Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF2837

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-01-2003
Datum publicatie
13-01-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: AWB 02/2657 en 02/2660
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 02/2657 en 02/2660

UITSPRAAK

van de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb in het geding tussen:

1. De Belangenvereniging Exploitanten Spijkerkwartier, gevestigd te Arnhem, alsmede 7 individuele leden;

2. A,

wonende te B;

verzoekers

en

De burgemeester van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluiten van 27 november 2002 en 2 december 2002 op grond van het bepaalde in artikel 3.3.2, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem (verder: de APV) geweigerd om de onder 1 als individuele leden aangeduide verzoekers en aan verzoeker sub 2 vergunning te verlenen voor het exploiteren van seksinrichtingen in het Spijkerkwartier met ingang van 1 december 2002.

Tegen deze besluiten hebben verzoekers bij brieven van 3 en 5 december 2002 bezwaar gemaakt. Bij brieven van gelijke datum hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, onder meer indien het verzoek kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich een dergelijke situatie thans voor, waartoe wordt volstaan met de navolgende overwegingen.

Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van de voorzieningenrechter naar zijn aard een voorlopig karakter heeft en dat een procedure als de onderhavige zich niet leent voor een diepgaand onderzoek naar de juistheid en het gewicht van alle relevante feiten en omstandigheden. Inherent hieraan is dat een beslissing van de voorzieningenrechter in beginsel een conserverend karakter heeft en geen onomkeerbare gevolgen dient te hebben, behoudens in de situatie dat de aard van de gevraagde voorziening met zich brengt dat noodzakelijkerwijs moet worden vooruitgelopen op de beslissing in de hoofdzaak.

De bestreden besluiten behelzen de weigering een vergunning te verlenen voor het exploiteren van een aantal - reeds tal van jaren in werking zijnde - seksinrichtingen in het Spijkerkwartier. Uit de slotalinea's van deze besluiten moet worden afgeleid dat verweerder voornemens is na het verstrijken van een termijn van 8 weken na 1 december 2002 middels bestuursdwang daadwerkelijk tegen illegale voortzetting van de exploitatie op te treden. Aldus dreigt een nauwelijks omkeerbare situatie te ontstaan, waarbij aannemelijk is dat, bij het voorshands ontbreken van reële alternatieven, voor verzoekers en hun werknemers grote financiële en andere (nadelige) gevolgen zullen optreden.

Gelet hierop en gezien de langdurige periode waarin in het Spijkerkwartier prostitutieactiviteiten hebben plaatsgevonden, vermag de voorzieningenrechter niet in te zien dat verweerders belang bij de onmiddellijke werking en handhaving van de bestreden besluiten in verhouding tot de belangen van verzoekers zodanig groot en urgent is, dat een inhoudelijk rechterlijk oordeel in een daartoe geëigende bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. Zulks klemt te meer nu naar dezerzijds voorlopig oordeel uit de beschikbare gegevens niet onmiddellijk kan worden afgeleid dat een eventueel beroep tegen het - na bezwaar gehandhaafde - bestreden besluit bij voorbaat kansloos zou zijn. Ter voorlichting van partijen kan hierbij nog worden opgemerkt dat bij een normale afwikkeling van de bezwarenprocedure de behandeling van een eventueel bodemberoep nog vóór medio 2003 zou kunnen worden geagendeerd.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de bestreden besluiten voor schorsing in aanmerking komen en dat aanleiding bestaat na te melden voorziening te treffen.

Aan het vorenstaande wordt ten slotte nog het volgende toegevoegd. Hoewel verdedigbaar is dat een procedure als de onderhavige, gelet op de daarbij betrokken individuele en maatschappelijke belangen, alleszins een openbare behandeling ter zitting zou kunnen rechtvaardigen, heeft de voorzieningenrechter, gezien de kennelijke uitkomst van het geschil alsmede uit een oogpunt van aanzienlijke tijd- en kostenbesparing, aanleiding gezien heden bij vervroeging buiten zitting uitspraak te doen.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers. Deze kosten worden begroot op € 644,- ter zake van rechtsbijstand, waarvan de helft te betalen aan de gezamenlijke verzoekers sub 1 en de andere helft aan verzoeker sub 2.

Tevens dient verweerder het door verzoekers sub 1 en 2 gestorte griffierecht ten bedrage van respectievelijk € 218,-- en €109,-- aan hen te vergoeden.

Beslist wordt derhalve als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- schorst de bestreden besluiten;

- treft de voorlopige voorziening dat verzoekers worden behandeld als waren zij in het bezit van een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 3.2.1. van de APV totdat 6 weken zijn verstreken na de besluiten op bezwaar; deze termijn wordt ten aanzien van elke verzoeker, indien hij tijdig tegen een hem betreffend besluit op bezwaar in beroep komt, verlengd tot 6 weken na de uitspraak op dat beroep;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-- waarvan de helft te betalen aan de gezamenlijke verzoekers sub 1 en de andere helft aan verzoeker sub 2 en wijst de gemeente Arnhem aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat de gemeente Arnhem aan de gezamenlijke verzoekers sub 1 en aan verzoeker sub 2 het door hen betaalde griffierecht van respectievelijk € 218,-- en €109,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2003 in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Verzonden op: