Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AF2597

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
02-01-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: 00/1872 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 00/1872 WAO

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

……… wonende te …., eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 4 september 2000, uitgereikt door de voormalige uitvoeringsinstelling GAK, kantoor Arnhem.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 1999 heeft verweerder bepaald dat de uitkering die eiseres krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ingaande 1 januari 1999 voorlopig wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Voorts is daarbij meegedeeld dat aan de arbeidsdeskundige advies is gevraagd inzake de definitieve mate van arbeidsongeschiktheid.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 22 januari 1999 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 juli 1999 heeft verweerder onder meer het volgende aan eiseres meegedeeld:

“U ontvangt een uitkering die gebaseerd is op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met toepassing van het kortingsartikel 44 WAO naar de klasse 25-35%. Hierbij hoort een uitkeringspercentage van 21%.

Uw uitkering bedraagt f 24,26 bruto per uitkeringsdag.

Door ons is beoordeeld of uw uitkering dient te worden gewijzigd.

Gelet op de resultaten van het door ons ingestelde onderzoek op 23 maart 1999, zijn wij van mening dat uw arbeidsongeschiktheid ongewijzigd dient te worden vastgesteld op 80 tot 100% en dat er geen redenen zijn uw uitkering te wijzigen.

Dit betekent dat de hoogte en uitbetaling van uw uitkering thans niet verandert.”

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 5 september 1999 bezwaar gemaakt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 8 januari 1999 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 26 juli 1999 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 11 oktober 2000 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 8 november 2000 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 30 oktober 2002. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. U. Biesebroek. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol, werkzaam bij UWV GAK, kantoor Arnhem.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres zich niet richt tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 8 januari 1999 niet-ontvankelijk is verklaard.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd meegedeeld dat het besluit van 8 januari 1999 een besluit is tot gedeeltelijke schorsing van de betaling van de uitkering van eiseres, dat het besluit van 26 juli 1999 een korting op de uitkering van eiseres op grond van artikel 44 WAO betreft en dat er van uitgegaan kan worden dat dit besluit betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 1999.

Uit het bezwaarschrift blijkt dat eiseres het besluit van 26 juli 1999 eveneens heeft opgevat als een kortingsbesluit gebaseerd op artikel 44 WAO. Ter zitting is namens eiseres meegedeeld dat eiseres er van uit is gegaan dat dit besluit betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 1999.

Gelet op het voorgaande en op de omstandigheid dat het besluit van 26 juli 1999, in aanmerking genomen de opbouw van het dossier dat verweerder aan de rechtbank heeft overgelegd, kennelijk bedoeld is als vervolg op het besluit van 9 januari 1999, is de rechtbank van oordeel dat partijen gevolgd kunnen worden in hun opvatting dat het besluit van 26 juli 1999 (onder meer) inhoudt dat op grond van artikel 44 WAO de uitkering van eiseres met ingang van 1 januari 1999 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Aan eiseres is door verweerder ingaande 8 september 1990 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en gebaseerd op de werkzaamheden die eiseres voorheen verrichtte als serveerster/gastvrouw in ………. Eiseres heeft daarna werkzaamheden verricht als bar-medewerkster in een sportcomplex, waarvan de inkomsten werden gekort op haar uitkering. Voorts heeft eiseres na de toekenning van de uitkering opleidingen/cursussen gevolgd, waaronder een HBO-opleiding docent koken en serveren.

Op 1 december 1997 startte eiseres met werkzaamheden als chef kelner bij de…….., voor 18 uur per week. Het full-time salaris voor deze baan is ruimschoots hoger dan het full-time salaris in de baan die eiseres had voordat zij arbeidsongeschikt werd, te weten de baan als serveerster/gastvrouw in …….. Eiseres stelt zich in bezwaar en in beroep op het standpunt dat bij de toepassing van artikel 44 WAO als haar maatman moet worden aangemerkt de full-time chef kelner bij………….

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de huidige functie van eiseres naar aard en inhoud niet wezenlijk verschilt van de door eiseres in de loop der jaren vervulde functies in de sfeer van de bediening in de horeca, dat de hoogte van het salaris in de huidige functie met name bepaald is door de inmiddels gedurende vele jaren opgedane kennis van en ervaring in de horeca-bediening en dat onder deze omstandigheden geen sprake kan zijn van een maatmanwisseling zoals door eiseres bepleit.

De rechtbank overweegt het volgende.

In artikel 18, lid 1 van de WAO is bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid dient te worden afgemeten aan hetgeen gezonde personen met soorgelijke opleiding en ervaring verdienen. Doorgaans zal als de in artikel 18, lid 1 van de WAO bedoelde persoon beschouwd kunnen worden degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde voor het ontstaan van zijn/haar arbeidsongeschiktheid. Zulks dient echter uitzondering te lijden, indien de laatstelijk verrichte arbeid, casu quo het daarmee verdiende inkomen geen juiste maatstaf (meer) oplevert bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde.

De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiseres sprake is van een dergelijke uitzondering. Eiseres heeft (gedeeltelijk) hervat in werkzaamheden die in het verlengde liggen van de werkzaamheden die zij verrichtte voor het intreden van haar arbeidsongeschiktheid. Met deze werkzaamheden verdient zij een inkomen dat (per tijdseenheid) ruimschoots hoger is dan het inkomen dat zij verdiende met de werkzaamheden die zij voor het intreden van haar arbeidsongeschiktheid verrichtte. Het is alleszins aannemelijk dat eiseres, indien zij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, eveneens de overstap naar haar huidige functie of een andere daaraan gelijkwaardige functie zou hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat zulks leidt tot een wisseling van de maatman en dat de verdiensten van de nieuwe maatman als maatstaf dienen te worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 44 WAO. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 juli 1993, RSV 1993/317 en 27 februari 2001, RSV 2001/91.

Een voorwaarde voor deze maatmanwisseling is dat de huidige werkzaamheden van eiseres zijn aan te merken als arbeid als bedoeld in artikel 18, lid 5 van de WAO. De rechtbank acht van belang dat van de zijde van verweerder niet is gesteld en dat ook overigens niet is gebleken dat de huidige werkzaamheden van eiseres niet als zodanig zouden zijn aan te merken. Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder meegedeeld dat hij er van uit gaat dat het huidige werk van eiseres passende arbeid in de zin van artikel 18 WAO is, ook al is er nog niet op geschat.

Er van uitgaande dat de huidige werkzaamheden van eiseres als passende arbeid zijn aan te merken, had verweerder op die werkzaamheden moeten schatten in plaats van artikel 44 van de WAO toe te passen. Verweerder heeft dit niet gedaan. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om het bestreden besluit om deze reden te vernietigen, nu artikel 44 van de WAO niet van openbare orde is en de keuze van verweerder in het voordeel van eiseres is. Vernietiging van het bestreden besluit op de grond dat verweerder op de huidige werkzaamheden van eiseres had moeten schatten, zou betekenen dat eiseres door het instellen van beroep in een slechtere positie terecht zou komen. Dit zou in strijd zijn met het uit artikel 8:69, lid 1 van de Awb voortvloeiende verbod van reformatio in peius.

Door de gemachtigde van verweerder is ter zitting het standpunt ingenomen dat de jurisprudentie van de CRvB over maatmanwisseling slechts betrekking heeft op doorgroei in de eigen functie, dat wil zeggen de functie die werd verricht voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank kan de gemachtigde hierin niet volgen. Weliswaar is in de twee genoemde uitspraken van de CRvB sprake van een ontwikkeling in, respectievelijk verandering van de functie die reeds werd verricht voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid, maar uit de uitspraken blijkt niet dat zulks door de CRvB als een voorwaarde voor een maatmanwisseling moet worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat de situatie in de genoemde uitspraken, te weten het voortzetten van de eigen passende arbeid bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, zeer wel vergelijkbaar is met de situatie van eiseres, te weten het gedeeltelijk hervatten in passende arbeid bij volledige arbeidsongeschiktheid. Gelet op de argumenten waarop de maatmanwisseling in genoemde uitspraken is gebaseerd, ziet de rechtbank niet in waarom in het geval van eiseres tot een andere conclusie gekomen zou moeten worden.

Voorts wijst de rechtbank op de jurisprudentie betreffende de invloed van toekomstverwachtingen op de vaststelling van de maatman en het maatmanloon. Blijkens die jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 mei 1999, USZ 1999/205) wordt met toekomstige ontwikkelingen in het loon van de maatman rekening gehouden, voor zover deze met een redelijke mate van zekerheid te verwachten waren. Die toekomstige ontwikkelingen kunnen niet alleen bestaan uit een verwachte doorgroei in de functie die voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid werd vervuld, maar evenzeer – en waarschijnlijk: vaker – uit de verwachting dat de betrokkene bij een andere werkgever een andere functie, met een hoger loon, verkregen zou hebben indien hij niet arbeidsongeschikt was geworden.

Gelet op deze jurisprudentie ten aanzien van te verwachten ontwikkelingen in de arbeid van de verzekerde, valt niet in te zien waarom bij de vaststelling van de maatman en het maatmanloon geen rekening gehouden zou moeten worden met een daadwerkelijk plaatsgevonden hebbende ontwikkeling, te weten de overgang naar een andere functie (dan de functie die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid werd vervuld) met een hoger loon.

De gemachtigde van verweerder heeft ter onderbouwing van het standpunt van verweerder dat van een maatmanwisseling geen sprake is, ter zitting gewezen op het toepasselijke schattingsbesluit. Kennelijk heeft de gemachtigde daarbij het oog gehad op artikel 6, lid 1 en artikel 7 van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong, welke artikelen zakelijk inhouden dat bij een herziening van de uitkering het maatmanloon niet wordt geactualiseerd, maar geïndexeerd. De rechtbank is van oordeel dat bedoelde artikelen betrekking hebben op aanpassing van het maatmanloon bij een ongewijzigde maatman en niet van toepassing zijn op de vaststelling van het maatmanloon bij een maatmanwisseling.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij de bezwaren van eiseres tegen de toepassing van artikel 44 WAO met ingang van 1 januari 1999 ongegrond zijn verklaard.

Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 26 juli 1999 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank merkt voorts nog het volgende op.

In bezwaar is door verweerder ruim aandacht besteed aan de vraag of bij eiseres sprake is van nieuwe bekwaamheden als bedoeld in artikel 21, lid 3 WAO. De rechtbank is echter van oordeel dat zulks niet relevant is, nu eiseres zich niet op het standpunt heeft gesteld dat vanwege nieuwe bekwaamheden een maatmanwisseling is opgetreden, maar daarentegen het standpunt heeft ingenomen dat de omstandigheid dat zij een nieuwe functie bij ……. heeft verworven tot een maatmanwisseling heeft geleid. Dat eiseres er daarbij op heeft gewezen dat de door haar behaalde diploma’s bij het verkrijgen van die functie een rol hebben gespeeld maakt zulks niet anders.

Eiseres heeft zich ter zitting laten bijstaan door mr. U. Biesebroek. Niet gebleken is dat laatstgenoemde beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. Het formulier proceskosten dat eiseres bij de uitnodiging voor de zitting is toegestuurd, en waaruit zulks had kunnen blijken, is door eiseres niet overgelegd aan de rechtbank. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van aan eiseres verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zal ingevolge artikel 8:74 van de Awb het door eiseres betaalde griffierecht (f 60,-- = € 27,23) moeten vergoeden.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de bezwaren tegen het besluit van 26 juli 1999, inhoudende de toepassing van artikel 44 WAO met ingang van 1 januari 1999, ongegrond zijn verklaard;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 26 juli 1999, met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht (f 60,-- = € 27,23) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, en in het openbaar uitgesproken op

, in tegenwoordigheid van J.B.M. Wassink als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: