Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AF2672

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
28-04-2003
Zaaknummer
01/1519 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 01/1519 WAO

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A,

wonende te B, eiseres,

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), rechtsopvolger van het Landelijk instituut Sociale verzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 12 juli 2001, uitgereikt door Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. te Zeist.

2. Procesverloop

Eiseres, die laatstelijk een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving voor 15 uur per week, heeft zich op 24 september 1998 ziek gemeld. Nadat zij gedurende een periode van 52 weken arbeidsongeschikt is geweest is bij besluit van 6 januari 2000 aan eiseres met ingang van 23 september 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij dat besluit is het dagloon vastgesteld op f.171,67.

Bij besluit van 8 mei 2000 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat gebleken is dat het dagloon te hoog is vastgesteld en dat besloten is het dagloon vanaf 23 september 1999 te verlagen naar f 62,19.

Namens eiseres is tegen dit besluit bij brief van 19 mei 2000, aangevuld bij brief van 19 september 2000, bezwaar gemaakt.

Bij brief van 15 februari 2001 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiseres een toelichting gegeven op de berekening van het dagloon.

Ter hoorzitting van 21 november 2001 zijnde bezwaren van eiseres nader toegelicht.

Bij het in rubriek 1 genoemde besluit zijn de bezwaren van eiseres met betrekking tot hoogte van het dagloon ongegrond verklaard. Het bezwaar aangaande de ingangsdatum van de verlaging is gegrond verklaard en de verlaging is alsnog geëffectueerd per 8 mei 2000.

Namens eiseres is tegen dit besluit bij brief van 20 augustus 2001 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 2 oktober 2001 een verweerschrift ingediend, aangevuld bij schrijven van 15 november 2001. Hierbij is overgelegd een reactie van de verzekeringsarts d.d. 14 november 2001.

Bij schrijven van 2 mei 2002 heeft de gemachtigde van eiseres gereageerd op het aanvullend verweerschrift.

Op 19 juli 2002 heeft verweerder nog een reactie aan de rechtbank doen toekomen met een nader commentaar van de verzekeringsarts.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22 november 2002, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C.J. Fens, werkzaam bij FNV Ledenservice te Deventer. Verweerder heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Bij Koninklijk Besluit van 13 december 2001 (Stb. 2001, 682) is met ingang van 1 januari 2002 de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: de Invoeringswet) en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. De Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 is op grond van artikel 2 van de Invoeringswet, voor zover hier van belang, per die datum ingetrokken. In artikel 9, tweede lid, van de Invoeringswet is bepaald dat een besluit dat door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) of namens dit instituut door een uitvoeringsinstelling is genomen, geldt als een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Invoeringswet, voor zover hier van belang, treedt het UWV in bestuursrechtelijke gedingen waarin het Lisv partij is in zijn plaats.

Aan eiseres is met ingang van 4 december 1995 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Deze uitkering werd ingaande 15 maart 1996 ingetrokken omdat eiseres voor minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Met ingang van die datum herleefde voor eiseres een oud recht op grond van de WW (voor 20 uur per week) en ontstond een nieuw WW-recht voor 15 uur per week. Met ingang van 27 februari 1998 is het recht op WW-uitkering voor 20 uur geëindigd wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur. Nadat de op 24 september 1998 ingetreden arbeidsongeschiktheid van eiseres 52 weken had voortgeduurd, heeft verweerder de in rubriek 2 genoemde besluiten genomen.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid op 24 september 1998 slechts op basis van 15 uur per week een WW-uitkering genoot en derhalve slechts geacht kon worden in die omvang arbeid te hebben verricht.

Namens eiseres is aangevoerd dat het dagloon, zoals dit aanvankelijk per 23 september 1999 is vastgesteld, gelet op de artikelen 43c jo. 43a van de WAO volledig correct was. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat, zelfs indien het herziene standpunt van verweerder betreffende de hoogte van het dagloon inhoudelijk correct zou zijn, verweerder niet de bevoegdheid had terug te komen op het eerdere in rechte vaststaand besluit.

In dit geding moet de rechtbank beoordelen of het bestreden besluit, voorzover daarbij de bezwaren tegen de verlaging van het dagloon ingaande 8 mei 2000 ongegrond zijn verklaard, rechtens in stand kan blijven.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de artikelen 43a en 43c, zoals deze artikelen luidden ten tijde voor dit geding van belang, is - samengevat - bepaald dat degene, die binnen 5 jaar nadat een eerdere arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken omdat die arbeidsongeschiktheid is gedaald naar minder dan 15% op grond van dezelfde oorzaak opnieuw arbeidsongeschikt wordt, na een wachttijd van 4 weken recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering gebaseerd op tenminste het oorspronkelijke dagloon.

Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 43a WAO (TK, 24221, nr. 3 pag. 15/16 en pag. 24) komt naar voren dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd dat ook degenen die door langdurige werkloosheid niet meer verzekerd zijn voor de WAO aanspraak hebben op toekenning van een uitkering op grond van die wet, mits de hernieuwde arbeidsongeschiktheid binnen 5 jaar intreedt en voortkomt uit dezelfde oorzaak als waaruit de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid is ontstaan.

Uit de stukken blijkt dat eiseres weliswaar binnen 5 jaar na de intrekking van haar uitkering per 15 maart 1996 opnieuw arbeidsongeschikt is geworden, maar dat verweerder bij zijn besluit van 6 januari 2000 (impliciet) geen toepassing heeft gegeven aan voornoemde artikelen, omdat verweerder kennelijk van oordeel was dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres niet is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als waarvoor zij eerder arbeidsongeschikt was (rugklachten). Omdat bij dit besluit niettemin het oorspronkelijke dagloon van f.171,67 in aanmerking is genomen, bestond er voor eiseres te dien tijde geen aanleiding tegen dit besluit bezwaar te maken.

Hoewel moet worden vastgesteld dat laatstgenoemd besluit rechtens onaantastbaar is geworden, kan onder deze omstandigheden aan eiseres niet het recht worden ontzegd in haar bezwaar tegen het primaire besluit van 8 mei 2000 alsnog aan te voeren dat haar arbeidsongeschiktheid is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als waarvoor zij eerder uitkering heeft ontvangen. Uit het aanvullende bezwaarschrift van 19 september 2000 van de toenmalige gemachtigde van eisers blijkt dat eiseres zulks, naast het aanvoeren van andere gronden, ook heeft gedaan.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan dit aspect evenwel geen aandacht besteed, zodat moet worden geconcludeerd dat dit besluit geen heroverweging bevat op grondslag van het bezwaarschrift en mitsdien in strijd is met artikel 7:11 van de Awb.

In zijn brieven van 15 november 2001 en 19 juli 2002 met de daarbij horende bijlagen is verweerder naar aanleiding van het beroepschrift en de reactie van eiseres van 2 mei 2002 alsnog op deze kwestie ingegaan en heeft zich - met verwijzing naar het oordeel van de verzekeringsarts R.H.J. God - samengevat op het standpunt gesteld dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres een psychische achtergrond heeft en niet is voortgekomen uit rugklachten.

De rechtbank is van oordeel dat in de gedingstukken voor verweerders standpunt onvoldoende steun kan worden gevonden. Uit die stukken blijkt allereerst dat eiseres zich op 24 september 1998 wegens rugklachten heeft ziek gemeld. Voorts moet worden geconstateerd dat tijdens een spreekuuronderzoek op 4 november 1998 naast een reactieve depressie een objectiveerbare toename van de rugklachten is vastgesteld. Dat zulks op een misslag berustte, zoals de verzekeringsarts God in diens commentaar bij verweerders brief van 19 juli 2002 heeft aangegeven, acht de rechtbank niet aannemelijk, nu door diezelfde arts - kennelijk op 26 november 1998 - een belastbaarheidspatroon is opgesteld waaruit naar voren komt dat eiseres op vrijwel alle fysieke aspecten verdergaand beperkt is geacht dan in het belastbaarheidspatroon van 23 november 1995. Ten slotte blijkt uit een - naar aanleiding van een op 20 april 1999 verricht heronderzoek - aan eiseres gericht schrijven van 3 mei 1999 van laatstgenoemde verzekeringsarts dat eiseres zowel ten aanzien van haar rug als haar psyche beperkingen ondervindt, als gevolg waarvan zij volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

Voor zover uit het vorenstaande niet reeds onmiddellijk kan worden afgeleid dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres in elk geval mede is voortgekomen uit (een toename van) rugklachten, is de rechtbank, met verwijzing naar vaste jurisprudentie ter zake, van oordeel dat eventuele twijfel op dit punt niet ten nadele van eiseres mag worden uitgelegd. In dit verband dient nog te worden opgemerkt dat uit de wetsgeschiedenis tevens volgt dat het intreden van arbeidsongeschiktheid op grond van dezelfde oorzaak op een later tijdstip dan de datum van ziekmelding, niet in de weg staat aan toepassing van artikel 43a WAO te rekenen vanaf bedoeld tijdstip, mits gelegen binnen eerdergenoemde periode van 5 jaar.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit, nu daarbij impliciet is uitgegaan van de niet-toepasselijkheid van de artikelen 43a en artikel 43c van de WAO, op een ondeugdelijke grondslag berust. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift dienen te nemen.

Hetgeen door en namens eiseres ten subsidiaire is aangevoerd behoeft gezien het vorenstaande geen nadere bespreking.

De rechtbank acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,- ter zake van rechtsbijstand. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Eiseres heeft tevens verzocht om vergoeding van de schade op grond van artikel 8:73 van de Awb. Dit verzoek komt thans nog niet voor toewijzing in aanmerking, aangezien verweerder nog nader op het bezwaar van eiseres dient te beslissen. De rechtbank gaat er overigens vanuit dat verweerder, indien hij alsnog besluit toepassing te geven aan de artikelen 43a en 43c van de WAO, aan eiseres de wettelijke rente zal vergoeden overeenkomstig vaste jurisprudentie ter zake.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uwv;

bepaalt dat het Uwv het door eiseres gestorte griffierecht van € 27,23 aan haar dient te vergoeden;

wijst het verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 Awb af.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2002 in tegenwoordigheid van mr. E.M. Vermeulen als griffier.

De griffier, De rechter,

Verzonden op: 24 december 2002

Coll: