Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE9464

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-09-2002
Datum publicatie
29-10-2002
Zaaknummer
86766 / ha za 02-698
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak/rolnummer: 86766 / HA ZA 02-698

Datum uitspraak: 26 september 2002

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te Z,

appellant,

procureur mr. R.L.A. Dobbinga,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ING VASTGOED ASSET MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te 's Gravenhage,

geïntimeerde,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek.

Bij de stukken bevinden zich afschriften van de door de kantonrechter te Arnhem op 22 oktober 2001 en 25 februari 2002 onder rolnummer 2132/2001 tussen ING Vastgoed als eiseres en X als gedaagde gewezen vonnissen.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de rechtbank naar hetgeen daaromtrent is overwogen in de hiervoor genoemde vonnissen van de kantonrechter, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. X is tegen het eindvonnis bij exploit van 24 april 2002 in hoger beroep gekomen bij deze rechtbank. Hij heeft vervolgens een memorie van grieven genomen. Hij vordert dat het vonnis van de kantonrechter van 25 februari 2002 zal worden vernietigd en dat de vordering van ING Vastgoed alsnog aan haar zal worden ontzegd, met veroordeling van ING Vastgoed in de kosten van beide instanties. ING Vastgoed heeft een memorie van antwoord genomen, waarin zij voor alle weren een exeptie van onbevoegdheid heeft opgeworpen en incidenteel appel heeft ingesteld. X heeft een memorie van antwoord in het incidenteel appel genomen.

De bevoegdheid van de rechtbank

1.1 Op 1 januari 2002 zijn van kracht geworden de wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 582 (Wet organisatie en bestuur gerechten) en de wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 584 (Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie), strekkende onder meer tot wijziging van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. Ingevolge deze wetswijziging bestaan de kantongerechten niet langer als zelfstandig gerecht, maar maken deze deel uit van de rechtbank als sector kanton.

1.2 Artikel 60 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie zoals dat ingevolge de hiervoor bedoelde aanpassingswet sinds 1 januari 2002 is komen te luiden, bepaalt dat de gerechtshoven in hoger beroep oordelen over de daarvoor vatbare vonnissen en beschikkingen van de rechtbanken in hun ressort. Daaronder zijn begrepen de vonnissen van de sector kanton van de rechtbank.

1.3 Artikel 2 lid 2 van hoofdstuk 15 van de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie luidt voor zover thans van belang als volgt:

"Ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van rechtsmiddelen tegen vonnissen en beschikkingen van een kantonrechter die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn tot stand gekomen (…) blijft het recht zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing. De Memorie van Toelichting bij dit artikel luidt voor zover hier van belang (TK 27 878, nr. 3, pag. 34):

"Het tweede lid bepaalt dat ook bij het instellen van hoger beroep na inwerkingtreding van deze wet, voor een kantonzaak waarin voor inwerkingtreding van deze wet uitspraak is gedaan, het thans geldende recht blijft gelden. Dit betekent dat in de regel de rechtbank bevoegd is."

Hieruit moet a contrario worden afgeleid dat indien hoger beroep is ingesteld na 1 januari 2002 tegen een vonnis van de kantonrechter dat gewezen is na 1 januari 2002, het nieuwe recht geldt. Dit betekent dat niet de rechtbank, maar het gerechtshof dan bevoegd is.

1.4 Aangezien in de onderhavige zaak het bestreden eindvonnis is gewezen op 25 februari 2002, derhalve ná inwerkingtreding van de hiervoor gemelde wetswijzigingen, dient het hoger beroep te worden aangebracht bij het gerechtshof te Arnhem. De rechtbank is derhalve niet bevoegd het hoger beroep te behandelen.

1.5 Voor zover het hoger beroep tevens gericht zou zijn tegen het tussenvonnis van de kantonrechter van 22 oktober 2001 - dat dus dateert van voor 1 januari 2002 - doet dat aan het bovenstaande niet af omdat tegen dat tussenvonnis destijds geen hoger beroep is ingesteld en aangenomen moet worden dat de datum van het eindvonnis in een dergelijk geval beslissend is.

1.6 Artikel VII van de eveneens op 1 januari 2002 in werking getreden wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Stb. 580, TK 26 855) bevat het overgangsrecht met betrekking tot de vraag welk procesrecht van toepassing is. Uit het eerste lid van artikel VII alsmede uit de Memorie van Toelichting bij dit artikel (TK 26 855, nr. 3, pag. 196) blijkt dat indien een rechtmiddel wordt aangewend na 1 januari 2002 het nieuwe procesrecht van toepassing is. Dit geldt ook voor zaken die voor 1 januari 2002 in eerste instantie aanhangig zijn gemaakt en waarin dus het vonnis in eerste instantie met toepassing van oud procesrecht tot stand is gekomen.

1.7 Nu de appèldagvaarding is uitgebracht op 24 april 2002 is op de onderhavige appèlprocedure het recht van toepassing zoals dat geldt sinds 1 januari 2002.

1.8 De rechtbank zal zich ingevolge artikel 72 Rv onbevoegd verklaren van het onderhavige hoger beroep kennis te nemen en zal de zaak op de voet van artikel 73 Rv verwijzen naar het gerechtshof te Arnhem als bevoegde appèlrechter, teneinde het hoger beroep te behandelen.

1.9 Ingevolge artikel 74 Rv dient X ING Vastgoed bij exploot op te roepen tegen de dag waarop zij de zaak bij het gerechtshof ter rolle wil doen dienen.

1.10 De beslissing over de proceskosten wordt overgelaten aan het gerechtshof.

De beslissing

De rechtbank, recht doende in hoger beroep

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen het door de kantonrechter te Arnhem op 25 februari 2002 onder rolnummer 2132/2001 tussen ING Vastgoed als eiser en X als gedaagde gewezen vonnis;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar het gerechtshof te Arnhem voor de verdere behandeling en beslissing;

laat de beslissing over de proceskosten over aan het gerechtshof.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.J.B. Boonekamp, R.J.J. van Acht en M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2002.

De griffier De voorzitter

Coll: IL