Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE7321

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-08-2002
Datum publicatie
06-09-2002
Zaaknummer
61001/ha za 00-729
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 200
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 337
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak/rolnummer: 61001 / HA ZA 00-729

Datum uitspraak: 29 augustus 2002

Vonnis

in de zaak van

[eiser]

[h.o.d.n. bedrijf]

[adres]

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

verzoeker in het incident tot rogatoire commissie,

procureur mr. J.R.O. Dantuma,

advocaat mr. M.W. Huijzer te Barendrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CARITRA B.V.,

gevestigd te Hoevelaken,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verweerder in het incident,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. M.J. Muller te Utrecht.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 11 april 2002 wordt naar dat vonnis verwezen. Bij dat vonnis werd aan [eiser] bewijs opgedragen.

[eiser] heeft om dagbepaling voor een getuigenverhoor gevraagd en heeft verhinderdagen opgegeven. [eiser] heeft drie getuigen aangekondigd en heeft bij akte verzocht om twee van die getuigen in rogatoire commissie in [Suriname] te doen horen.

Caritra heeft zich bij antwoordakte verzet tegen toewijzing van dit verzoek.

Daarop is vonnis in het incident bepaald.

De beoordeling van het incident

1. De getuigen, die [eiser] heeft opgegeven, zijn: [[getuige 1], [getuige 2] en [eiser] zelf.

[getuige 2] woont in Nederland en kan volgens [eiser] hier voor de rechtbank in Arnhem worden opgeroepen.

[getuige 1] en [eiser] wonen in [woonplaats]. [eiser] wil [getuige 1] en zichzelf in [woonplaats] laten horen door de Nederlandse consulaire ambtenaar in verband met de hoge kosten van de overkomst naar Nederland en omdat [eiser] zelf op zijn bedrijf niet voor enkele dagen gemist kan worden.

Caritra verzet zich hiertegen, mede omdat zij meent dat zij dan in haar verdediging wordt geschaad, omdat zij de verhoren niet kan bijwonen en geen (nadere) vragen kan stellen naar aanleiding van de af te leggen verklaringen.

2. Het verzoek wordt beoordeeld aan de hand van het oude burgerlijk procesrecht, omdat de zaak vóór 1 januari 2002 aanhangig is gemaakt.

3. De hoofdregel is dat de getuigen zo mogelijk worden gehoord door de rechter, die over het geschil moet beslissen. Het belang daarvan is mede hierin gelegen dat die rechter zich moet kunnen overtuigen van de geloofwaardigheid van de getuigen en dat een persoonlijke confrontatie daartoe kan bijdragen. Dikwijls zijn het non-verbale signalen of terloopse opmerkingen, die aanleiding geven tot twijfel of juist extra overtuigingskracht en dikwijls leidt een onverwacht antwoord op een voorbereide vraag tot nadere vragen, die tevoren niet goed te voorzien zijn.

Bovendien is het van belang dat partijen en hun advocaten in de gelegenheid worden gesteld om bij het getuigenverhoor aanwezig te zijn om die signalen te kunnen opvangen en die nadere vragen te kunnen stellen. Hiervoor biedt een gewone rechtzitting bij de zaaksrechter de meeste waarborgen.

Voorts kan van een andere autoriteit niet verwacht worden dat hij het (in dit geval lijvige) dossier en de juridische issues evengoed kent en op dezelfde wijze interpreteert als de zaaksrechter.

4. [eiser] heeft niet gesteld dat het wegens ziekte of een dergelijke omstandigheid voor hemzelf of voor [getuige 1] onmogelijk of uiterst bezwaarlijk is om in Nederland te komen getuigen.

5. [eiser] is zelf partijgetuige. Volgens artikel 200 lid 2 Rv-oud kan hij zich er niet op beroepen dat hij te ver verwijderd woont. Weliswaar betreft dit een binnenlandse rogatoire commissie, maar dit beginsel geldt ook in een geval als het onderhavige, waarin de partij, die bewijs moet leveren en zichzelf als getuige wil doen horen, zelf, zonder verdragsrechtelijke noodzaak, het geding bij de Nederlandse rechter heeft aangebracht.

6. [eiser] heeft niet gesteld en het is ook niet gebleken dat [getuige 1] niet bereid is om te getuigen. Dat ligt ook niet voor de hand, omdat [getuige 1] kennelijk verbonden is aan het bedrijf van [eiser] en, naar aangenomen mag worden, bereid zal zijn om op verzoek of in opdracht van [eiser] voor hem te getuigen. Uit de stukken blijkt voorts dat [getuige 1] in het voorafgaande arbitraal geding ook voor [eiser] is verschenen op de zitting van de Antwerpse Syndikale Kamer voor de Handel in Veevoeders, Rijst en Peulvruchten op 17 december 1999.

7. Het argument van [eiser] dat hoge kosten zijn verbonden aan de overtocht van [getuige 1] (en hemzelf) weegt niet zwaar. Hetzelfde geldt immers voor de Nederlandse directeur van Caritra en haar Nederlandse advocaat, wanneer zij gebruik willen maken van hun recht om bij de getuigenverhoren in Suriname aanwezig te zijn. In dit verband is ook van belang dat de bewijslast op [eiser] is gelegd en dat het daarom redelijk is en in de wet is vastgelegd dat [eiser] de kosten van de bewijslevering voorschiet. Die kosten kunnen voor een gedeelte aan de getuigen worden vergoed op basis van artikel 208 Rv-oud en kunnen uiteindelijk op grond van artikel 56 Rv-oud ten laste van de verliezende partij worden gebracht. Voorts merkt de rechtbank op dat de kosten van de overtocht van de getuigen vrijwel in het niet vallen in verhouding tot het belang van de zaak. [eiser] vordert meer dan 750.000 USD plus rente.

8. Op grond van het vorenstaande wordt het verzoek om een rogatoire commissie te entameren afgewezen. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor een nadere opgave van de verhinderdagen voor het in Arnhem te houden getuigenverhoor, thans ook voor de getuigen [eiser] en [getuige 1]. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Tegen dit vonnis staat geen hoger beroep open op grond van de overgangsbepaling VII lid 2 bij het op 1 januari 2002 in werking getreden Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering juncto artikel 337 lid 2 van dit wetboek.

De beslissing

De rechtbank, recht doende in conventie en in reconventie:

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag- waarop dit vonnis is uitge-sproken voor een nadere opgave van eventuele getuigen met hun respectieve verhin-derdagen alsmede de verhinderdagen van partijen en hun advoca-ten in de maanden oktober tot en met december 2002, waarna dag en uur van het getui-genver-hoor zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de gedane opgave(n) vastgestelde tijdstip behoudens dringende redenen niet zal worden gewij-zigd;

verstaat dat bij gebreke van de gevraagde opgave van getuigen geen gelegen-heid meer zal worden gegeven voor het doen horen van getuigen;

verwijst in dat geval de zaak naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgespro-ken, voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van [eiser] of voor bepaling datum vonnis;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en uitge-spro-ken in het openbaar op donderdag 29 augustus 2002.

de griffier de rechter

coll. NH