Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AF2757

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
08-01-2003
Zaaknummer
Parketnummer : 05/090129-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/090129-01

Datum zitting : 05 december 2002

Datum uitspraak : 19 december 2002

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

verdachte

Raadsman: mr. L.P.H. de Milliano, advocaat te Katwijk aan Zee

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari

1995 tot en met 31 december 1999 te Bennekom, gemeente Ede en/of elders in Nederland,

als ambtenaar - te weten (onder meer) als deskundige bedrijfsuitrusting en

techniek bij het Informatie en Kenniscentrum van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te Ede -

(telkens) opzettelijk (een) gift(en), te weten een of meer geldbedragen (tot

een totaalbedrag van maximaal fl. 208.979,-- of daaromtrent) heeft aangenomen

van (respectievelijk) Laco B.V./ VDL Systems B.V. (dossier A) en/of Ekoz

Holding B.V. (dossier B) en/of Meller Poultry Service B.V. (dossier C)

en/of I.P.B. Holding B.V. / Vencomatic B.V. (dossier D) en/of Versleijen

Agri B.V. (dossier E) en/of Volito Nederland B.V. (dossier F)

(telkens) wetende dat voornoemde gift(en) hem, verdachte werd(en) gedaan,

teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn, verdachtes, plicht

in zijn, verdachtes, bediening iets te doen of na te laten

en/of

(telkens) wetende dat voornoemde gift(en) hem, verdachte, werd(en) gedaan ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, in strijd met

zijn, verdachtes, plicht in zijn, verdachtes, bediening is gedaan of nagelaten,

te weten het (telkens) in strijd met zijn, verdachtes, plicht

- bezoeken en/of adviseren van adspirant-afnemers, te weten pluimveehouders

en/of bedrijven en/of particulieren (het verrichten van "duwwerk") en/of

bemiddelen ten behoeve/gunste van Laco B.V., gevestigd te U. en/of VDL

Systems B.V., gevestigd te E., in de periode 1 januari 1995 tot en met

31 december 1999 (dossier A);

- invullen van aanvraagformulier(en) ten behoeve van het verkrijgen van

(rijks)subsidie en/of (vervolgens) schrijven van (een) pré-advies/pré-adviezen

ten gunste van het verkrijgen van (die) (rijks)subsidie ten behoeve/gunste van

EKOZ Holding B.V., gevestigd te S., in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 (dossier B);

- promoten en/of verrichten van "duwwerk" en/of aanbrengen ("tippen") van

adspirant-afnemers en/of adviseren ten behoeve/gunste van Meller/Poultry

Service B.V., gevestigd te E., in de periode 1 januari 1995 tot en met 31

december 1998 (dossier C);

- promoten en/of verrichten van "duwwerk" en/of aanbrengen ("tippen") van

adspirant-afnemers en/of adviseren ten behoeve/gunste van I.P.B. Holding B.V.

gevestigd te D. en/of Vencomatic B.V. gevestigd te E., in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 (dossier D);

- het promoten en/of verrichtten van "duwwerk" en/of aanbrengen ("tippen")

van adspirant-afnemers en/of adviseren en/of invullen van

aanvraagformulier(en) ten behoeve van het verkrijgen van (rijks)subsidie en/of

(vervolgens) schrijven van (een) pré-advies/pré-adviezen ten gunste van het

verkrijgen van (die) (rijks)subsidie ten behoeve/gunste van Versleijen Agri

B.V., gevestigd te O. inde periode 1 januari 1995 tot en met 31

december 1999 (dossier E);

- het promoten en/of verrichtten van "duwwerk" en/of aanbrengen ("tippen") van adspirant-afnemers en/of adviseren en/of invullen van aanvraagformulier(en) ten behoeve van het verkrijgen van (rijks)subsidie en/of (vervolgens) schrijven van (een) pré-advies/préadviezen ten gunste van het verkrijgen van (die) (rijks)subsidie ten behoeve/gunste van Volito Nederland B.V., gevestigd te R. in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 (dossier F);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari

1995 tot en met 31 december 1999 te Bennekom, gemeente Ede en/of elders in Nederland,

als ambtenaar - te weten (onder meer) als deskundige bedrijfsuitrusting en

techniek bij het Informatie en Kenniscentrum van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te Ede -

(telkens) (een) gift(en), te weten een of meer geldbedragen (tot een

totaalbedrag van maximaal fl. 208.979,-- of daaromtrent) heeft aangenomen van

(respectievelijk) Laco B.V./ VDL Systems B.V. (dossier A) en/of Ekoz Holding

B.V. (dossier B) en/of Meller Poultry Service B.V. (dossier C) en/of I.P.B.

Holding B.V. / Vencomatic B.V. (dossier D) en/of Versleijen Agri B.V.

(dossier E) en/of Volito Nederland B.V. (dossier F)

(telkens) wetende dat voornoemde gift(en) hem, verdachte werd(en) gedaan,

teneinde hem, verdachte, te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn,

verdachtes, plicht te handelen, in zijn, verdachtes, bediening iets te doen of

na te laten, te weten het (telkens)

- bezoeken en/of adviseren van adspirant-afnemers, te weten pluimveehouders

en/of bedrijven en/of particulieren (het verrichten van "duwwerk") en/of

bemiddelen ten behoeve/gunste van Laco B.V., gevestigd te U. en/of VDL

Systems B.V., gevestigd te E., in de periode 1 januari 1995 tot en met

31 december 1999 (dossier A);

- invullen van aanvraagformulier(en) ten behoeve van het verkrijgen van

(rijks)subsidie en/of (vervolgens) schrijven van (een) pré-advies/pré-adviezen

ten gunste van het verkrijgen van (die) (rijks)subsidie ten behoeve/gunste van

EKOZ Holding B.V., gevestigd te S., in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 (dossier B);

- promoten en/of verrichten van "duwwerk" en/of aanbrengen ("tippen") van

adspirant-afnemers en/of adviseren ten behoeve/gunste van Meller/Poultry

Service B.V., gevestigd te E., in de periode 1 januari 1995 tot en met 31

december 1998 (dossier C);

- promoten en/of verrichten van "duwwerk" en/of aanbrengen ("tippen") van

adspirant-afnemers en/of adviseren ten behoeve/gunste van I.P.B. Holding B.V.

gevestigd te D. en/of Vencomatic B.V. gevestigd te E., in de periode 1

januari 1995 tot en met 31 december 1999 (dossier D);

- het promoten en/of verrichtten van "duwwerk" en/of aanbrengen ("tippen")

van adspirant-afnemers en/of adviseren en/of invullen van

aanvraagformulier(en) ten behoeve van het verkrijgen van (rijks)subsidie en/of

(vervolgens) schrijven van (een) pré-advies/pré-adviezen ten gunste van het

verkrijgen van (die) (rijks)subsidie ten behoeve/gunste van Versleijen Agri

B.V., gevestigd te O. in de periode 1 januari 1995 tot en met 31

december 1999 (dossier E);

- het promoten en/of verrichtten van "duwwerk" en/of aanbrengen ("tippen") van aspirant-afnemers en/of adviseren en/of invullen van aanvraagformulier(en) ten behoeve van het verkrijgen van (rijks)subsidie en/of (vervolgens) schrijven van (een) pré-advies/préadviezen ten gunste van het verkrijgen van (die) (rijks)subsidie ten behoeve/gunste van Volito Nederland B.V., gevestigd te R. in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 (dossier F);

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1995

tot en met 12 mei 1998, te Wageningen en/of Arnhem en/of Bennekom, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een of meer bij de wet voorziene aangiften, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen te weten de aangifte(n) voor de

inkomstenbelasting, voorzien bij de Wet op de inkomstenbelasting 1964,

over de jaren 1995 en/of 1996 en/of 1997, (telkens) onjuist en/of onvolledig

heeft gedaan,

hierin bestaande dat (telkens) op het door of namens verdachte ingevuld,

ondertekend en bij de Inspecteur Belastingdienst Particulieren Wageningen

(jaren 1995 en/of 1996) en/of de Inspecteur Belastingdienst Particulieren

Arnhem (jaar 1997) ingeleverd aangiftebiljet Inkomstenbelasting over

voormeld(e) ja(a)r(en) opzettelijk een lager bedrag als belastbaar inkomen

werd aangegeven/vermeld dan in werkelijkheid had bedragen,

zulks terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou hebben kunnen zijn dat te weinig

belasting zou kunnen worden geheven;

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1998

tot en met 4 juli 2001, te Arnhem en/of Bennekom, althans in Nederland,

telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte(n),

als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)

aangifte(n) voor de inkomstenbelasting, voorzien bij de Wet op de

inkomstenbelasting 1964, over de jaren 1998 en/of 1999 en/of 2000 onjuist

en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk op

het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst Pariculieren

Arnhem ingeleverde aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting over genoemd(e)

jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te

laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte

dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijf-fouten voorko-men, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 05 december 2002 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte versche-nen. Verdachte is bijgestaan door mr. L.P.H. de Milliano, advocaat te Katwijk aan Zee.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroor-deeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en voorts tot een geldboete van € 26.000 subsidiair 130 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging ge-voerd.

2a. Nietigheid van de dagvaarding

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1, eerste gedachtestreepje, voor zover het de zinssnede betreft “en/of bemiddelen ten behoeve/gunste van Laco”, partieel nietig dient te worden verklaard nu, kort gezegd, onduidelijk is welke feiten uit het dossier daarin aan verdachte worden verweten.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De dagvaarding is voldoende duidelijk. Gelet op het onderliggende dossier moet de tenlastelegging ook op dit onderdeel voor verdachte voldoende duidelijk zijn geweest, terwijl ook geenszins is gebleken dat er bij hem op dit punt onduidelijkheid heeft bestaan.

3. De beslis-sing inzake het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

dat hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 te Bennekom, gemeente Ede en/of elders in Nederland,

als ambtenaar - te weten (onder meer) als deskundige bedrijfsuitrusting en

techniek bij het Informatie en Kenniscentrum van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te Ede -

telkens opzettelijk een gift, te weten geldbedragen heeft aangenomen

van (respectievelijk) Laco B.V./ VDL Systems B.V. (dossier A) en Ekoz

Holding B.V. (dossier B) en Meller Poultry Service B.V. (dossier C)

en I.P.B. Holding B.V. / Vencomatic B.V. (dossier D) en Versleijen

Agri B.V. (dossier E) en Volito Nederland B.V. (dossier F)

telkens wetende dat voornoemde gift hem, verdachte, werd gedaan ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, in strijd met

zijn, verdachtes, plicht in zijn, verdachtes, bediening is gedaan of nagelaten,

te weten het telkens in strijd met zijn, verdachtes, plicht

- bezoeken en adviseren van adspirant-afnemers, te weten pluimveehouders

en/of bedrijven (het verrichten van "duwwerk") ten behoeve/gunste van Laco B.V., gevestigd te U. en/of VDL Systems B.V., gevestigd te E., in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 (dossier A);

- invullen van aanvraagformulier ten behoeve van het verkrijgen van

(rijks)subsidie en vervolgens schrijven van een pré-advies ten gunste van het verkrijgen van die (rijks)subsidie ten behoeve/gunste van EKOZ Holding B.V., gevestigd te S., in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 (dossier B);

- promoten en verrichten van "duwwerk" en aanbrengen ("tippen") van

adspirant-afnemers en adviseren ten behoeve/gunste van Meller/Poultry

Service B.V., gevestigd te E., in de periode 1 januari 1995 tot en met 31

december 1998 (dossier C);

- promoten en verrichten van "duwwerk" en aanbrengen ("tippen") van

adspirant-afnemers en adviseren ten behoeve/gunste van I.P.B. Holding B.V.

gevestigd te D. en Vencomatic B.V. gevestigd te E., in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 (dossier D);

- het promoten en verrichtten van "duwwerk" en aanbrengen ("tippen")

van adspirant-afnemers en adviseren ten behoeve/gunste van Versleijen Agri

B.V., gevestigd te O. in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 (dossier E);

- het promoten en verrichtten van "duwwerk" ten behoeve/gunste van Volito Nederland B.V., gevestigd te R. in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 (dossier F);

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1995 tot en met 12 mei 1998, te Wageningen en/of Arnhem opzettelijk een bij de wet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen te weten de aangifte voor de inkomstenbelasting, voorzien bij de Wet op de inkomstenbelasting 1964, over de jaren 1995 en 1996 en 1997, telkens onjuist en onvolledig

heeft gedaan,

hierin bestaande dat telkens op het door of namens verdachte ingevuld,

ondertekend en bij de Inspecteur Belastingdienst Particulieren Wageningen

(jaren 1995 en 1996) en de Inspecteur Belastingdienst Particulieren

Arnhem (jaar 1997) ingeleverd aangiftebiljet Inkomstenbelasting over

voormelde jaren opzettelijk een lager bedrag als belastbaar inkomen

werd aangegeven/vermeld dan in werkelijkheid had bedragen,

zulks terwijl daarvan telkens het gevolg zou hebben kunnen zijn dat te weinig

belasting zou kunnen worden geheven;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1998 tot en met 4 juli 2001, te Arnhem, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte,

als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de

aangifte voor de inkomstenbelasting, voorzien bij de Wet op de

inkomstenbelasting 1964, over de jaren 1998 en 1999 en 2000 onjuist

en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk op

het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst Pariculieren

Arnhem ingeleverde aangiftebiljet inkomstenbelasting over genoemde

jaren een te laag belastbaar bedrag, aan belasting opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe-zen. Verdach-te zal daarvan worden vrijgesproken.

Door de verdediging is aangevoerd dat niet duidelijk is - en daarmee voor de verdachte ook niet duidelijk was - dat ook de andere onder 1 bewezen verklaarde activiteiten dan het invullen van een aanvraagformulier voor het verkrijgen van een subsidie en het schrijven van een preadvies daarover, met name het “tippen” van bedrijven omtrent adspirant afnemers, in strijd waren met verdachtes plicht.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar verdachte duidelijk moet zijn geweest, vloeit uit de algemene omschrijving van art. 61 ARAR voort dat hij zijn taak in objectiviteit diende te vervullen. Naar verdachte ook duidelijk moet zijn geweest, is - nog los van de vraag of bedrijven überhaupt mochten of moesten worden ingelicht - daarmee in strijd dat hij op eigen initiatief telkens een bepaald bedrijf inlichtte, zoals door middel van de “tips” geschiedde, en daarmee die bedrijven bevoordeelde ten opzichte van andere bedrijven. Een en ander geldt evenzeer voor het op andere wijze bevoordelen van de positie van bepaalde bedrijven op de bewezenverklaarde manieren. Dat een en ander voor verdachte duidelijk moet zijn geweest leidt de rechtbank mede af uit de verklaringen van verdachtes directe chef, dat verdachte vanaf 1990 geen taak meer had om boeren te adviseren en vanaf 1996 geen taak had om bedrijven andere dan boeren te adviseren over technisch-economische bedrijfsaspecten, dat hij verdachte duidelijk had gemaakt dat dit niet zijn taak was en dat hij, verdachte, zich van adviezen moest onthouden bij bedrijven en boeren zodat er geen misverstanden konden ontstaan bij het bedrijf of de boer wat betreft zijn taak en functie als beleidsambtenaar van het ministerie van LNV - en dat verdachte hierop reageerde dat dit hem bekend was. Het is niet aannemelijk geworden dat de uitlatingen van verdachtes directe chef alleen maar bedoeld waren om de frequentie waarmee verdachte boeren en hun bedrijven bezocht terug te brengen, zoals door verdachte betoogd.

Door de verdachte is aangevoerd dat hij zijn directe chef heeft ingelicht omtrent zijn nevenwerkzaamheden bestaande in dienstverlening aan pluimveehouders en/of bedrijven bij het aanvragen van vergunningen aan gemeenten op het terrein van de milieuwetgeving.

Voor zover verdachte daarmee bedoelt te stellen dat hij bij het verrichten van de bewezen verklaarde activiteiten niet in strijd met zijn plicht handelde dan wel dat hij niet wist dat hij in strijd met zijn plicht handelde, verwerpt de rechtbank dat verweer. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat verdachte zijn directe chef (in voldoende mate) heeft ingelicht omtrent (de aard en de intensiteit van) zijn nevenwerkzaamheden. Dat blijkt alleen al uit het feit dat verdachte op 19 maart 1999 en 19 mei van datzelfde jaar, toen verdachte, naar aanleiding van berichten dat hij boeren en bedrijven begunstigde, om opening van zaken werd gevraagd over zijn activiteiten, maar mondjesmaat opening van zaken heeft gegeven. Pas uit het nadien gevolgde onderzoek bleek op welke schaal verdachte in privé adviseerde. De rechtbank acht ook niet aannemelijk geworden dat verdachte meende dat hij zijn chef of zodanige wijze heeft ingelicht dat hij op grond van diens reactie mocht aannemen dat hij niet in strijd met zijn plicht handelde door het verrichten van de bewezenverklaarde activiteiten. Verder hebben, zoals uit de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen blijkt, de werkzaamheden van verdachte mede bestaan uit andere dan door hem vermelde activiteiten die - naar verdachte moet hebben geweten - in strijd waren met zijn plicht.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijs-middelen zijn vervat. Voor zover meer feiten ten laste zijn gelegd, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ingevolge de Wet van 18 december 1997 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht (Stb. 738) vindt deze wet voor het eerst toepassing met

betrekking tot aangiften en betalingen die betrekking hebben op tijdvakken of tijdstippen die aanvangen respectievelijk liggen op of na de datum van zijn inwerkingtreding (te weten 1 januari 1998). Voor het onderhavige geval betekent dit dat feit 2 naar “oud recht” dient te worden gekwalificeerd en feit 3 naar “nieuw recht”.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

Als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 363, eerste lid en onder 1, van het Wetboek van strafrecht, meermalen gepleegd.

ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven,

strafbaar gesteld bij artikel 68, lid 2 (oud), in samenhang met lid 1, van de Algemene wet inzake, meermalen gepleegd.

ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,

strafbaar gesteld bij artikel 69, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaar-heid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus straf-baar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de om-stan-dighe-den waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 4 december 2001;

- een voorlichtingsrapportage van de reclassering Nederland, gedateerd 2 december 2002, betreffende verdachte.

Verdachte heeft in de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 als ambtenaar van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, gelden aangenomen van verschillende bedrijven, terwijl hij wist dat deze gelden hem werden gegeven als gevolg of naar aanleiding van hetgeen verdachte in stijd met zijn plicht in zijn bediening heeft gedaan.

Verdachte heeft namelijk adspirant-afnemers, te weten pluimveehouders en bedrijven, bezocht en geadviseerd (verrichten van “duwwerk”), gepromoot en aangebracht (“getipt”), ten gunste van bepaalde ondernemingen. Voorts heeft hij eenmaal voor een bedrijf een aanvraagformulier tegen vergoeding ten behoeve van het verkrijgen van een rijkssubsidie ingevuld en vervolgens zelf ook, maar nu als ambtenaar, een pre-advies geschreven ten gunste van het verkrijgen van die subsidie.

Voorts heeft verdachte gedurende zes jaren een lager bedrag aan belastbaar inkomen aan de belastingdienst opgegeven door zowel de aangenomen steekpenningen c.q. vergoedingen die hij voor zichzelf bedong, zoals hiervoor beschreven, als de verdiensten uit zijn legale nevenactiviteiten niet in de aangiften inkomstenbelasting te vermelden.

Door verdachtes handelen is een financieel nadeel voor de Staat der Nederlanden ontstaan voor een bedrag van ongeveer € 52.646,-.

Gelet op de ernst van de feiten enerzijds, alsmede op het blanco strafblad van verdachte en op zijn persoonlijke omstandigheden (verdachte, thans 52 jaar oud, heeft als gevolg van een en ander zijn baan verloren wat op het psychische en emotionele vlak veel ernstige gevolgen voor hem heeft) anderzijds, is de rechtbank van oordeel dat de na te melden straf passend en geboden is.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Straf-recht en op artikel 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlaste-gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlas-tegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt ver-dach-te daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de straf-bare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, ten-zij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerleg-ging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proef-tijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

en tot:

het verrichten van een werkstraf gedurende tweehonderdveertig (240) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Bepaalt voorts dat de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op honderdtwintig (120) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 10 uren, zijnde 5 dagen hechtenis.

en voorts tot:

betaling van een geldboete ten bedrage van € 26.000 (zesentwintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 130 dagen.

Aldus gewezen door:

mr. J.A.W. Lensing, als voorzitter,

B.P.J.A.M. van der Pol en R.H. Koning, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2002.