Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE5552

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-07-2002
Datum publicatie
19-07-2002
Zaaknummer
88752 / KG ZA 02-415
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 88752 / KG ZA 02-415

Datum uitspraak: 19 juli 2002

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LAGERWEY WINDTURBINE B.V.,

gevestigd te Barneveld,

eiseres,

procureur mr. J.M.J. Huver,

advocaat mr. J. Kalisvaart te Arnhem

en advocaat mr. S. Vos te Arnhem,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

WIND ENERGY SYSTEM CARE INDIA LTD,

gevestigd te Chennai, India,

gedaagde,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen.

Partijen worden hierna respectievelijk Lagerwey en Wescare genoemd.

Het verloop van de procedure

Lagerwey heeft Wescare ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd zoals weergegeven in de dagvaarding, met dien verstande dat Lagerwey haar eis heeft gewijzigd. Wescare heeft zich niet verzet tegen de eiswijziging. Wescare heeft echter wel geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De raadslieden van partijen hebben de zaak bepleit (grotendeels) overeenkomstig hun overgelegde pleitnotities. Zij hebben daarbij producties in het geding gebracht. Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

De vaststaande feiten

1. Lagerwey heeft 80 windturbines geproduceerd en geleverd ten behoeve van een of meer windturbineparken in India, waarbij Wescare betrokken is.

2. Wescare pretendeert wegens het niet of slecht functioneren van het merendeel van de hiervoor onder 1 bedoelde windturbines, een vordering te hebben op Lagerwey van € 62.550.000,00 (hierna te noemen: het geschil). In verband met het geschil heeft Wescare ten laste van Lagerwey conservatoir derdenbeslag laten leggen onder:

a. Staat der Nederlanden (de Ministeries van Financiën, Buitenlandse Zaken, en Economische Zaken en Ontwikkelingssamenwerking), gevestigd te 's-Gravenhage;

b. Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V., gevestigd te 's-Gravenhage;

c. Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V., gevestigd te 's-Gravenhage;

d. ABN AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam;

e. ING Bank N.V. gevestigd te Amsterdam;

f. Fortis Bank (Nederland) N.V. gevestigd te Rotterdam;

g. Nedpower N.V. gevestigd te Amsterdam;

h. Het Nederlands Bureau Industrieel Eigendom, gevestigd te Rijswijk;

i. Het Europees Octrooibureau, gevestigd te Rijswijk;

en heeft Wescare ook beslag laten leggen onder Lagerwey zelf,

namelijk op haar aandelen in Zephyros B.V.

3. Op 4 april 2002 heeft Wescare het geschil aanhangig gemaakt bij het International Court of Arbitration te Parijs, Frankrijk (de voor het genoemde International Court of Arbitration aan hangig gemaakte procedure hierna te noemen: de arbitrageprocedure). De competentie van het International Court of Arbitration, met betrekking tot het geschil, is niet in geding.

4. Lagerwey pretendeert uit hoofde van een met Wescare gesloten know-how licentieovereenkomst een vordering op Wescare te hebben van (ruim) € 1.300.000,00.

De vordering

5. Lagerwey vordert na wijziging van eis -kort weergegeven-:

a. veroordeling van Wescare de hiervoor vermelde beslagen op te heffen, dit versterkt met dwangsommen;

b. een verbod voor Wescare opnieuw beslag te laten leggen in het kader van het onderhavige geschil;

c. veroordeling van Wescare een bedrag van € 1.361.340,65 te voldoen aan Lagerwey.

Ten slotte vordert Lagerwey veroordeling van Wescare in de

proceskosten. Wescare heeft tegen het gevorderde gemotiveerd

verweer gevoerd, waarop hierna -voor zover nodig- zal worden

ingegaan.

De motivering van de beslissing

6. De voorzieningenrechter ontleent zijn rechtsmacht en relatieve bevoegdheid ten aanzien van de vordering tot opheffing van de beslagen aan het feit dat twee van de beslagverloven door de voorzieningenrechter in Arnhem zijn verleend en één van de beslagen in dit arrondissement is gelegd (artikel 705 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verder Rv). Ten aanzien van de geldvordering hiervoor onder 5.c. vermeld ontleent de voorzieningenrechter rechtsmacht en relatieve bevoegdheid aan artikel 6 aanhef en onder a, juncto artikel 109 Rv. Deze geldvordering is gebaseerd op een afzonderlijke overeenkomst tussen Lagerwey en Wescare, waarop partijen in artikel 24 het Nederlandse recht van toepassing hebben verklaard. De in de overeenkomst vastgelegde verbintenis tot betaling van de License Fee moet ingevolge die overeenkomst en naar Nederlands recht in Nederland worden uitgevoerd. Weliswaar zijn partijen in artikel 23, evenals in de andere overeenkomst, arbitrage overeengekomen, maar hier betreft het arbitrage bij de ICC in Amsterdam, dus in Nederland. Dit arbitraal beding staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de Nederlandse voorzieningenrechter om in kort geding een voorziening te treffen (artikel 1022 lid 2 Rv). Bij gebreke van een andere bevoegdheid in Nederland op grond van de artikelen 99 tot en met 108 Rv, is de voorzieningenrechter van de vestigingsplaats van Lagerwey bevoegd. Lagerwey is in het arrondissement Arnhem gevestigd.

7. Hoewel Lagerwey voorop stelt dat de door Wescare gepretendeerde vordering -op grond waarvan zij de hiervoor onder 2 vermelde beslagen heeft doen leggen- nergens op gebaseerd is, voert zij voor de gevraagde opheffing van die beslagen vooral aan dat Lagerwey niet zal kunnen voortbestaan als die beslagen niet worden opgeheven, omdat kapitaal- en subsidieverstrekkers zich terugtrekken juist vanwege die beslagen.

8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de gehele vordering, die Wescare ten grondslag heeft gelegd aan de hiervoor onder 2 vermelde beslagen. Enkel op die grond kunnen de beslagen derhalve niet worden opgeheven. Wel voldoende aannemelijk is geworden dat het voortbestaan van Lagerwey ernstig wordt bedreigd nu kredieten zijn opgezegd en subsidies niet meer worden toegekend en daarbij de beslagleggingen hebben meegespeeld. Daarop gelet heeft Lagerwey een groot belang bij opheffing van de beslagen.

9. Door Wescare is niet weersproken dat de beslagen hiervoor onder 2.e, f en g niet meer zijn betekend aan de aldaar genoemde derden -als bedoeld in artikel 721 Rv-, nadat Wescare de arbitrageprocedure aanhangig heeft gemaakt. Krachtens artikel 721 Rv zijn de hiervoor onder 2.e, f en g vermelde beslagen derhalve nietig. Gebleken is dat Wescare bij de hiervoor onder 2.a, b, c en d bedoelde beslagen geen belang heeft, omdat de aldaar genoemde derden hebben verklaard dat tussen hen en Lagerwey geen rechtsverhoudingen bestaan uit hoofde waarvan Lagerwey iets heeft te vorderen of kan krijgen van die derden. Evenwel zijn het juist deze laatstgenoemde beslagen die er mede toe leiden dat aan Lagerwey geen subsidies meer worden toegekend en geen kredieten meer worden verstrekt. De enige beslagen waarbij Wescare belang kan hebben, omdat die vermogensbestanddelen treffen die Wescare zekerheid bieden, zijn de derdenbeslagen hiervoor onder 2.h en i vermeld en het onder 2 vermelde beslag dat onder Lagerwey zelf is gelegd op haar aandelen in Zephyros B.V.

10. Gelet op de hiervoor vermelde belangen van partijen, leidt een afweging daarvan er toe dat van de beslagen -die inmiddels niet met nietigheid zijn getroffen ex artikel 721 Rv-, de hiervoor onder 2.a, b, c, en d vermelde moeten worden opgeheven, dit versterkt met de gevorderde dwangsommen die evenwel ambtshalve zullen worden gemaximeerd, en dat de beslagen hiervoor onder 2.h, en i, alsmede het hiervoor onder 2 bedoelde beslag dat gelegd is onder Lagerwey zelf op haar aandelen in Zephyros B.V., dienen te blijven liggen, tenzij Lagerwey vervangende zekerheid kan bieden aan Wescare voor tenminste 18,5% van de door Lagerwey in 1997 overeengekomen prijs voor de windturbines. Deze 18.5%, wat neerkomt op € 3.752.891,00, is ingevolge een exoneratieclausule namelijk de maximale aansprakelijkheid die Lagerwey heeft aanvaard als zich een gebrek voordoet in de windturbines.

11. Als een te algemeen gevraagd verbod, kan het hiervoor sub 5.b gevorderde niet worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal in plaats daarvan Wescare bevelen om een afschrift van dit vonnis over te leggen bij een volgend beslagrekest.

12. Volgens vaste jurisprudentie kan de voldoening van een geldvordering in kort geding bij voorraad worden toegewezen als het bestaan van de geldvordering voldoende aannemelijk is, onverwijlde spoed een onmiddelijke voorziening vereist en in de afweging van de belangen van partijen mede is betrokken het risico van de onmogelijkheid van terugbetaling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de hiervoor onder 4 vermelde geldvordering van Lagerwey op Wescare uit hoofde van het know-how licentieovereenkomst voldoende aannemelijk, vooral omdat Wescare terzake betalingstoezeggingen heeft gedaan. Evenzo is voldaan aan het spoedeisend karakter van de vordering nu Lagerwey onomwonden heeft aangegeven -in verband met de gevorderde opheffing van de hiervoor onder 2 vermelde beslagen- dat zij failliet dreigt te gaan. Aannemelijk is dan ook dat voor Lagerwey uit hoofde van onverwijlde spoed een voorziening onmiddellijk vereist is. Echer juist vanwege het dreigend faillissement van Lagerwey wordt niet voldaan aan het derde hiervoor vermelde criterium, te weten het risico dat Lagerwey niet in staat zal zijn het door haar in dit kort geding van Wescare gevorderde geldbedrag terug te betalen aan Wescare, als zij daar in hoofdzaak toe wordt veroordeeld. Dit risico staat er aan in de weg om de geldvordering toe te wijzen. Hierbij weegt uiteraard mee dat Wescare zich mogelijk op een opschortingsrecht kan beroepen ter verrekening met haar veel grotere tegenvordering, waarvan, als vorenoverwogen, niet summierlijk is gebleken dat deze totaal ondeugedelijk is. Het door Lagerwey hiervoor onder 5.c. gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

13. Als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij zal Lagerwey in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter,

veroordeelt Wescare binnen 24 uur na betekening van dit vonnis op te heffen de navolgende beslagen:

- het conservatoir derdenbeslag bij exploit van 22 februari 2002 ten laste van Lagerwey gelegd onder de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) gevestigd te 's-Gravenhage;

- het conservatoir derdenbeslag bij exploit van 22 februari 2002 gelegd ten laste van Lagerwey onder de Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken) gevestigd te 's-Gravenhage;

- het conservatoir derdenbeslag bij exploit van 22 februari 2002 ten laste van Lagerwey gelegd onder de Staat der Nederlanden (Ministerie van Economische Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) gevestigd te 's-Gravenhage;

- het conservatoir derdenbeslag bij exploit van 22 februari 2002 ten laste van Lagerwey gelegd onder de ABN AMRO Bank N.V. gevestigd te Amsterdam;

- het conservatoir derdenbeslag bij exploit van 22 februari 2002 ten laste van Lagerwey gelegd onder Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V. gevestigd te 's-Gravenhage;

- het conservatoir derdenbeslag bij exploit van 22 februari 2002 ten laste van Lagerwey gelegd onder Nederlandse Financieringmaatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V. gevestigd te 's-Gravenhage;

beveelt Wescare om bij een volgend verzoek tot beslaglegging ten laste van Lagerwey, terzake van het geschil, een afschrift van dit vonnis over te leggen aan de voorzieningenrechter waaraan verlof tot beslaglegging wordt gevraagd;

veroordeelt Wescare voor iedere dag dat zij geheel of gedeeltelijk niet voldoet aan de hiervoor vermelde veroordeling of het bevel, aan Lagerwey een dwangsom te betalen van € 25.000,00, met een maximum van € 2.500.000,00;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt Lagerwey in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Wescare bepaald op € 193,00 voor griffierecht en op € 703,36 voor salaris procureur;

weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2002 in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde.