Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE7491

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
Reg.nr.: 02/1753
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 02/1753

UITSPRAAK

van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

X, wonende te Velp, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden, verweerder.

alsmede:

Vastbouw Oost B.V., gevestigd te Rijssen, partij ex artikel 8:26 van de Awb (hierna: vergunninghoudster).

1. Procesverloop

In verband met de bouwvallige staat waarin de dubbele woning (villa) aan de Arnhemsestraatweg 13 en 15 te Velp verkeert, heeft verzoeker verweerder bij brief van 17 juli 2002 verzocht ter zake handhavend op te treden en zodanige maatregelen te (doen) treffen, dat gevaar en hinder wordt weggenomen.

Bij besluit van 12 augustus 2002 heeft verweerder de woning onbewoonbaar verklaard. Bij besluit van gelijke datum is voorts aan vergunninghoudster sloopvergunning verleend voor de sloop van de villa.

Tegen het besluit tot het verlenen van een sloopvergunning alsmede tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek van 17 juli 2002 heeft verzoeker bij schrijven van 16 augustus 2002 bezwaar gemaakt. Bij schrijven van gelijke datum is tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 3 september 2002. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door E.A. Hendriks-Slijkhuis, ambtenaar van de gemeente. Vergunninghoudster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.M.W. van Wieringen en H. Schippers, bijgestaan door gemachtigde mr. J. Schutrups, advocaat te Enschede.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Vooreerst merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder verzoeker bij afzonderlijke brief van 12 augustus 2002 in kennis heeft gesteld van het besluit tot onbewoonbaarverklaring en sloop van de panden aan de Arnhemsestraatweg 13-15 te Velp. Desgevraagd heeft verzoeker ter zitting aangegeven dat hiermee tevens is beslist op zijn verzoek om handhaving van 17 juli 2002. Gelet hierop wordt het door verzoeker ingediende verzoek om voorlopige voorziening dan ook opgevat als (enkel) gericht tegen het besluit van verweerder tot het verlenen van de sloopvergunning. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Het te slopen pand is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Daalhuizen Velp" (hierna: het bestemmingsplan) en maakt deel uit van de op de plankaart als zodanig aangeduide "beeldbepalende zone".

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften, is het verboden gebouwen, die zich bevinden op percelen grenzend aan de beeldbepalende zone of vallen binnen de begrenzing van deze zone, te slopen zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning). Op voet van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel mag een sloopvergunning alleen worden geweigerd indien te verwachten is dat door het slopen het straatbeeld of anderszins het uiterlijk aanzien, zoals omschreven in artikel 3 van de voorschriften, zal worden geschaad.

Artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften luidt als volgt:

"Op de bouwpercelen op de plankaart aangegeven met "beeldbepalende zone" is vervanging of verandering van bestaande gebouwen slechts toelaatbaar met behoud en zonodig verbetering van de structuur van de beeldbepalende gevelwand en op zodanige wijze, dat voor wat betreft schaal, gevelgeleding, hoogtedifferentiatie, korrelgrootte en silhouetvorming aansluiting wordt gevonden bij de bestaande omgeving."

Verzoeker heeft aangevoerd dat de sloopvergunning in strijd met voornoemd artikel 15, tweede lid, van de planvoorschriften is verleend. Weliswaar heeft verweerder op 12 augustus 2002 een bouwvergunning verleend voor het ter plaatse bouwen van een appartementengebouw met 14 woningen en een parkeerkelder, doch -zo stelt verzoeker- geenszins staat vast dat deze bouwvergunning in bezwaar uiteindelijk stand zal houden. Indien voorlopig enkel tot sloop wordt overgegaan, zal het straatbeeld of anderszins het uiterlijk aanzien worden geschaad. Hierbij merkt verzoeker op dat de door verweerder geconstateerde gevaarzetting kan worden weggenomen door ter zake maatregelen te treffen en dat om die reden geen noodzaak bestaat tot een daadwerkelijke sloop over te gaan.

Verweerder betwist niet dat de sloopvergunning is verleend in strijd met het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van het bestemmingsplan. Zij stelt evenwel dat uit een ter plaatse ingesteld onderzoek is gebleken dat het pand bouwtechnisch in een zodanig slechte staat verkeert, dat feitelijk sprake is van een onbewoonbare woning. In dit verband wordt verwezen naar het advies van de regionaal inspecteur van het ministerie van VROM, die tot een gelijkluidende conclusie komt. Gelet hierop, en vanwege de hierdoor veroorzaakte gevaarzetting, heeft verweerder bij besluit van 12 augustus 2002 het pand onbewoonbaar verklaard, en heeft zij -onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 36 van de Woningwet- tevens sloopvergunning verleend op basis van 8.1.1 van de gemeentelijke bouwverordening.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingeval een onbewoonbaar verklaarde woning gevaar of ernstige hinder veroorzaakt, besluiten burgemeester en wethouders ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Woningwet -voor zover hier relevant- tot het slopen van die woning of tot het nemen van andere maatregelen waardoor het gevaar of de hinder wordt weggenomen.

Niet is in geschil -en gelet op de voorhanden zijnde gegevens gaat ook de voorzieningenrechter daarvan uit- dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat door de bouwvallige staat van de woning een gevaar voor de omgeving aanwezig is als bedoeld in artikel 36 van de Woningwet.

In zulk een geval bestaat -naar voorlopig oordeel dezerzijds- in beginsel voldoende grondslag om met toepassing van artikel 36 van de Woningwet tot sloop van de woningen over te gaan. Hierbij is van belang dat, anders dan verweerder meent, een sloopbesluit ex artikel 36 van de Woningwet niet hoeft te worden gevolgd door een afzonderlijke sloopvergunning op grond van de gemeentelijke bouwverordening. Hiertoe wordt overwogen dat de redactie van artikel 36, eerste lid, van de Woningwet een imperatief karakter kent zodat, ingeval sprake is van gevaar of hinder, verweerder moet besluiten tot sloop dan wel tot het nemen van andere maatregelen waardoor het gevaar of de hinder wordt weggenomen. Voor toetsing aan de in de gemeentelijke bouwverordening opgenomen weigeringsgronden bestaat alsdan geen ruimte. Mitsdien kan onder meer geen gewicht worden toegekend aan de omstandigheid dat, zoals in onderhavig geval, de sloop in strijd komt met de in het bestemmingsplan opgenomen eis van een sloopvergunning, welke naar voorlopig oordeel moet worden aangemerkt als het vereiste van een aanlegvergunning. De dienaangaande door verzoeker ingebrachte grieven behoeven gelet hierop dan ook geen nadere bespreking.

Voor zover verzoeker zich op het standpunt stelt dat verweerder niet heeft onderzocht of het gevaar en/of de hinder door het treffen van andere maatregelen als bedoeld in artikel 36 van de Woningwet kan worden weggenomen, merkt de voorzieningenrechter op dat zowel van de zijde van verweerder als van de zijde van vergunninghoudster ter zitting gemotiveerd is aangegeven dat het treffen van maatregelen aan het pand zelf in redelijkheid niet van hen kan worden gevergd. Hierbij is aangegeven dat het pand in een zodanige staat verkeert dat bij renovatie slechts de buitenmuren zouden kunnen blijven, en dat met name het dak van de woningen op instorten staat. Voor zover het plaatsen van een omheining de gevaarsituatie zou kunnen doen wegnemen, heeft verweerder gemotiveerd aangegeven dat zulks eerder niet tot een veilige situatie heeft geleid en bovendien -in geval van een calamiteit- de toegang voor hulpdiensten ernstig zou bemoeilijken.

Nu niet is gebleken van het bestaan van andere adequate maatregelen als bedoeld in artikel 36 van de Woningwet, heeft verweerder naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht besloten tot sloop van de panden. Hieraan kan niet afdoen dat verweerder aan vergunninghoudster een (afzonderlijke) vergunning als bedoeld in artikel 8.1.1. van de gemeentelijke bouwverordening heeft verleend, nu verweerder hiermee enkel blijk heeft doen geven van een ruimere toetsing dan ter zake was benodigd. De voorzieningenrechter wenst in dit verband niet onvermeld te laten dat ook bij het slopen van een woning ingevolge artikel 36 van de Woningwet er op moet worden toegezien dat de veiligheid tijdens het slopen gewaarborgd is, de bescherming van de omliggende bebouwing gegarandeerd is en de in het object aanwezige asbest op de daartoe voorgeschreven wijze wordt verwijderd. Indien zulks niet kan worden gewaarborgd zal verweerder moeten overgaan tot het treffen van andere maatregelen als bedoeld in artikel 36 van de Woningwet. Overigens is de voorzieningenrechter in casu niet gebleken dat de sloop van de panden in dit opzicht op bezwaren stuit.

Uit het vorenoverwogene volgt dat geen aanleiding bestaat het bestreden besluit te schorsen.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus gewezen door mr. J.J. Penning als voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2002, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van Hoof als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden aan partijen op: