Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF3261

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
23-01-2003
Zaaknummer
90175/ HA ZA 02-1238
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 90175 / HA ZA 02-1238

Datum vonnis: 8 januari 2003

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BALANS UITZENDBURO B.V.,

gevestigd te Schijndel en kantoorhoudende te Arnhem,

eiseres,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. A. van der Kolk te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RIJKAART ELECTROTECHNIEK B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem,

gedaagde,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. R.J.A. Dil te Arnhem.

Partijen worden hierna ook als Balans en Rijkaart aangeduid.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 10 oktober 2002 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Ter comparitie is vonnis bepaald.

Naderhand heeft mr. Dil, zoals ter comparitie was toegezegd, de rechtbank en de wederpartij een copie van een artikel van Frikkee en Jakimowicz (Sociaal Recht 2002-9) toegezonden.

De vaststaande feiten

Vóór april 2001 deden partijen al zaken met elkaar, waarbij Balans uitzendkrachten verschafte aan Rijkaart.

In april 2001 benadert Balans Rijkaart met de vraag of er mensen nodig waren. Rijkaart deelt mee dat dit het geval is. Balans brengt Rijkaart vervolgens in contact met mevrouw B.

Rijkaart onderhandelt met B. Deze is niet zonder meer geschikt voor de aanvankelijk beoogde functie, maar wel, met extra opleiding en tegen een ander salaris dan aanvankelijk genoemd, voor een andere.

B treedt op 7 mei 2001 rechtstreeks bij Rijkaart in dienst.

De door Balans gehanteerde NBBU Algemene Voorwaarden luiden onder meer als volgt.

Artikel 2 lid 2: De inlener met wie eenmaal op deze voorwaarden werd gecontracteerd wordt geacht stilzwijgend met de toepasselijkheid daarvan op een later met de uitzendonderneming gesloten overeenkomst in te stemmen.

Artikel 11 lid 1: Indien de inlener (…) met de uitzendkracht welke aan hem terbeschikking gesteld zal gaan worden, rechtstreeks een arbeidsverhouding wil aangaan, dan dient hij de uitzendonderneming daarvan onverwijld schriftelijk in kennis te stellen. Partijen zullen alsdan in overleg treden teneinde de wens van de inlener te bespreken.

Artikel 11 lid 3: Indien de inlener direct, of binnen een periode van 1040 gewerkte uren door de uitzendkracht aanvang van de opdracht, een arbeidsverhouding rechtstreeks (…) met de betrokken uitzendkracht aangaat, zal hij aan de uitzendonderneming verschuldigd zijn een terstond opeisbare, niet voor matiging vatbare, boete groot 25% van het laatstgeldende opdrachtgeverstarief voor de betrokken uitzendkracht, zulks voor de duur van de periode vanaf het moment van aangaan door de inlener van de genoemde arbeidsverhouding met de uitzendkracht tot het moment van afloop van de in de aanvang dezes genoemde periode van 1040 gewerkte uren.

Het geschil

Balans vordert veroordeling tot betaling aan haar van € 6.472,65, vermeerderd met volgens de Algemene Voorwaarden verschuldigde vertragingsrente ad 1% per maand vanaf 6 juni 2002. Zij voert daartoe aan dat Rijkaart in strijd met de tussen hen geldende Algemene Voorwaarden, zonder overleg met Balans en zonder Balans in welke vorm dan ook op de hoogte te brengen van haar besluit om met B een arbeidsverhouding aan te gaan, deze arbeidsverhouding aangegaan is en daarom de in de Algemene Voorwaarden voorziene boete heeft verbeurd. Zij heeft het bedrag van deze boete bij Rijkaart in rekening gebracht, die het niet heeft voldaan.

Rijkaart voert gemotiveerd verweer op hieronder te noemen gronden.

De beoordeling van het geschil

Ter comparitie is het volgende komen vast te staan, waardoor een aantal verweren hetzij achterhaald is, hetzij verworpen wordt.

? De genoemde Algemene Voorwaarden beheersten de onderhandelingen tussen partijen over de uitzendkracht B omdat partijen vaker zaken hadden gedaan en Rijkaart de Algemene Voorwaarden ‘ongetwijfeld wel eens gehad’ heeft en in het eerste contact overeengekomen was na te gaan of B geschikt was voor Rijkaart.

? De aanduiding Balans Techniek B.V. op briefpapier van Balans is het resultaat van een fout van de drukker van dat papier. Balans Techniek B.V. is geen bestaande rechtspersoon (geweest).

? B was in de zin van artikel 11 van de Algemene Voorwaarden een uitzendkracht die door Balans aan Rijkaart ter beschikking gesteld zou gaan worden.

? B is in de zin van datzelfde artikel rechtstreeks bij Rijkaart in dienst is getreden.

? Een eventueel terzake door Rijkaart verschuldigde boete, berekend volgens de Algemene Voorwaarden, beloopt € 6.472,65.

Door Rijkaart is de principiële vraag opgeworpen, of de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat bepalingen van Algemene Voorwaarden die de strekking hebben een werknemer te belemmeren in de vrijheid een rechtstreekse arbeidsverhouding met de inlener/werkgever aan te gaan, partijen wel kunnen binden. Dit betreft het zogenaamde indirecte belemmeringsverbod. Verboden is niet elke belemmering. Het gaat om een belangenafweging in een zin vergelijkbaar met die van het concurrentieverbod van artikel 7:653 lid 2 Burgerlijk Wetboek. Wordt dus B tegenover Balans onbillijk benadeeld door artikel 11 der Algemene Voorwaarden?

Het kan strijdig zijn met de eisen van redelijkheid en billijkheid als het een werknemer niet vrij staat na een tijdlang bij een werkgever te hebben gewerkt via een uitzendbureau, bij die werkgever zelfstandig in dienst te treden. Dan heeft immers het uitzendbureau gedurende enige tijd '‘verdiend'’ aan de geleverde arbeid, behoort het de werknemer vrij te staan van werkgever te veranderen en kan het onbillijk zijn juist de stap naar de meest in aanmerking komende werkgever te verbieden. Dit wordt des te nijpender naarmate het werk als uitzendkracht bij deze werkgever langer heeft geduurd.

Er zijn vele varianten op deze situatie denkbaar. Het gaat echter hier om vrijwel de tegenovergestelde situatie: het uitzendbureau brengt twee partijen met elkaar in contact, die vervolgens het uitzendbureau buiten spel plaatsen en samen verder gaan.

Daarbij is in beginsel noch de werkgever noch de werknemer gedupeerd, afgezien van de mogelijkheid (waarover hierna meer) dat er extra betaald moet worden voor deze werknemer. Zij zijn immers met elkaar tot wederzijdse tevredenheid in kennis gekomen. Dit is echter gebeurd door tussenkomst van een ander. Om die reden kan deze situatie, anders dan de hiervóór geschetste, tegenover het uitzendbureau onbillijk zijn. Dat heeft immers de werknemer in zijn administratie en dat verricht werk om inlener en uitzendkracht aan elkaar te koppelen. Dat dit kan variëren tussen een greep in de kaartenbak en doelgericht zoekwerk, is daarbij in beginsel niet van belang, evenmin als de mogelijkheid dat de latere werkgever ook zelf (aanvullend) selectiewerk verricht.

De slotsom uit het hiervoor overwogene is dat de stelling dat bepalingen als de geciteerde uit artikel 11 van de Algemene Voorwaarden als strijdig met het belemmeringsverbod vernietigbaar zijn, in haar algemeenheid te ver gaat en moet worden verworpen. Voor zover Rijkaart betoogt dat artikel 11 B onbillijk benadeelt tegenover Balans, wordt het betoog eveneens verworpen. De enige belemmering die er kan zijn, is dat Rijkaart als nieuwe werkgever Balans voor haar diensten (extra) moet betalen en dat is op zichzelf ook tegenover B, niet onbillijk.

De standpunten van partijen staan vervolgens in die zin tegenover elkaar, dat Balans Rijkaart verwijt zonder overleg met Balans en zonder Balans in welke vorm dan ook op de hoogte te brengen van haar besluit om met B een arbeidsverhouding aan te gaan, deze arbeidsverhouding te zijn aangegaan, terwijl Rijkaart betoogt aan Balans te hebben gemeld overeenstemming te hebben bereikt met B over haar indiensttreding bij Rijkaart. Het antwoord zou zijn geweest "De volgende keer graag weer zaken met elkaar doen.” Daarmee beschouwde Rijkaart de zaak als afgedaan. Heeft zij Balans op de hoogte gebracht, dan heeft zij daarmee voldaan aan haar eerste verplichting uit artikel 11 der Algemene Voorwaarden. Heeft zij daarop het antwoord zoals hier geciteerd verkregen of niets vernomen, dan mocht zij erop vertrouwen dat Balans zonder meer instemde met het rechtstreeks in dienst treden van B. Artikel 11 laat immers de mogelijkheid open dat partijen door overleg de rechtstreekse indiensttreding regelen en uit de stukken en ter comparitie is gebleken dat ook partijen dat mogelijk achten.

De slotsom is dat Rijkaart wordt toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij Balans heeft meegedeeld dat zij mevrouw B rechtstreeks in dienst wilde nemen en dat Balans daar geen bezwaar tegen maakte. Om proces-economische redenen zal tevens een comparitie van partijen worden bepaald.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De beslissing

De rechtbank

draagt Rijkaart op te bewijzen dat zij Balans heeft meegedeeld dat zij mevrouw B rechtstreeks in dienst wilde nemen en dat Balans daar geen bezwaar tegen maakte,

bepaalt dat, voor zover Rijkaart dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, de getui-gen door de rechtbank (mr. den Tonkelaar) gehoord zullen worden in het Paleis van Justitie aan de Walburg-straat 2-4 te Arnhem op een door de recht-bank vast te stellen datum en tijd,

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag- waarop dit vonnis is uitge-sproken voor het opgeven van eventuele getuigen met hun respectieve verhin-derdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advoca-ten in de maanden februari tot en met april 2003, waarna dag en uur van het getui-genver-hoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat het aan de hand van de gedane opgave(n) vastgestelde tijdstip in beginsel niet zal worden gewij-zigd,

verstaat dat bij gebreke van de gevraagde opgave van getuigen geen gelegen-heid meer zal worden gegeven voor het doen horen van getuigen,

verwijst in dat geval de zaak naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgespro-ken, voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van Rijkaart, waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren, of voor bepaling datum vonnis,

bepaalt dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn,

bepaalt voorts dat de partijen, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijk volmacht bevoegd is tot het geven van inlichtingen en tot het aangaan van een schikking, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de genoemde rechter zullen verschijnen om aan deze nadere inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

bepaalt dat voorzover de partijen in verband met de getuigenverhoren nog stukken in het geding willen brengen, dit dient te geschieden bij akte op de hiervoor bedoelde tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en uitge-spro-ken in het openbaar op 8 januari 2003

de griffier de rechter