Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AF6106

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-12-2002
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
AWB 01/2241 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

de werkloosheidsuitkering met terugwerkende kracht wordt herzien vanaf 15 september 1997 en dat de ten onrechte betaalde uitkering over de periode van 15 september 1997 tot 2 april 2001 wordt teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 01/2241 WW

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 23 november 2001, uitgereikt door Cadans Uitvoeringsinstellingen B.V., thans UWV Cadans.

2. Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2001 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar van 15 september 1997 tot 1 maart 2001 ten onrechte een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) was toegekend. Voorts is medegedeeld dat de ten onrechte verstrekte uitkering van eiseres wordt teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft mr. P.J. van ´t Hoff, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, namens eiseres op 1 oktober 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 oktober 2001 heeft verweerder het besluit van 27 augustus 2001 ingetrokken en bepaald dat de werkloosheidsuitkering met terugwerkende kracht wordt herzien vanaf 15 september 1997 en dat de ten onrechte betaalde uitkering over de periode van 15 september 1997 tot 2 april 2001 wordt teruggevorderd.

Mr. P.J. van ´t Hoff, voornoemd, heeft namens eiseres de nadere gronden van het bezwaar uiteengezet in een aanvullend bezwaarschrift van 6 november 2001.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit van 23 november 2001 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft mr. P.J. van ´t Hoff, voornoemd, namens eiseres op 17 december 2001 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 8 februari 2002 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 21 november 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.J. van ´t Hoff, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.J. van Werven, werkzaam bij UWV Cadans te Zeist.

3. Overwegingen

3.1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge artikel 12, lid 1, van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).

3.2. In dit geding moet worden beoordeeld of het besluit van 23 november 2001 de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Hieromtrent overweegt de rechtbank het navolgende.

3.3. Feiten

Blijkens de stukken van het geding is eiseres met ingang van februari 1987 als oproepkracht voor gemiddeld 16 uur per week in dienst getreden bij kwekerij [kwekerij 1] te [plaats].

Daarnaast is eiseres vanaf juli 1992 werkzaam bij de heer [werkgever] te Nijmegen. Vanwege ontslag bij deze werkgever ontvangt eiseres met ingang van 13 november 1995 een uitkering ingevolge de WW op basis van een gemiddeld aantal arbeidsuren van 10,14 uren.

Per 1 juli 1997 heeft eiseres haar werkzaamheden bij kwekerij [kwekerij 1] beëindigd. Eiseres heeft vanwege dit verlies van arbeidsuren geen aanvraag voor een werkloosheidsuitkering ingediend.

Eiseres is van 15 september 1997 tot 2 april 2001 voor gemiddeld 12 uur per week in dienstbetrekking werkzaam bij kwekerij [kwekerij 2] B.V. te [plaats].

In het bestreden besluit van 23 november 2001 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar van 15 september 1997 tot 2 april 2001 ten onrechte een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) was toegekend.

Eiseres kan zich met het besluit van 23 november 2001 niet verenigen en heeft daartoe gesteld dat het niet vermelden van de gewerkte uren op haar werkbriefje niet van invloed is geweest op het recht op uitkering. Ter verduidelijking heeft eiseres opgemerkt dat als zij de gewerkte uren wel zou hebben medegedeeld aan verweerder, zij ook recht gehad zou hebben op een werkloosheidsuitkering.

3.4. Wettelijk kader

In artikel 25 van de WW is bepaald dat een werknemer verplicht is aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen, thans UWV, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

Artikel 22a, eerste lid, onderdeel a, van de WW bepaalt - voor zover hier van belang - dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen, thans UWV, een besluit tot toekenning van een uitkering herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

Een uitkering is onder meer ten onrechte verstrekt indien op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de WW het recht op uitkering is geëindigd doordat de werknemer niet langer werkloos is.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald, van de betrokken werknemer teruggevorderd. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan ingevolge artikel 36, vierde lid, geheel of gedeeltelijk worden afgezien van terugvordering.

3.5. Inlichtingenplicht

Vaststaat dat eiseres in de periode van 15 september 1997 tot 2 april 2001 werkzaamheden heeft verricht bij kwekerij [kwekerij 2] B.V. te [plaats], welke zij niet aan verweerder heeft medegedeeld. Door eiseres is niet bestreden dat zij over genoemde periode een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen ten bedrage van f 22.777.

Naar het oordeel van de rechtbank had het eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij het verlies van haar dienstverband bij kwekerij [kwekerij 1], haar nieuwe werkzaamheden bij kwekerij [kwekerij 2] B.V., en de uit laatstgenoemde dienstbetrekking ontvangen inkomsten had moeten opgeven aan verweerder. Deze inlichtingenplicht is immers vermeld in de aan eiseres ten tijde van de WW-aanvraag uitgereikte brochure. Het nakomen van de inlichtingenplicht als vermeld in artikel 25 van de WW is voor verweerder van groot belang, zodat verweerder het nakomen van de verplichting zwaar mag laten wegen. Uit de bewoording van artikel 25 van de WW blijkt dat bij het voldoen aan de inlichtingenplicht niet beslissend is of de kennisneming van de gegevens van belang is, maar of zij van belang kan zijn voor de werkloosheidsuitkering. Op grond van de mogelijkheid dat een bepaald gegeven niet van belang behoeft te zijn voor de werkloosheidsuitkering kon en mocht eiseres niet begrijpen dat de gegevens niet uit eigen beweging aan verweerder medegedeeld behoefden te worden. Nu het naar het oordeel van de rechtbank eiseres redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de gegevens omtrent ontslag, sollicitaties en inkomen, voor de werkloosheidsuitkering van belang zouden kunnen zijn, heeft eiseres door het niet verstrekken van deze gegevens aan verweerder niet of niet behoorlijk voldaan aan de inlichtingenplicht in de zin van artikel 25 van de WW.

3.6. Herziening

Vervolgens dient de rechtbank te onderzoeken of het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht op grond van artikel 22a van de WW kan leiden tot een herziening van de aan eiseres toegekende werkloosheidsuitkering met terugwerkende kracht tot 15 september 1997. Bij toepassing van deze bepaling hanteert het UWV het beleid, neergelegd in het Besluit van 18 april 2000, Stcrt. 2000, 89, - voor zover hier van belang - dat indien aan een belanghebbende als gevolg van of mede als gevolg van het niet nakomen van een van de inlichtingenverplichtingen geheel of gedeeltelijk ten onrechte uitkering is toegekend, de beslissing tot toekenning wordt herzien of ingetrokken met ingang van de datum waarop de uitkering zou zijn ingetrokken of herzien als belanghebbende wel tijdig en juist aan zijn mededelingsverplichting zou hebben voldaan. Voorts vermeldt het Besluit van 18 april 2000 dat ingeval het belanghebbende niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, de beslissing wordt herzien of ingetrokken met ingang van de datum waarop het UWV belanghebbende voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat hem ten onrechte of te veel is verstrekt.

Voor de vraag of aan eiseres ten onrechte een werkloosheidsuitkering is toegekend moet te rade worden gegaan bij het bepaalde in artikel 20 van de WW. Ingevolge artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de WW, in verbinding met artikel 20, derde lid, onderdeel a, van de WW, eindigt het recht op uitkering geheel indien de werknemer al dan niet opeenvolgend een zodanig aantal uren arbeid als werknemer verricht dat een verlies aan arbeidsuren resteert van minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren bedoeld in artikel 16 van de WW.

Ten gevolge van de beëindiging van de dienstbetrekking bij de heer [werkgever] ontvangt eiseres met ingang van 13 november 1995 een werkloosheidsuitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 10,14 uren. Na het intreden van dit arbeidsurenverlies is per 15 september 1997 een vermindering van dat verlies opgetreden van 12 uren door de werkzaamheden bij kwekerij [kwekerij 2] B.V. Dit betekent, gelet op het bepaalde in artikel 20, derde lid, onderdeel a, van de WW, dat aan eiseres gedurende de periode van 15 september 1997 tot en met 2 april 2001 ten onrechte een werkloosheidsuitkering is verstrekt. De rechtbank meent dat de aan eiseres ten onrechte verstrekte uitkering haar oorzaak vond in het door eiseres niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Ingevolge verweerders beleid, zoals neergelegd in het Besluit van 18 april 2000, vindt alsdan herziening van de uitkering plaats met terugwerkende kracht tot en met de datum van toekenning, tenzij het belanghebbende niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte uitkering werd verstrekt.

Ten aanzien van de vraag of eiseres redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij op grond van het bepaalde in artikel 20 van de WW geen recht kon doen gelden op een werkloosheidsuitkering, overweegt de rechtbank het volgende.

Voorafgaande aan het intreden van haar werkloosheid per 13 november 1995 heeft eiseres naast haar arbeid bij heer [werkgever] voor gemiddeld 16 uur per week werkzaamheden verricht bij kwekerij Evers. Deze tot 1 juli 1997 verrichte werkzaamheden hebben geen invloed gehad op haar werkloosheidsuitkering. Aangezien het gemiddeld aantal uren dat eiseres vanaf 15 september 1997 aan werkzaamheden heeft verricht bij kwekerij [kwekerij 2] B.V. niet het aantal van 16 overschrijdt, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet redelijkerwijs had moeten begrijpen dat haar ten onrechte een uitkering werd verstrekt. Ingevolge verweerders beleid, zoals neergelegd in het Besluit van 18 april 2000, vindt alsdan herziening van de uitkering plaats met ingang van de datum waarop verweerder eiseres voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat haar ten onrechte een uitkering was verstrekt. Nu het voor eiseres eerst op 3 mei 2001 kenbaar was dat haar over de periode van 15 september 1997 tot 2 april 2001 ten onrechte een werkloosheidsuitkering was verstrekt, heeft verweerder, gelet op voornoemd beleid, ten onrechte de aan eiseres toegekende werkloosheidsuitkering herzien met terugwerkende kracht tot 15 september 1997.

3.7. Terugvordering

De rechtbank constateert dat verweerder in het bestreden besluit het bezwaar van eiseres tegen de terugvorderingsbeslissing van 22 oktober 2001 onbesproken heeft gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit derhalve niet op een deugdelijke motivering.

Nu de rechtbank evenwel heeft geoordeeld dat de aan eiseres toegekende werkloosheidsuitkering over de periode van 15 september 1997 tot 2 april 2001 ten onrechte is herzien, is aan het besluit tot terugvordering de grondslag geheel komen te ontvallen.

Het beroep dient mitsdien gegrond te worden verklaard. Aangezien rechtens geen andere beslissing mogelijk is, kan ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de rechtbank zelf in de zaak voorzien.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 zijnde de kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

vernietigt het herzieningsbesluit alsmede het terugvorderingsbesluit,

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,

bepaalt voorts dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 29,04 (f 64) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2002, in tegenwoordigheid van mw. mr. J.M.M.B. van Eeten als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto artikel 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op:10 januari 2003

Coll: