Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AF3730

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-12-2002
Datum publicatie
10-02-2003
Zaaknummer
02/1476
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht bij de Wet van 24 januari 2002 ten aanzien van artikel 8:75 Awb ook van toepassing geacht op art. 7:15.2 en 7:15.3 Awb.

Bezwaar tegen wijziging van eisers WW-uitkering niet-ontvankelijk verklaard, waarbij verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat het primaire besluit als niet geschreven dient te worden beschouwd. Eisers verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten, gebaseerd op de Wet van 24 januari 2002 tot wijziging van de Awb met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (hierna: de Wet), alsmede het besluit van 25 februari 2002 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de vergoeding van kosten van bezwaar en administratief beroep, is afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat niet tot vergoeding van de kosten van rechtshulp kan worden overgegaan omdat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en geen sprake is van herroeping van het primaire besluit wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Hoewel met betrekking tot de toepassing van art. 7:15 Awb geen specifieke bepalingen van overgangsrecht gelden, is de rechtbank van oordeel dat het hierboven genoemde overgangsrecht bij de toepassing van art. 7:15 Awb van overeenkomstige toepassing is. Een andersluidende opvatting zou immers betekenen dat bij een beslissing op bezwaar reeds wel tot vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten volgens de nieuwe regeling zou kunnen worden beslist, terwijl, in het geval tegen een dergelijke beslissing op bezwaar beroep is ingesteld, de rechtbank daarover niet zou mogen oordelen. Een dergelijke situatie verdraagt zich niet met de tekst van art. 8:75 Awb in die zin dat bij dit art. de rechtbank bij uitsluiting bevoegd wordt geacht zich over de proceskosten uit te spreken.

Verweerder heeft, nu het primaire besluit voor 12 maart 2002 is genomen, ten onrechte toepassing gegeven aan art. 7:15 Awb.

De Raad van Bestuur van het UWV, verweerder.

mr. drs. M.E. Snijders, mr. F.H. de Vries, mr. drs. L.B.M. Klein Tank

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 02/1476

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A,

wonende te B, eiser,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 6 juni 2002, uitgereikt door UWV GAK te Arnhem.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2002 heeft verweerder eisers uitkering ingevolge de Werkloosheidswet over de periode van 31 december 2001 tot en met 27 januari 2002 alsmede over de periode van 28 januari 2002 tot en met 10 februari 2002 met terugwerkende kracht herzien naar aanleiding van een door eiser gevolgde “snuffelstage”.

Tegen dit besluit heeft mw. mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem, namens eiser bezwaar gemaakt.

Bij brief van 10 april 2002 heeft mr. Van Etten, voornoemd, verweerder namens eiser verzocht onder toepassing van artikel 7:15, tweede lid juncto derde lid, van de Awb tot vergoeding van de kosten van rechtshulp over te gaan.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, zich daarbij op het standpunt stellend dat het besluit van 8 maart 2002 als niet-geschreven dient te worden beschouwd, gelet op eisers volledige arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 24 december 2001. Eisers verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten is afgewezen.

Tegen dit besluit heeft mr. Van Etten, voornoemd, namens eiser op 9 juli 2002 beroep bij de rechtbank ingesteld, voor zover het de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten betreft.

Verweerder heeft op 8 augustus 2002 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 november 2002. Namens eiser is mr. Van Etten voornoemd ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich, zoals tevoren aangekondigd, niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat niet tot vergoeding van de kosten van rechtshulp kan worden overgegaan omdat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en geen sprake is van herroeping van het primaire besluit wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voordat verweerder is teruggekomen van het primaire besluit de kosten van rechtshulp heeft moeten maken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eisers verzoek van 10 april 2002 is gebaseerd op de Wet van 24 januari 2002 tot wijziging van de Awb met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (hierna: de Wet), alsmede het besluit van 25 februari 2002 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de vergoeding van kosten van bezwaar en administratief beroep.

Het tweede en derde lid van het met ingang van 12 maart 2002 in werking getreden artikel 7:15 van de Awb luiden als volgt:

“2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.

3. Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.”

Het eerste lid van artikel 8:75 van de Awb zoals dat sinds 12 maart 2002 luidt, bepaalt voor zover hier van belang dat de rechtbank bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken en dat de artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, van toepassing zijn.

In artikel III van de Wet van 24 januari 2002 is bepaald dat artikel 8:75 van de Awb zoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing blijft, indien het besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is genomen.

Hoewel met betrekking tot de toepassing van artikel 7:15 van de Awb geen specifieke bepalingen van overgangsrecht gelden, is de rechtbank van oordeel dat het hierboven genoemde overgangsrecht bij de toepassing van artikel 7:15 van de Awb van overeenkomstige toepassing is. Een andersluidende opvatting zou immers betekenen dat bij een beslissing op bezwaar reeds wel tot vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten volgens de nieuwe regeling zou kunnen worden beslist, terwijl, in het geval tegen een dergelijke beslissing op bezwaar beroep is ingesteld, de rechtbank daarover niet zou mogen oordelen. Een dergelijke situatie verdraagt zich niet met de tekst van artikel 8:75 van de Awb in die zin dat bij dit artikel de rechtbank bij uitsluiting bevoegd wordt geacht zich over de proceskosten uit te spreken.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder, nu het primaire besluit voor 12 maart 2002 is genomen, ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 7:15 van de Awb.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder, weliswaar op onjuiste gronden, terecht niet is overgegaan tot het vergoeden van de kosten in bezwaar. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een veroordeling van verweerder, onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb, in de door eiser in beroep gemaakte kosten.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. drs. M.E. Snijders, als voorzitter,

mr. F.H. de Vries en mr. drs. L.B.M. Klein Tank als rechters, in tegenwoordigheid van R. van Diest als griffier. In het openbaar uitgesproken op 31 december 2002 door de voorzitter voornoemd in tegenwoordigheid van de griffier voornoemd.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 31 december 2002

Coll: