Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE7132

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-08-2002
Datum publicatie
03-09-2002
Zaaknummer
79480/HA ZA 01-1799
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak/rolnummer: 79480/ HA ZA 01 - 1799

Datum uitspraak: 22 augustus 2002

Vonnis

in de zaak van

B,

wonende te x,

eiser bij dagvaarding van 4 oktober 2001,

procureur F.J. Boom,

advocaat mr. J.M.H. Bindels te Arnhem,

tegen

Z,

wonende te y,

gedaagde,

procureur J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. E. Bos- van den Berg,

beiden te Arnhem.

Het verloop van de procedure

De volgende processtukken zijn gewisseld:

· een conclusie van eis/ akte overlegging productie;

· een conclusie van antwoord met 3 producties;

· een conclusie van repliek tevens akte vermeerdering eis met 2 producties;

· een conclusie van dupliek met 5 producties;

· een akte uitlating producties.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

Partijen worden hierna 'B' respectievelijk Z genoemd.

De vaststaande feiten

1.1 Op zondag 12 september 1999 omstreeks 13.00 uur heeft zich op de Krommehoekseweg te Lunteren in de bocht ter hoogte van de splitsing met de Oosterkamp een ongeval voorgedaan. B reed op zijn racefiets met een snelheid van ongeveer 27 km/uur door de bocht in de Krommehoekseweg in de richting van de Nederwoudseweg. De Krommehoekseweg is ter plaatse circa 4,1 meter breed en is niet voorzien van strepen die de wegas aangeven. Aan weerszijden van de weg bevinden zich een zachte berm en een greppel. Ter plaatse van de splitsing met de Oosterkamp maakt de weg, gezien vanuit de rijrichting van B, een scherpe bocht naar links. Aan weerszijden van de weg, in en voorbij de scherpe bocht bevindt zich dichte begroeïing.

1.2 Uit de tegenovergestelde richting - de richting van Nederwoudseweg - naderde een zwarte BMW met het kenteken **-**-**. Die auto werd bestuurd door Z. Naast haar zat haar vader, A.H. Z. Zij wonen aan de x in x en waren zojuist van huis vertrokken. Z reed met een snelheid van ongeveer 30 à 40 km/uur en voerde geen verlichting. Zij was sedert een maand in het bezit van haar rijbewijs en reed voor de eerste maal in de BMW van haar vader.

1.3 B heeft de door Z bestuurde BMW pas in een zodanig laat stadium waargenomen dat hij, ter voorkoming van een aanrijding, zijn fiets in een reflex naar rechts heeft moeten sturen. B heeft de auto niet geraakt. Doordat hij in de (scherpe) bocht reed en niet tijdig meer kon corrigeren is B met zijn fiets van de weg geraakt en in de greppel beland. Tengevolge van die val kon hij zijn armen en benen niet meer bewegen.

1.4 Van 12 september 1999 tot 13 oktober 1999 is B voor diagnostiek en behandeling opgenomen geweest op de afdeling neurologie van het Academisch Medisch Centrum te Utrecht (hierna: UMC). De neuroloog, drs. N diagnosticeerde een incomplete dwarslaesie op niveau C3-4 na fietstrauma met tetraparese.

1.5 B was ten tijde van het ongeval 51 jaar oud en werkte als asfalttechnoloog. Hij is thans arbeidsongeschikt en ondervindt beperkingen in het gebruik van schouders en handen, alsmede coördinatieproblemen. B werkt op therapeutische basis circa 8 uur per week op een thuis ingerichte werkplek.

1.6 Naar aanleiding van het ongeval is door de politie proces-verbaal van een verkeersongeval opgemaakt. Dat proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.7 Op verzoek van WAM-verzekeraar Univé zijn in het kader van een voorlopig getuigenverhoor getuigen gehoord, te weten B, Z en haar vader. Het proces-verbaal van die verhoren bevindt zich bij de stukken.

1.1 Univé heeft een voorschot van € 2.268,90 aan B betaald en de inrichting van een thuiswerkplek ad € 5.445,36 betaald.

Het geschil

2. B vordert, na bij repliek buiten processueel bezwaar van Z zijn vordering te hebben vermeerderd, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht zal verklaren dat Z geheel dan wel gedeeltelijk aansprakelijk is voor de door hem als gevolg van dit ongeval geleden en nog te lijden schade;

b. Z zal veroordelen over te gaan tot vergoeding van de door hem geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

c. Z zal veroordelen tot betaling van een voorschot ad € 11. 344,51 ter vergoeding van de reeds door hem als gevolg van het ongeval geleden schade;

B voert daartoe aan dat Z op grond van art. 185 WvW

danwel art. 6: 162 BW aansprakelijk is voor de door hem als gevolg van dit ongeval geleden en nog te lijden schade.

3. Z voert gemotiveerd verweer.

De beoordeling van het geschil

4. In deze procedure staat centraal de vraag of, en zo ja in welke omvang, Z gehouden is de door B tengevolge van het ongeval geleden schade te vergoeden.

5. Voor zover B de aansprakelijkheid van Z grondt op het bepaalde in art. 185 WVW geldt het volgende. Aansprakelijke persoon op grond van art. 185 lid 1 WVW 1994 is de eigenaar van het motorrijtuig dan wel de houder als bedoeld in art. 1 lid 1 onder n WVW. Op grond van art. 185 lid 2 WVW is de eigenaar of houder aansprakelijk voor gedragingen van degene door wie hij het motorrijtuig doet of laat rijden. Degene aan wie het kenteken voor het motorrijtuig is afgegeven wordt voor de toepassing van de WVW als de eigenaar daarvan beschouwd. Zowel de processen-verbaal van verhoor van Z en haar vader bij de politie als het voorlopig getuigen-verhoor van Z duiden erop dat niet zij maar haar vader de eigenaar van de door haar bestuurde BMW was, hetgeen verder steun vindt in het door de politie van het ongeval opgemaakte proces-verbaal (productie 1 bij antwoord, dossier pagina 2.1.1.) waarin onder 15 als eigenaar/houder van de BMW de vader van Z is vermeld met Univé als (WAM) verzekeraar. B heeft dat niet bestreden zodat de rechtbank er van zal uitgaan dat niet Z maar haar vader op 12 september 1999 als eigenaar in de zin van art. 1 lid 2 WVW 1994 moet worden aangemerkt. Voorts is gesteld noch gebleken dat Z kan worden aangemerkt als de houder van de BMW in de zin van voornoemde wetsbepaling. Reeds hierom moet de conclusie zijn dat aansprakelijkheid van Z niet kan worden gegrond op art. 185 WVW 1994, zodat in het midden kan blijven of de bepaling wel van toepassing is in een geval als het onderhavige.

6. Voor zover B de aansprakelijkheid van Z grondt op het bepaalde in art. 6: 162 BW wordt als volgt overwogen.

7. Voor aansprakelijkheid op grond van art. 6: 162 BW is nodig dat aan Z van haar wijze van rijden rechtens enig verwijt kan worden gemaakt. De mate van zorgvuldigheid die van de bestuurder van een auto kan worden verlangd dient bij een beoordeling op grond van art. 6:162 BW geen andere te zijn dan bij een beoordeling op grond van art. 185 WVW. Die zorgvuldigheidsplicht brengt mee dat de bestuurder van de auto bij het bepalen van zijn rijgedrag rekening moet houden met fouten van andere weggebruikers - daaronder begrepen het slachtoffer zelf - tenzij die fouten zo onwaarschijnlijk zijn dat hij daarmee in redelijkheid geen rekening behoefde te houden.

8. Op grond van de hoofdregel van art. 177 (oud) Rv rust op B de bewijslast van het aan Z gemaakte verwijt. Daartoe wordt verwezen naar het proces-verbaal van voorlopig getuigen verhoor.

9. Tegen de achtergrond van de onder 1.1 tot en met 1.3 vastgestelde feiten blijkt uit de verklaringen van zowel Z als haar vader bij het voorlopig getuigenverhoor- zakelijk samengevat - het volgende. Vóórdat Z de, vanuit haar rijrichting gezien, haakse bocht naar rechts in de Kromme hoekseweg naderde zag haar vader door de begroeiing B met forse snelheid en voorover gebogen op het stuur van zijn racefiets aan komen fietsen. Hij heeft daarop zijn dochter op B geattendeerd en op het feit dat B de BMW mogelijk niet kon zien, waarna Z met de auto helemaal naar de rechterkant van de weg is gereden en de auto aldaar vrijwel tot stilstand heeft gebracht. Direct daarop fietste B op de BMW af. Voor zover B verklaart dat de plotseling voor hem opdoemende BMW op dat moment (nog) 25 km/uur reed wordt deze verklaring gepasseerd omdat hij tegelijkertijd heeft aangegeven dat hij niet weet of dat juist is, terwijl voorts in aanmerking moet worden genomen dat de afstand tussen hem en de BMW op het moment dat hij deze voor zich zag opdoemen kort was en dat vervolgens alles heel snel moet zijn gegaan. Overigens heeft ook B verklaard dat de BMW rechts van de weg reed.

10. Uit de eigen verklaring van B blijkt dat hij met een forse snelheid van circa 27 km/uur over de bochtige Krommehoekseweg fietste, dat hij met onverminderde snelheid de scherpe bocht naar links is ingegaan terwijl hij daarbij links tegen de (denkbeeldige) wegas aan heeft gereden. Nu de wegas ter plaatse niet met strepen is aangegeven en in aanmerking genomen de snelheid waarmee B door de bocht is gereden valt niet uit te sluiten dat hij, zoals Z en haar vader hebben verklaard, over de as van de weg is gegaan en op weghelft voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen. Uit de verklaring van de vader van Z blijkt verder onweersproken dat B daarbij voorover gebogen op het stuur heeft gereden terwijl de bij repliek overgelegde foto's van de Krommehoekseweg een ontbreken van overzicht over de weg in de bewuste bocht naar links laten zien tengevolge van de juist voorbij die bocht aanwezige bomen/planten aan weerszijden van de weg.

11. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien op welke wijze Z nog voorzichtiger aan het verkeer had moeten deelnemen dan zij gedaan heeft, namelijk de auto zoveel mogelijk naar rechts rijden en vrijwel tot stilstand brengen. Dat zij B niet zelf heeft zien aankomen doet niet ter zake, omdat haar vader hem wel had gezien en haar daarop attendeerde. Gezien de zich aan weerszijden van de weg bevindende smalle, zachte en aflopende berm, overgaande in een greppel, is geenszins aannemelijk dat Z nog verder met de BMW naar rechts had kunnen gaan. Verder valt niet in te zien welke noodzaak er op 9 september 1999 om 13.00 bestond tot het voeren van verlichting. Weliswaar moet worden aangenomen dat het in de perceptie van B behoorlijk donker was onder de bomen waar zich de BMW bevond. Maar gesteld noch gebleken is dat ter plaatse een verplichting gold overdag licht te voeren. Evenmin kan Z worden verweten dat zij niet heeft geclaxonneerd. Gelet op de korte tijdspanne die gelegen moet zijn tussen het moment waarop haar vader haar op B attendeerde en het moment waarop zij B zag heeft zij er voor gekozen de auto zoveel mogelijk naar de rechterkant van de weg te rijden en vrijwel tot stilstand te brengen. Onder de gegeven omstandigheden is dat de meest zorgvuldige keuze, temeer omdat gesteld noch gebleken is dat het Z duidelijk moet zijn geweest dat B zodanig onvoldoende rechts hield dat, ook bij de door haar gevolgde handelwijze, een aanrijding zou volgen als hij de BMW niet tijdig zou waarnemen.

12. Dat B de auto pas in een zo laat stadium opmerkte dat hij een aanrijding in de bewuste bocht ternauwernood heeft kunnen voorkomen met de val in de greppel tot gevolg kan derhalve niet aan Z worden verweten, nu niet valt in te zien hoe zij dat ongeval had kunnen voorkomen.

13. De omstandigheid dat Z op het tijdstip van het ongeval pas een maand in het bezit van een rijbewijs was kan geen rol spelen omdat niet is gebleken dat haar onervarenheid in het verkeer enige rol heeft gespeeld bij het onderhavige ongeval.

14. B is met onverminderde forse snelheid, voorover op het stuur van zijn racefiets (derhalve met onvoldoende oog voor de bochtige weg vóór hem) en in strijd met art. 3 RVV 1990 tegen of net over de as van de weg door een onoverzichtelijke scherpe bocht naar links gefietst, zodat het er voor moet worden gehouden dat de omstandigheid dat hij de BMW zo laat opmerkte en pas toen ontdekte dat een aanrijding nabij was en vervolgens in een reflex naar rechts heeft moeten sturen het gevolg is van zijn eigen fouten en roekeloze rijgedrag. Dit rijgedrag was voor Z zo onwaarschijnlijk dat zij bij het bepalen van haar verkeersgedrag met die mogelijkheid in redelijkheid geen rekening behoefde te houden, ook niet indien in aanmerking wordt genomen zij de weg aldaar kende en wist dat er veel werd gefietst.

15. Dat leidt tot de conclusie dat B er niet in is geslaagd te bewijzen dat Z ter zake van de wijze waarop zij aan het verkeer heeft deelgenomen rechtens enig verwijt kan worden gemaakt. Van een door Z gepleegde onrechtmatige daad is derhalve geen sprake. Daarop stuiten de vorderingen van B af. Als de in het ongelijk gestelde partij dient hij de proceskosten te dragen.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

wijst de vorderingen af;

veroordeelt B in de kosten van deze procedure, tot aan dit vonnis aan de zijde van Z begroot op € 251,87 voor verschotten en op € 1.170,75 voor salaris van de procureur;

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol, rechter, en in het openbaar uitgesproken op donderdag 22 augustus 2002.

De griffier: De rechter: