan in beginsel slechts aan de orde komen als met een redelijke mate van zekerheid valt te verwachten dat daarmee een adequate compensatie kan worden verkregen van het door de handicap veroorzaakte verlies of dreigend verlies aan verdiencapaciteit (CRvB 24 oktober 2000, RSV 2001, 25). In het kader van de beoordeling of een voorziening als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Wet REA zal worden verstrekt, legt verweerder dan ook terecht de maatstaf aan of de scholing in voldoende mate leidt tot een substantiële verbetering van de arbeidsmarktpositie, zodat als gevolg van de scholing voldoende uitzicht bestaat op loonvormende arbeid.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld, dat de bij ‘de Voorde’ gevolgde scholing niet dan wel onvoldoende is gericht op werkhervatting door eiseres. Hierbij heeft verweerder verwezen naar het oordeel van arbeidsdeskundige P.G. Spitteler, zoals verwoord in diens brief van 15 juni 2000. Hierin heeft Spitteler vermeld dat ‘de Voorde’ geen scholing betreft gericht op het systematisch verwerven van een of meer arbeidsmarktrelevante kwalificaties voor het verkrijgen van een functie. Evenmin betreft het een voorziening die noodzakelijk en bevorderlijk is voor inschakeling in de arbeid, aldus Spitteler. Dit oordeel is door bezwaararbeidsdeskundige G.C. van Welzenis in zijn rapportage van 2 november 2000 gemotiveerd bevestigd.

Blijkens de stukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd is eiseres er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de door haar gevolgde scholing wel ziet op een substantiële verbetering van haar arbeidsmarktpositie. De overgelegde folder van ‘de Voorde’ biedt hiertoe onvoldoende aanknopingspunten.

De stelling van eiseres dat uit het verzoek van Bureau Passage eiseres een reïntegratie-uitkering toe te kennen, blijkt dat de scholing bij ‘de Voorde’ als noodzakelijk -en derhalve als adequaat- dient te worden aangemerkt, wordt door de rechtbank evenmin gevolgd. Uit de door eiseres overgelegde stukken, met name de rapportages van 12 april 2000 en 18 mei 2000, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat sprake is van noodzakelijkheid. Het enkele feit dat de trajectbegeleider van eiseres verzoekt een reïntegratie-uitkering te verstrekken is hiertoe onvoldoende, te meer nu uit voornoemde rapportages niet blijkt van de redenen die aan dit verzoek ten grondslag liggen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid kunnen afgaan op het gemotiveerde oordeel van arbeidsdeskundige Spitteler en bezwaararbeidsdeskundige Van Welzenis. De rechtbank ziet in hetgeen door eiseres is gesteld geen aanleiding te twijfelen aan het oordeel van beide arbeidsdeskundigen.

Het feit ten slotte dat UWV Cadans te Utrecht mogelijk wel een scholing bij ‘de Voorde’ heeft vergoed doet aan het voorgaande niet af. Evenals verweerder is de rechtbank van oordeel dat in het kader van de REA per individu dient te worden beoordeeld wat qua bemiddeling en begeleiding adequaat is.

Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen.

Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht in verband hiermee geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.E. Snijders, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2003, in tegenwoordigheid van mr. J.E.A. van Beveren als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 16 januari 2003

Coll: