Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AF2754

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-12-2002
Datum publicatie
08-01-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: AWB 02/768
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 02/768

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

1. Vereniging Behoud Kernhem/Doesburg,

2. Stichting Natuurbehoud Doesburgerbuurt,

beiden gevestigd te Ede, eiseressen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 14 maart 2002.

2. Procesverloop

Op 4 september 2001 heeft verweerder van Tekton Projectontwikkeling B.V. te Ede en Bemog Projectontwikkeling Kamoen B.V. te Kampen diverse aanvragen ontvangen om bouwvergunning voor het bouwen van woningen, appartementen en bergingen binnen de in het bestemmingsplan "Kernhem" met "vlek A1" en "A2" aangeduide gebieden. Tevens heeft verweerder op deze datum van de bestuurscommissie openbaar onderwijs Ede een aanvraag ontvangen om bouwvergunning voor het bouwen van een openbare basisschool aan het Kleine Houtplein en het Hogewoud te Ede.

Bij besluiten van 20 december 2001 heeft verweerder, onder gelijktijdige verlening van vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), de gevraagde bouwvergunningen verleend.

Tegen de bedoelde besluiten met de nummers BZ-2001-1131 t/m 1137, BZ-2001-1139 t/m 1142 en 2001-B-0109 heeft mr. F.F. Scheffer, werkzaam bij Bureau Rechtshulp te Deventer, namens eiseressen op

31 januari 2002 bezwaar gemaakt.

Het bezwaar is behandeld door de Commissie voor de Bezwaar- en Beroepschriften van verweerders gemeente. Tijdens de hoorzitting hebben eiseressen hun bezwaren tegen de bouwvergunningen met de nummers BZ-2001- 1132, -1133 en -1134 ingetrokken. Voormelde commissie heeft vervolgens op 20 februari 2002 advies aan verweerder uitgebracht.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en de eerdergenoemde besluiten gehandhaafd. Voor de motivering van het besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van voormelde commissie.

Tegen dit besluit heeft mr. Scheffer voornoemd namens eiseressen op 2 april 2002 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Op 5 april 2002 heeft mr. Scheffer namens eiseressen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem verzocht om schorsing van het bestreden besluit.

Bij uitspraak van 24 april 2002 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

Op 2 mei 2002 heeft mr. Scheffer namens eiseressen een verzoek om herziening van deze uitspraak ingediend, dat tevens een aanvulling op het ingediende beroep bevat.

Bij uitspraak van 21 mei 2002 heeft de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek tot herziening.

De vergunninghouders zijn bij brief van 28 mei 2002 in de gelegenheid gesteld als partij ex artikel 8:26 van de Awb aan het geding deel te nemen. Van dit recht hebben zij geen gebruik gemaakt.

Verweerder heeft op 28 juni 2002 een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder nadere stukken in het geding gebracht.

Bij brief van 16 augustus 2002 heeft mr. Scheffer namens eiseressen het beroep gedeeltelijk ingetrokken, te weten voor zover het besluit betrekking heeft op bebouwing die meer dan 90 meter ten zuiden van de Doesburgerdijk is gelegen en welke bebouwing conform de als bijlage bijgevoegde tekening niet geel is ingekleurd.

Van de zijde van eiseressen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 november 2002. Eiseressen zijn aldaar vertegenwoordigd door M. Werkhoven,

H. van Eck en N. van Eck namens de Vereniging Behoud Kernhem/Doesburg en door D.J. Baan namens de Stichting Natuurbehoud Doesburgerbuurt, bijgestaan door mr. Scheffer voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door G.G.H. Rijkse, werkzaam bij verweerders gemeente, bijgestaan door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt, samengevat, ten grondslag dat de vrijstellingsprocedures correct zijn doorlopen en dat er - gelet op de ruimtelijke onderbouwing, de verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten van Gelderland (verder: GS) en de partiële herziening Streekplan Gelderland Kernhem-Ede - een rechtmatige basis is voor de verleende vrijstelling en bouwvergunningen. De bezwaren tegen de milieu-effectrapportage (m.e.r.) acht verweerder in deze procedure niet relevant, nu deze rapportage is gekoppeld aan de partiële herziening van het Streekplan. Het verzoek van eiseressen om schorsing van het besluit tot vaststelling van die herziening is door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) afgewezen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank merkt allereerst op dat, na de gedeeltelijke intrekking van het beroep, het onderhavige beroep uitsluitend nog betrekking heeft op het instandlaten van de bouwvergunningen met de nummers BZ-2001-01-1135 en BZ-2001-01-1140 en -1141 en 2001-B-0109 (bergingen), voor zover deze vergunningen zien op bebouwing die op de als bijlage meegezonden tekening geel zijn ingekleurd. Weliswaar zijn op deze tekening ook woningen geel gekleurd die deel uitmaken van de bouwvergunningen met de nummers BZ-2001-01-1138 en -1143, doch de rechtbank stelt vast dat het beroep geen betrekking op deze vergunningen kan hebben, aangezien de vergunning met nummer BZ-2001-01-1138 (nog) niet is verleend en de vergunning met nummer BZ-2001-01-1143 geen deel uitmaakt van het bestreden besluit nu deze in bezwaar niet is aangevochten.

Voorts stelt de rechtbank op grond van het verhandelde ter zitting vast dat het geschil tussen partijen zich toespitst op de breedte van de zogenaamde ecologische zone. De stellingen ten aanzien van de m.e.r.-rapportage zijn door eiseressen niet gehandhaafd. Eiseressen hebben zich op het standpunt gesteld dat voornoemde breedte, gelet op het bestemmingsplan Kernhem alsmede op de daaraan ter voorbereiding vervaardigde stukken, 90 meter dient te zijn. Verweerder heeft volstaan met een ecologische zone van minimaal 50 meter breed.

Ingevolge artikel 44 van de WoW, voor zover hier relevant en zakelijk weergegeven, mag een bouwvergunning alleen en moet een bouwvergunning worden geweigerd, indien:

a. het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit;

b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening;

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;

d. het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

e. (…)

Niet in geschil is dat de in geding zijnde bouwplannen niet in overeenstemming zijn met het vigerende bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied".

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier relevant, kan de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad, bij besluit van 12 juli 2001, de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor het (nader aangeduide) gebied Kernhem Vlek A1 en A2, aan verweerder heeft gedelegeerd. Voorts stelt de rechtbank vast dat aan de vrijstellingen een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt, zijnde de voorbereidingsnotitie Kernhem van

23 oktober 2001. In hoofdstuk 7 van deze notitie wordt ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan en het beleid met betrekking tot de toekomstige bestemming. Ten slotte is door GS op

6 november 2001 een verklaring van geen bezwaar verleend. Er is derhalve voldaan aan de vereisten tot het verlenen van vrijstelling.

In het kader van de vraag of genoemde stukken voldoende zijn om hierop de vrijstelling ook inhoudelijk te baseren, hebben eiseressen in een aanvulling op het beroep aangevoerd dat de breedte van de ecologische zone onvoldoende is gemotiveerd, nu slechts is verwezen naar een onderdeel van de partiële herziening van het streekplan dat, ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2002, niet als concrete beleidsbeslissing is aan te merken.

De rechtbank kan eiseressen hierin niet volgen. In de voornoemde voorbereidingsnotitie Kernhem van 23 oktober 2001 is in paragraaf 5.3.1 ingegaan op de ecologische zone. De breedte van deze zone wordt hierbij op 50 tot 90 meter gesteld, waarbij deze aan de zuidzijde van de Doesburgerdijk een minimale breedte van 50 meter moet hebben.

De verklaring van geen bezwaar van GS steunt onder meer op de overweging dat het project in overeenstemming is met de bedoelde partiële herziening van het streekplan. Eiseressen hebben betoogd dat de vergunningen, en de verklaring van geen bezwaar, niet in overeenstemming zijn met de partiële herziening, nu deze herziening een ecologische zone van minimaal 50 meter, ten zuiden van de Doesburgerdijk, voorschrijft.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de tekst van partiële herziening is onder meer opgenomen:

"Om de overgang naar het waardevolle gebied ten noorden van de Doesburgerdijk op ecologisch verantwoorde wijze gestalte te kunnen geven, zal in het noordelijk gedeelte van het woongebied Kernhem een ecologische zone van voldoende breedte (ten minste 50 m) moeten worden ingepast."

In de voorbereidingsnotitie Kernhem, die blijkens hoofdstuk 1 tevens is bedoeld als eerste aanzet om te komen tot een nieuw bestemmingsplan voor het betreffende gebied, is met betrekking tot ecologische zones in paragraaf 4.1 ("Uitgangspunten voor de planvorming: Structuurvisie Doesburg") opgenomen:

"De ecologische zone langs de Doesburgerdijk heeft een breedte van 50-90 meter. Een gedeelte (maximaal 10 meter) van de ecologische zone uitgegeven als tuin. Er mogen geen woningen in die strook worden gebouwd."

Voorts is in paragraaf 5.3.1 ("Ecologische zones") opgenomen:

"De dijk zal ingepast worden in een te ontwikkelen zone van 50 tot 90 meter breedte. […] De zone moet aan de zuidzijde een minimale breedte van 50 meter hebben, waardoor de relatie tussen de wijk en de ecologische zone goed kan worden vormgegeven. Daarbij geldt als ecologische eis dat, om een goede aansluiting te behouden met het landgoed Kernhem, aan de zuidzijde van de Doesburgerdijk een strook van minimaal 300 m1 lang moet worden aangelegd."

De thans in geding zijnde bouwvergunningen onder vrijstelling hebben geen betrekking op de inrichting van de ecologische zone zelf. Beoordeeld dient slechts te worden of de eisen die aan de realisering van de ecologische zone worden gesteld in de weg staan aan de onderhavige bouwvergunningen.

De rechtbank stelt vast dat van de vooraf ter inzage gelegde stukken een kaart met gebiedsaanduiding ecologische zone (tekeningnummer 720210-1) deel heeft uitgemaakt. Voorts stelt de rechtbank vast dat op het matenplan (tekeningnummer 720210-5) de aangegeven breedte van de ecologische zone nergens minder dan 50 m bedraagt. Anders dan eiseressen veronderstellen blijkt uit de gedingstukken niet dat bij de vaststelling van de breedte van de ecologische zone is gemeten vanaf de as van de Doesburgerdijk. De rechtbank constateert naar aanleiding van de gedingstukken, in het bijzonder de zogenaamde doorsneden, dat gemeten is vanaf de rand van de wegverharding van de Doesburgerdijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen aanwijzing is dat de realisering van de ecologische zone met een breedte zoals aangegeven in de partiële herziening van het streekplan en de voorbereidingsnotitie worden gesteld in de weg staat aan de onderhavige bouwvergunningen.

Hetgeen eiseressen hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun standpunt dat de breedte van de ecologische zone 90 meter dient te zijn, is naar het oordeel van de rechtbank gebaseerd op stukken die zijn opgesteld met het oog op het oude bestemmingsplan dat ook voorzag in vlekken C en D. Van deze vlekken is evenwel inmiddels geen sprake meer. Uit die stukken blijkt dat tussen de vlekken C en A een ecologische zone van 90 meter zou worden ontwikkeld waarbinnen de Doesburgerdijk zou worden ingepast. Ten zuiden van de Doesburgerdijk zou de breedte van de ecologische zone minimaal 50 meter breed zijn. Ter zitting heeft verweerder bovendien door middel van een kaart waarop de situatie onder het oude bestemmingsplan is geprojecteerd op de huidige toestand, aangetoond dat aan de breedte van de ecologische zone ten zuiden van de Doesburgerdijk op zichzelf niet is getornd. Voor het standpunt van eiseressen dat de ecologische zone 90 meter breed dient te zijn ten zuiden van de Doesburgerdijk heeft de rechtbank geen aanknopingspunten aangetroffen in de gedingstukken en evenmin in hetgeen namens eiseressen ter zitting naar voren is gebracht.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande niet gebleken dat verweerder niet in redelijkheid de benodigde vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO, heeft kunnen verlenen.

Ten slotte is de rechtbank niet gebleken dat de bouwvergunningen op grond van enig ander toetsingscriterium van artikel 44 van de WoW geweigerd had dienen te worden.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. drs. M.E. Snijders als voorzitter,

mr. F.H. de Vries en mr. drs. L.B.M. Klein Tank als rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen als griffier. In het openbaar uitgesproken op 23 december 2002, door de voorzitter voornoemd in tegenwoordigheid van de griffier voornoemd.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

's-Gravenhage.

Verzonden op:

Coll: