Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AF2013

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-12-2002
Datum publicatie
28-04-2003
Zaaknummer
ABW 01/1454 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: ABW 01/1454 NABW

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser 1 en 1-2],

wonende te [woonplaats], eisers,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel te Kerkdriel, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 juni 2001, verzonden op 2 juli 2001.

2. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 1997 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 28 mei 1997, waarbij het recht op uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 april 1997 was beëindigd, omdat eisers konden beschikken over een vermogen dat hoger was dan het vrij te laten bescheiden gezinsvermogen, ongegrond verklaard.

Het tegen dit besluit ingediende beroep is bij uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 november 1998 gedeeltelijk gegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak door eiser ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 januari 2001 gegrond verklaard en het bestreden besluit is, voor zover aangevochten, vernietigd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder ter uitvoering van de uitspraak van de CRvB een nieuw besluit op bezwaar genomen. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Voor de motivering van het besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van de bezwaar- en beroepschriftencommissie van 11 juni 2001.

Tegen dit besluit heeft mr. J.J.M. Cliteur, advocaat te ’s-Hertogenbosch, namens eisers op 9 augustus 2001 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 27 augustus 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 15 november 2002. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.J.M. Cliteur. Verweerder is zonder bericht van verhindering niet verschenen.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Blijkens de stukken is de uitkering van eisers destijds beëindigd, omdat zij door een erfenis van eisers vader en aanwezige spaargelden beschikten over een vermogen van ¦ 32.796,81.

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, waarin was overwogen dat de tijdens de periode dat bijstand werd ontvangen opgebouwde spaargelden ten onrechte in de berekening van het gezamenlijk vermogen waren opgenomen, heeft verweerder bij besluit van 11 december 1998 het gezinsvermogen nader vastgesteld op ¦ 25.106,38, maar de beëindiging per 1 april 1997 gehandhaafd.

Blijkens de rapportage in verband met de beslissing van de CRvB van 28 mei 2001 heeft verweerder de vermindering van het vermogen met de spaargelden gehandhaafd, hoewel de CRvB had overwogen dat de rechtbank over dit punt geen oordeel had mogen geven, aangezien het bezwaar tegen het meetellen van de spaargelden niet langer was gehandhaafd.

Uit de rapportage blijkt verder dat alsnog rekening is gehouden met begrafeniskosten en kosten van woninginrichting, waarna het gezinsvermogen per 1 april 1997 is vastgesteld op ¦ 19.563,85.

Geen rekening is gehouden met een fraudeschuld wegens ten onrechte ontvangen bijstand over de periode 1 mei 1994 tot 1 februari 1997, noch met een terugvordering van huursubsidie. Aangezien de vermogensvrijstelling per 1 mei 1997 ¦ 19.000,- bedroeg, was er nog steeds een overschrijding.

Eisers zijn niet verschenen bij de hoorzitting van 11 juni 2001, maar namens hen is per fax van 11 juni 2001 wel schriftelijk gereageerd op de uitgebrachte rapportage. Daarin is aangegeven dat bij de vermogensvaststelling ten onrechte geen rekening is gehouden met de fraudeschuld. Voor het overige konden eisers met de rapportage instemmen.

In het bestreden besluit heeft verweerder allereerst vastgesteld dat de bezwaren die betrekking hebben op de spaargelden, de begrafeniskosten, de kosten van woninginrichting en de schuld in verband met huursubsidie blijkens het faxbericht van 11 juni 2001 zijn ingetrokken, zodat als enige nog te behandelen bezwaar resteert de vraag of bij de vaststelling van het gezinsvermogen per 1 april 1997 terecht geen rekening is gehouden met de fraudeschuld.

Gelet op artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw, dient deze schuld naar de mening van verweerder buiten beschouwing te blijven, omdat het bestaan daarvan op 1 april 1997 nog niet voldoende aannemelijk was. Zou de terugvordering op 1 april 1997 wel aannemelijk zijn geweest, dan was deze schuld op dat moment nog niet opeisbaar.

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder de vermogensvaststelling op een onjuiste grondslag heeft berekend.

Pas ter zitting is namens hen voorts nog aangevoerd dat verweerder bij de berekening van de kosten voor woninginrichting ten onrechte de tweede hands fiets voor hun dochter en de kosten van tuinbenodigdheden (een sierhek) buiten beschouwing heeft gelaten.

Ten aanzien van de vraag of verweerder bij de vaststelling van het gezinsvermogen per 1 april 1997 terecht geen rekening heeft gehouden met de fraudeschuld overweegt de rechtbank als volgt.

Voor het in aanmerking nemen van schulden dient, naar vaste rechtspraak van de CRvB, te zijn voldaan aan twee eisen:

- het feitelijk bestaan van de betrokken schuld is in voldoende mate aannemelijk gemaakt; en

- een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling dient aan de schuld te zijn verbonden.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is de over de periode 1 mei 1994 tot 1 februari 1997 door eisers wegens verzwegen inkomsten ten onrechte ontvangen bijstand bij besluit van 29 april 1997 teruggevorderd. Bij beslissing van 26 april 2000 heeft de kantonrechter de hoogte van het terug te betalen bedrag vastgesteld op ¦ 47.734,15.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat op 1 april 1997 het bestaan van de fraudeschuld nog niet voldoende aannemelijk was en dat eerst vanaf de datum van de beslissing van de kantonrechter sprake was van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting.

Derhalve heeft verweerder de fraudeschuld terecht niet betrokken in de berekening van het vermogen per 1 april 1997.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat naar hun mening, bij nader inzien, de kosten van de fiets en het sierhek toch op het gezinsvermogen in mindering hadden moeten worden gebracht, overweegt de rechtbank voorts het volgende.

Zoals hiervoor al is overwogen staat aan de rechtbank ter beoordeling het besluit van 26 juni 2001, waarbij het vermogen per 1 april 1997 is vastgesteld op ¦ 19.563,85. Naar aanleiding van het faxbericht van 11 juni 2001 heeft verweerder het geschil afgebakend en beperkt tot de vraag omtrent de fraudeschuld. Gelet op de uitdrukkelijke en ongeclausuleerde verklaring in het faxbericht, dat eisers met de punten 1 en 2 van de rapportage kunnen instemmen en daarover geen opmerkingen hebben, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit terecht tot deze vraag beperkt.

Dit betekent dat de vraag of de kosten van de fiets en het sierhek, opgenomen onder punt 2 van de rapportage, geen onderdeel vormen van het thans bestreden besluit, zodat het beroep, voor zover dat is gericht tegen het feit dat deze kosten niet in mindering zijn gebracht op het gezinsvermogen, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Volledigheidshalve overweegt de rechtbank voorts nog als volgt.

Aangezien ingevolge artikel 27 van de Abw bijstand in beginsel per kalendermaand wordt verleend, het gezinsvermogen uiteindelijk is vastgesteld op ¦ 19.563,85 en de vermogensgrens destijds ¦ 19.000,- bedroeg, kan de vraag worden gesteld of er achteraf gezien wel voldoende grond was om de bijstand per 1 april 1997 te beëindigen.

Nu eisers, blijkens het proces-verbaal van de behandeling door de bezwaar- en beroepschriftencommissie van 11 juni 2001, na de stopzetting van de uitkering nooit meer een beroep op bijstand hebben gedaan, zich ook niet op artikel 27 van de Abw hebben beroepen en ter zitting hebben aangegeven dat zij na 1 april 1997 middels inkomsten uit arbeid in hun bestaanskosten hebben voorzien, ziet de rechtbank geen aanleiding om het bestreden besluit om deze reden te vernietigen.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet in mindering brengen op het gezinsvermogen van de kosten van de fiets en het sierhek, niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.N.A. Bootsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2002, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Koster als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 2 december 2002