Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE4986

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-07-2002
Datum publicatie
09-07-2002
Zaaknummer
: 05/095133-01
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2002:AF2266
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/095133-01

Datum zitting : 26 juni 2002

Datum uitspraak : 9 juli 2002

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

verdachte

thans gedetineerd in P.I. Over Amstel, HvB Demersluis, H.J.E. Wenckebachweg 48 te Amsterdam.

Raadsman: mr. J.C.C.M. Brand, advocaat te Westervoort

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, "slachtoffer 1" van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 1" verbleef, heeft gegooid en/of tot ontploffing heeft gebracht, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans opzettelijk, "slachtoffer 2" van het leven

heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en

rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans

opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 2" verbleef, heeft gegooid en/of tot ontploffing heeft gebracht,

tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

3.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, "slachtoffer 3" van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad

en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans

opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 3" verbleef, heeft gegooid en/of tot ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem aan "slachtoffer 3" opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel heeft

toegebracht, door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans

opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 3" verbleef, te gooien en/of tot ontploffing te brengen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, aan "slachtoffer 3" zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren

genomen besluit, althans opzettelijk, een handgranaat in een woning

("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 3" verbleef, heeft gegooid en/of tot

ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, "slachtoffer 4" van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad

en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans

opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 4" verbleef, heeft gegooid en/of tot ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem aan "slachtoffer 4" opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel heeft

toegebracht, door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans

opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 4" verbleef, te gooien en/of tot ontploffing te brengen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, aan "slachtoffer 4" zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren

genomen besluit, althans opzettelijk, een handgranaat in een woning

("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 4" verbleef, heeft gegooid en/of tot

ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

5.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, "slachtoffer 5" van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad

en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans

opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die

"slachtoffer 5" verbleef, heeft gegooid en/of tot ontploffing heeft gebracht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem aan "slachtoffer 5" opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel heeft

toegebracht, door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans

opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die

"slachtoffer 5" verbleef, te gooien en/of tot ontploffing te brengen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, aan "slachtoffer 5" zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren

genomen besluit, althans opzettelijk, een handgranaat in een woning

("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 5" verbleef, heeft gegooid en/of tot

ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

6.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, "slachtoffer 6" van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans

na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, een handgranaat in

een woning ("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 6" verbleef, heeft gegooid en/of

tot ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijf-fouten voorko-men, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 26 juni 2002 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte versche-nen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.C.C.M. Brand, advocaat te Westervoort.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

ten aanzien van feit 2: benadeelde "A", die vordert dat verdachte wordt veroordeeld aan haar te beta-len een bedrag van € 5.498,36 aan schadever-goe-ding;

ten aanzien van feit 3: "slachtoffer 3", die vordert dat verdachte wordt veroordeeld aan hem te betalen een bedrag van € 2.101,46 aan schadevergoeding;

ten aanzien van feit 6: "slachtoffer 6", die vordert dat verdachte wordt veroordeeld aan hem te betalen een bedrag van € 226,89 aan schadevergoeding;

en voorts "benadeelde B", die vordert dat verdachte wordt veroordeeld aan hem te betalen een bedrag van € 3.645,31 aan schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 tot en met 6, telkens primair, tenlastegelegde zal worden veroor-deeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft voorts geëist dat de vordering van de benadeelde partij "A" in zijn geheel voor een bedrag van

€ 5.498,36 wordt toegewezen en dat er een schadever-goedingsmaat-regel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opge-legd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen hechte-nis.

De officier van justitie heeft voorts geëist dat de vordering van de benadeelde partij "slachtoffer 3" tot een bedrag van € 1.863,22 wordt toegewezen en dat er een schade-vergoe-dings-maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis. Voor het overige vordert de officier van justitie dat de bena-deelde partij niet-ontvanke-lijk zal worden verklaard in haar vordering.

De officier van justitie heeft voorts geëist dat de vordering van de benadeelde partij "slachtoffer 6" wordt toegewezen en dat er een schadever-goedingsmaat-regel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opge-legd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechte-nis.

De officier van justitie heeft voorts gesteld dat de vordering van de benadeelde partij "B" niet rechtstreeks voortvloeit uit (een van) de tenlastegelegde feiten. Hij vordert daarom dat de benadeelde partij niet-ontvanke-lijk zal worden verklaard in haar vorde-ring.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging ge-voerd.

3. De beslis-sing inzake het bewijs

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 4 primair (poging tot moord), 5 primair (poging tot moord) en 6 primair (poging tot moord) is tenlastege-legd en zal hem daarvan vrij-spreken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair (moord), 2 primair (moord), 3 primair (poging tot moord), 4 subsidiair (poging tot doodslag), 5 subsidiair (poging tot doodslag) en 6 subsidiair (poging tot doodslag), tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, "slachtoffer 1" van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 1" verbleef, heeft gegooid en/of tot ontploffing heeft gebracht, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans opzettelijk, "slachtoffer 2" van het leven

heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en

rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans

opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 2" verbleef, heeft gegooid en/of tot ontploffing heeft gebracht,

tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

3.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, "slachtoffer 3" van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad

en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans

opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 3" verbleef, heeft gegooid en/of tot ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, "slachtoffer 4" van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad

en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans

opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 4" verbleef, heeft gegooid en/of tot ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, "slachtoffer 5" van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad

en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans

opzettelijk, een handgranaat in een woning ("in straat X"), alwaar die

"slachtoffer 5" verbleef, heeft gegooid en/of tot ontploffing heeft gebracht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Arnhem, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, "slachtoffer 6" van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans

na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, een handgranaat in

een woning ("in straat X"), alwaar die "slachtoffer 6" verbleef, heeft gegooid en/of tot ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe-zen. Verdach-te zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de handgranaat dat uit de afgelegde verklaringen van getuige 1 en slachtoffer 4 blijkt dat verdachte wist dat het om een echte handgranaat ging. Van belang is ook dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij toen hij de klap hoorde dacht "hij doet het echt" en dat hij hoopte dat dit niet zo was. Dit impliceert immers op zijn minst dat verdachte er niet met zekerheid vanuit ging dat de handgranaat niet echt was. Voorts rept verdachte in de door hem, kort na de gepleegde feiten, gevoerde telefoongesprekken met geen woord over het feit dat hij niet zou hebben geweten dat de ontplofte handgranaat echt was.

De rechtbank is verder van oordeel dat het verdachte is geweest die de pin uit de handgranaat heeft getrokken. Verdachte heeft bij de politie zelf verklaard dat hij dat heeft gedaan, althans dat hij het wel moet zijn geweest. Daar komt bij dat de beschermbeugel van de handgranaat buiten is gevonden, terwijl bovendien de pin niet binnen is aangetroffen.

Voorts blijkt uit de verklaringen van slachtoffer 5 en slachtoffer 4, die gezien hebben dat de handgranaat door het latere slachtoffer 1 werd opgepakt, dat geen van de in het huis aanwezigen de pin uit de granaat heeft getrokken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 heeft gehandeld met voorbedachten rade. Daarbij is het volgende van belang:

- Vaststaat dat verdachte een conflict had met de latere slachtoffers 1 en 2;

- Verdachte wist, toen hij zich in de woning aan de "straat X" bevond, dat slachtoffer 1 en slachtoffer 2 naar hem op zoek waren en hield er rekening mee dat ze hem op een gegeven moment ook bij de woning aan de "straat X" zouden opzoeken;

- Verdachte droeg een handgranaat bij zich;

- Slachtoffer 6 heeft verdachte, op het moment dat duidelijk werd dat slachtoffer 2 vergezeld van slachtoffer 1 en slachtoffer 3 bij de woning aan de "straat X" was gekomen, horen zeggen: "Ik zal mijn handgranaatje even trekken";

- Slachtoffer 5, die zich eveneens in de woning aan de "straat X" bevond, heeft verklaard dat verdachte, toen hij een auto hoorde stoppen, zei: "Dat is ("voornaam slachtoffer 2"). Ik ben er niet, anders moet ik een handgranaatje naar binnen gooien".

-Tenslotte heeft getuige 2 verklaard dat zij op 2 augustus 2001 rond 15.30 uur van ("voornaam slachtoffer 2") hoorde dat verdachte in een telefoongesprek met slachtoffer 2 had gezegd: "Komen jullie allemaal maar naar mij toe. Ik heb een handgranaat. Ik maak jullie allemaal kapot".

Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte, op het moment dat slachtoffer 1, slachtoffer 2 en slachtoffer 3 de woning aan de "straat X" binnenkwamen, heeft besloten om de handgranaat tegen slachtoffer 1, slachtoffer 2 en slachtoffer 3 te gebruiken als hij door hen zou worden belaagd en/of aangevallen en dat hij, toen hij door hen werd aangevallen, naar dit besluit heeft gehandeld. Aldus heeft verdachte na een kort tevoren genomen besluit slachtoffer 1 en slachtoffer 2 van het leven beroofd door een handgranaat tot ontploffing te brengen terwijl slachtoffer 3 deze aanslag heeft overleefd.

Ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van voorbedachten rade. Het kort tevoren genomen besluit had slechts betrekking op de drie personen door wie verdachte werd belaagd. Dat verdachte de andere drie aanwezigen in zijn overwegingen heeft betrokken, is niet gebleken.

De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte, door een handgranaat in een kleine woning tot ontploffing te brengen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ook de andere in de woning aanwezige personen, te weten slachtoffer 4, slachtoffer 5 en slachtoffer 6, dodelijk zouden worden getroffen.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijs-middelen zijn vervat. Voor zover meer feiten ten laste zijn gelegd, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair telkens:

Moord,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

ten aanzien van feit 3 primair:

Poging tot moord,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

ten aanzien van feit 4 subsidiair, 5 subsidiar en 6 subsidiair telkens:

Poging tot doodslag,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Beroep op noodweer/noodweer-exces

De raadsman van verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer danwel noodweer-exces.

Verdachte bevond zich, aldus de raadsman, in een noodweersituatie toen hij in de woning aan de "straat X" door slachtoffer 2 en slachtoffer 3 werd belaagd en mishandeld. Nadat verdachte naar buiten was gevlucht en de voordeur hoorde opengaan, waaruit hij afleidde dat hij werd gevolgd, heeft hij in paniek en ter afschrikking de handgranaat richting voordeur gegooid.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. Zij is van oordeel dat op het moment dat verdachte de handgranaat gooide, er geen sprake was van een noodweersituatie. Verdachte heeft zich aan de vechtpartij die zich in de woning aan de "straat X" afspeelde weten te onttrekken. Hij is de woning uitgerend en heeft de deur achter zich dichtgetrokken. Verdachte had daarna, zelfs toen hij de voordeur open hoorde gaan en vermoedde dat het gevaar voor hem nog niet was geweken, door kunnen lopen teneinde zijn belagers verder te ontvluchten. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte in zo'n slechte conditie was dat een vluchtpoging bij voorbaat kansloos was. Dit geldt temeer nu verdachte reeds een voorsprong had.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat aan de proportionaliteitseis niet is voldaan. Het gooien en gebruiken van een handgranaat is gelet op het verwoestende en dodelijke effect van dit middel buiten alle proporties en staat in geen verhouding tot het gevaar dat verdachte kennelijk beoogde af te wenden waarbij van een levensbedreigende situatie allerminst sprake was.

Ten aanzien van het beroep op noodweer-exces overweegt de rechtbank dat verdachte al op voorhand het besluit had genomen om bij een aanval van slachtoffer 1, slachtoffer 2 en/of slachtoffer 3 de handgranaat te gebruiken. Reeds om die reden kan het verweer geen stand houden nu deze "voorbedachten rade" zich niet verhoudt met de gestelde situatie dat verdachte door een hevige gemoedsbeweging, ontstaan door de vechtpartij van daarvoor, ertoe zou zijn gekomen de handgranaat te gebruiken.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat er voor verdachte op het moment dat hij het voorwaardelijke besluit nam om bij een "aanval" de handgranaat te gebruiken, nog meerdere minder desastreuze alternatieven openstonden. Hij had bijvoorbeeld op dat moment de politie kunnen bellen, de hulp van de drie andere aanwezigen kunnen inroepen of de binnenkomst van de zich nog buiten bevindende belagers kunnen beletten. Verdachte heeft het echter laten aankomen op een situatie die uit de hand zou kunnen lopen en hij had het gebruik van zijn handgranaat daarbij reeds ingecalculeerd. Ook reeds om die reden kan een beroep op noodweer of noodweer-exces niet slagen.

Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid:

Deskundige 1 en deskundige 2, respectievelijk psycholoog en psychiater bij het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, hebben op 3 april 2002 omtrent verdachte een rapport uitge-bracht. Dit rapport houdt als conclusie in dat verdachte "ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen. Ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten was verdachte lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestesvermogens, dat deze feiten hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend".

De rechtbank verenigt zich met die conclusie en maakt die tot de hare. Hieruit volgt dat verdachte ten tijde van het bewezen feit niet (volledig) ontoerekeningsvatbaar was. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de om-stan-dighe-den waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 20 december 2001;

- het onder 5 genoemde rapport.

Verdachte heeft op 2 augustus 2001 twee personen met voorbedachte rade van het leven beroofd door in de (kleine) woning waarin zij zich op dat moment bevonden, een handgranaat naar binnen te gooien en tot ontploffing te brengen. Een derde slachtoffer heeft deze aanval ternauwernood overleefd, maar is daarbij wel zwaar gewond geraakt. Voorts heeft verdachte daarbij het leven van de drie andere aanwezigen op het spel gezet.

Met zijn welbewuste daad heeft verdachte het leven van twee jonge mensen beëindigd en dat van de andere slachtoffers en van de nabestaanden zwaar getroffen.

Verdachte heeft daarmee een van de meest fundamentele menselijke normen geschonden en een grote schok teweeggebracht in de samenleving.

De rechtbank is van oordeel dat voor afdoening van deze feiten uitsluitend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur op zijn plaats is en zal daartoe de door de officier van justitie geëiste straf overnemen.

Nu de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 "poging tot doodslag" bewezen heeft verklaard, gaat zij in zoverre boven de eis van de officier van justitie uit.

De rechtbank is echter van oordeel dat voor dergelijke ernstige feiten de op te leggen straf de enige juiste is. Een lagere straf doet onvoldoende recht aan hetgeen jegens verdachte is bewezen verklaard.

6a. De beoordeling van de civiele vorde-ringen, alsmede de

gevor-derde op-legging van de schadevergoedings-maat-regelen

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde-ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De rechtbank zal de civiele vordering van benadeelde "A" (ten aanzien van feit 2) toewijzen, nu deze vordering niet is betwist.

De rechtbank zal de civiele vordering van "slachtoffer 3" (ten aanzien van feit 3) bij wijze van voorschot toewijzen, nu deze vordering niet is betwist.

De rechtbank zal de civiele vordering van "slachtoffer 6" (ten aanzien van feit 6) bij wijze van voorschot toewijzen, nu deze vordering niet is betwist.

De rechtbank zal de benadeelde partij "B" niet-ontvankelijk verklaren in de vordering omdat de vermelde posten niet (recht-streeks) voortvloeien uit (een van) de bewezenverklaarde strafbare feiten.

Voor de toewijsbare delen van de vorderingen geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoe-dingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplich-ting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebe-drag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partijen, omdat verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Straf-recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 4 primair (poging tot moord), 5 primair (poging tot moord) en 6 primair (poging tot moord) tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlas-tegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt ver-dach-te daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de straf-bare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering wordt gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij "A" (feit 2).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan "benadeelde A", te betalen € 5.498,36 (zegge vijfduizendvierhonderd- achtennegentig euro en zesendertig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 5.498,36 subsidiair 50 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer "benadeelde A", te betalen € 5.498,36 (zegge vijfduizendvierhonderdachtennegentig euro en zesendertig eurocent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer "benadeelde A", de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij "slachtoffer 3" (feit 3).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan "slachtoffer 3", bij wijze van voorschot te betalen € 2.101,46 (zegge tweeduizend- honderdeneen euro en zesenveertig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 2.101,46, subsidiair 35 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het "slachtoffer 3", te betalen € 2.101,46, (zegge tweeduizendhonderdeneen euro en zesenveertig eurocent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het "slachtoffer 3", de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij "slachtoffer 6" (feit 6).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan "slachtoffer 6", bij wijze van voorschot te betalen € 226,89 (zegge tweehonderd- zesentwintig euro en negenentachtig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 226,89, subsidiair 4 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer "slachtoffer 6", te betalen € 226,89, (zegge tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig eurocent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer "slachtoffer 6", de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij "B".

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. H.P.M. Kester, als voorzitter,

mr. Th.P.E.E. van Groeningen, rechter,

mr. R.H. Koning, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juli 2002.