Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE5878

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-07-2002
Datum publicatie
29-07-2002
Zaaknummer
Reg.nr.: 02/1301
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 02/1301

UITSPRAAK

van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Mannesmann Dematic B.V., gevestigd te Velddriel, verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neerijnen te Neerijnen, verweerder.

1. Procesverloop

Op 15 mei 2002 is vanwege verweerder geconstateerd dat op het perceel op het bedrijventerrein "Kerkewaard" te Haaften, sectie L, nummer 544 (ged.), een kraan is geplaatst, waarvan de giek een hoogte bereikt die de in het ter plaatse geldende bestemmingsplan opgenomen maximumhoogte overstijgt.

Bij besluit van 4 juni 2002 heeft verweerder verzoekster onder oplegging van een last onder dwangsom aangeschreven de hoogte van de kraan binnen vier weken na verzenddatum van het besluit terug te brengen en te houden op een ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan toegelaten hoogte, zulks op straffe van een verbeurdverklaring van een dwangsom van € 1000,- per overtreding, dan wel per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 25.000,-.

Tegen dit besluit heeft mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam, namens verzoekster bij schrijven van 21 juni 2002 bezwaar gemaakt. Bij schrijven van gelijke datum is tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Bij schrijven van 1 juli 2002 heeft verweerder bericht dat de uitvoering van het dwangsombesluit wordt opgeschort totdat uitspraak is gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 juli 2002. Verzoekster heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door L.C.M. Bakker, bijgestaan door mr. Luigies, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M.M. Keltering, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken als volgt.

Verzoekster is een besloten vennootschap die zich met name richt op verkoop, service en onderhoud van en aan mobiele kranen met een hefvermogen tussen de 25 en 650 ton. Onderdeel van de in dit verband door verzoekster te verrichten werkzaamheden betreft het testen van de kranen, waarbij -na uitschuiven- giekstanden worden bereikt tot een maximum van 100 meter. Vanwege ongeschiktheid van de huidige vestigingslocatie wenst verzoekster haar bedrijf te verplaatsen naar het binnen verweerders gemeente gelegen bedrijventerrein Kerkewaard. Thans is zij in onderhandeling over de aankoop van enkele percelen aldaar.

De door verzoekster aan te kopen percelen zijn gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Kerkewaard" (hierna: het bestemmingsplan) en hebben de bestemming "industriële en groothandelsdoeleinden" (artikel 4 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften, hierna: de voorschriften). De betreffende kranen zijn gesitueerd in bebouwingsoppervlak 5, waarvoor in beginsel een maximale bouwhoogte geldt van 10 meter.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, aanhef en onder c van de voorschriften -voor zover hier relevant- is het verboden onbebouwde grond te gebruiken in strijd met de bij de bestemming omschreven gebruiksdoeleinden, waarbij onder strijdig gebruik in ieder geval wordt verstaan het aanwezig hebben en/of gebruiken van kranen, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken, met -voor het onderhavige bebouwingsoppervlak- een hoogte van meer dan 15 meter.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de in voornoemd artikel 4, vierde lid, aanhef en onder c van de voorschriften opgenomen gebruiksbepaling zich tegen de door verzoekster te verrichten testwerkzaamheden verzet.

Dienaangaande wordt het navolgende overwogen.

Niet is in geschil -en ook de voorzieningenrechter gaat daar van uit- dat de door verzoekster te testen kranen geen bouwwerk zijn waarvoor een bouwvergunning is benodigd. Voorts is niet in geschil dat de basishoogte van deze kranen de 15 meter niet te boven gaat en dat eerst bij het testen van (het hefvermogen) van de kranen de in de gebruiksbepaling vastgelegde maximumhoogte wordt overschreden. Deze testen vinden gemiddeld twee maal per week plaats, met een testduur van telkens (gemiddeld) twee uur. Eens per maand vinden gelijktijdig meerdere testen plaats, waarbij onder meerdere wordt verstaan maximaal drie.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet worden vooropgesteld dat het specifiek gebruiksverbod, zoals neergelegd in voormeld artikel 4, vierde lid onder c, van de voorschriften, gezien de redactie hiervan en de toelichting hierop, ertoe strekt te voorkomen dat binnen de onderscheidene bebouwingsvlakken behorende bij de bestemming "industriële en groothandelsdoeleinden" niet als bouwwerken aan te merken (mobiele) kranen worden geplaatst en gebruikt, welke de ter plaatse maximaal toelaatbare hoogten overschrijden. De planwetgever heeft hierbij kennelijk het oog gehad op kranen die min of meer permanent aanwezig zijn en worden gebruikt als hijswerktuig ten behoeve van de door het betreffende bedrijf uitgeoefende activiteiten.

De activiteiten van verzoekster onderscheiden zich in zoverre van de hierboven bedoelde situatie dat de kranen van verzoekster ter plaatse geen functie vervullen als hijswerktuig, maar als zodanig voorwerp zijn van verzoeksters verkoop- en onderhoudsactiviteiten. Voor de bepaling van de uit planologisch oogpunt relevante hoogte van een uitschuifbare kraan dient naar dezerzijds voorlopig oordeel aansluiting te worden gezocht bij de functie die de kraan ter plaatse vervult en de planologische uitstraling die als gevolg daarvan optreedt.

Genoegzaam is komen vast te staan dat de kranen van verzoekster gedurende een periode van niet meer dan enkele uren per week omwille van testactiviteiten de toegestane hoogte overschrijden, terwijl daarbij geen sprake is van enige functionele aanwending zoals in het betreffende planvoorschrift bedoeld. Onder deze omstandigheden moet voorshands worden geoordeeld dat de kortdurende overschrijdingen van de maximale hoogte van 15 meter van zodanig ondergeschikte betekenis zijn, dat zulks niet geacht kan worden in strijd te zijn met het gebruiksverbod van artikel 4, lid 4 onder c, van de planvoorschriften.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat geen wettelijk voorschrift is overtreden, zodat verweerder niet bevoegd was de onderhavige last onder dwangsom op te leggen.

Aan het vorenstaande kan - thans ten overvloede, maar gezien de aard van de onderhavige procedure voor de volledigheid - nog het navolgende worden toegevoegd.

Vast staat dat de uitoefening van verzoeksters bedrijf - mede gezien de expliciete vermelding van (een bedrijf in) "hijswerktuigen" in categorie 5 van de staat van inrichtingen - op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Uit de jurisprudentie volgt dat een gebruik conform de bestemming als het meest doelmatige gebruik moet worden aangemerkt. Artikel 4, lid 6, van de planvoorschriften bepaalt dat vrijstelling van het in het vierde lid gestelde verbod wordt verleend, indien strikte toepassing hiervan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voorziet het zesde lid aldus niet alleen in toepassing van de zogeheten toverformule - vrijstelling van een algemeen gebruiksverbod indien gebruik conform de bestemming naar objectieve maatstaven in het geheel niet meer mogelijk is - maar tevens in vrijstellingverlening van een specifiek gebruiksvoorschrift als neergelegd in het artikel 4, vierde lid onder c. Nu het door verzoekster gewenste gebruik, waaraan het testen van de kranen onlosmakelijk verbonden is, als het meest doelmatige gebruik moet worden aangemerkt, dient in de gegeven omstandigheden van bedoeld gebruiksvoorschrift vrijstelling te worden verleend, indien geen dringende redenen bestaan die een beperking van dat gebruik rechtvaardigen. Naar dezerzijds voorlopig oordeel bestaan in de gegeven omstandigheden onvoldoende dringende redenen de onderhavige kortdurende overschrijdingen van de maximale hoogte uit planologisch oogpunt niet toelaatbaar te achten. Hieruit volgt mitsdien dat de gewraakte overschrijdingen middels de hier bedoelde vrijstelling kunnen worden gelegaliseerd.

Ten slotte merkt de voorzieningenrechter ter completering van het geheel nog op dat met verweerder moet worden geoordeeld dat het vijfde lid van artikel 4 van de voorschriften in casu geen toepassing kan vinden, omdat bedoeld artikelonderdeel het oog heeft op een normaal gebruik van de gronden en opstallen en niet geacht kan worden tevens te zien op "normale" - d.w.z. binnen het ter plaatse uitgeoefende bedrijf passende - activiteiten. Indien immers dergelijke "normale" activiteiten structureel in strijd zouden zijn met meergenoemd specifiek gebruiksverbod, zou aan artikel 4, lid 4 onder c, iedere betekenis komen te ontvallen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat aanleiding bestaat het bestreden besluit te schorsen.

Tevens bestaan termen verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van verzoekster, begroot op € 644,- ter zake van rechtsbijstand.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;

schorst het besluit van 4 juni 2002;

veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,- en wijst de gemeente Neerijnen aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden;

bepaalt dat de gemeente Neerijnen aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 218,- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. F.H. de Vries als voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2002, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van Hoof als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden aan partijen op: