Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE4979

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-07-2002
Datum publicatie
09-07-2002
Zaaknummer
2002/81
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJK 2002, 52

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Rolnummer: 2002/81

Uitspraak : 4 juli 2002

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te W,

eiser bij dagvaardingen van 28 december 2001 en 2 januari 2002,

procureur en advocaat mr. C.W. Langereis te Arnhem,

tegen:

1. Y,

wonende te Q,

gedaagde,

procureur mr. H.M.G. van Lotringen te Ede,

advocaat mr. R.C. Vermeer te Rhenen,

2. DE OPENBARE SCHOLENGEMEENSCHAP DE DIJK,

gevestigd te Wageningen

gedaagde,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. A.T. Bolt,

beiden te Arnhem.

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 14 maart 2002. Naar aanleiding van dat tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Daarna is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

Scholengemeenschap De Dijk is in 1996 ontstaan uit een fusie van twee andere scholen, de Marijkeschool en de Westerhof school. De Marijkeschool was een school voor moeilijk en zeer moeilijk lerende kinderen.

X, geboren op 16 december 1971, is vanaf het voorjaar van 1983 of vanaf januari 1984 tot augustus 1985 leerling geweest van de voormalige Marijkeschool.

Y, geboren op 29 september 1961, is eveneens leerling geweest op de voormalige Marijkeschool. Op het moment dat X leerling was van de Marijkeschool had Y deze school als leerling al verlaten.

Na het verlaten van de school is Y sommige leraren en de conciërge nog wel regelmatig op school blijven bezoeken.

Op 29 november 2001 heeft X aangifte gedaan bij de politie te Arnhem van sexueel misbruik, gepleegd door Y gedurende de periode van (globaal) 1980 tot 1989. Naar aanleiding daarvan is Y door de politie gehoord. De processen-verbaal van de aangifte en de verhoren heeft X als productie in het geding gebracht.

Y is bij op 11 juli 2001 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank gewezen vonnis veroordeeld ter zake van het plegen van ontuchtige handelingen met X gedurende de periode van 7 mei 1986 tot en met 15 december 1987. Dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

Het geschil

X vordert:

I. te verklaren voor recht dat Y en de school hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door X geleden en nog te lijden schade,

II. Y en de school te veroordelen, met dien verstande dat indien en voor zover de één betaalt, ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, aan hem te betalen

a. een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2001 tot aan de dag der algehele voldoening,

b. een bedrag van ƒ 50.000,-- (€ 22.689,01) als voorschot op de definitief vast te stellen schadevergoeding,

III. Y en de school te veroordelen in de kosten van de procedure.

Y en de school hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op zowel de gronden van de vordering als de onderdelen van het verweer wordt hieronder nader ingegaan.

De beoordeling van het geschil

Nu de feiten die aan X' vordering ten grondslag liggen, zich hebben afgespeeld voor 1 januari 1992 en de schade als gevolg van de gestelde door de gedaagden gepleegde onrechtmatige gedragingen is ingetreden voor die datum, is ingevolge artikel 173 lid 2 Overgangswet oud recht van toepassing.

Als uitgangspunt voor de verdere behandeling heeft het volgende te gelden.

Krachtens artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering levert een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter heeft bewezenverklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dit feit. Het onrechtmatig handelen van Y tegenover X staat daarmee in deze procedure vast.

Gelet op de aard van dit onrechtmatig handelen en de kwetsbare persoon van X is het voorshands aannemelijk dat dit onrechtmatig handelen hem schade heeft berokkend.

De vragen echter of dit gebeurd is, welke schade gezien moet worden als het gevolg van Ys onrechtmatig handelen en wat de omvang van deze schade zou zijn, blijven in dit vonnis onbeantwoord gelet op de ter comparitie gemaakte afspraak tussen partijen.

Ter comparitie van 3 juni 2002 hebben de drie partijen afgesproken dat om proces-economische redenen eerst uitsluitend over een aantal min of meer principiële kwesties geoordeeld zal worden die in de procedure gevoerd tegen de school zijn opgekomen. Alle andere punten van geschil blijven vooralsnog rusten.

De hier bedoelde principiële kwesties zijn de volgende.

a. De vraag of X' vordering tegenover de school afstuit op verjaring. Door Y is overigens geen beroep gedaan op verjaring.

b. De vraag of er aan de zijde van de school sprake is van werkgeversaansprakelijkheid.

c. De vraag naar een mogelijk eigen onrechtmatig handelen van de school.

d. De vraag naar wanprestatie van de school

e. De vraag of er sprake is van een rechtmatig handelen van de school dat jegens X onevenredig veel schade heeft veroorzaakt.

Ad a De vraag of X' vordering tegenover de school afstuit op verjaring

In confesso en juist is het standpunt dat inmiddels naar de regels van de wet X' vordering verjaard is. Hierop kan Y in redelijkheid geen beroep doen, zo ziet hij ook zelf kennelijk in, nu X weliswaar lange tijd gezwegen heeft en pas in 2000 naar buiten is gekomen met zijn verhaal over het sexuele misbruik door Y, maar dit kwam doordat laatstgenoemde hem had bedreigd door onder meer te zeggen "Als je aangifte doet, komen wij alletwee achter de tralies" of woorden van soortgelijke strekking. Dat deze bedreiging, hoe ongegrond ook, grote invloed op X gehad heeft, is niet bestreden.

De bedreiging is een onderdeel van het onrechtmatig handelen en de reden om een beroep op verjaring hierop te laten afstuiten moet onder meer daarin gezocht worden, dat het effect van het onrechtmatig handelen zich laat gelden totdat het slachtoffer, in dit geval X, door te gaan praten over wat hem overkomen is, aangeeft zijn angst te hebben overwonnen.

Waar het in redelijkheid Y niet vrijstaat een beroep op verjaring te doen, staat dit naar het oordeel van de rechtbank ook de school aangesproken als werkgever niet vrij. Zowel immers als de grond van de werkgeversaansprakelijkheid gezocht moet worden in schuld bij de werkgever als wanneer als doel van de aansprakelijkstelling alleen wordt gezien het verschaffen van meer verhaal aan de door de ondergeschikte gelaedeerde, is het niet redelijk de door deze ondergeschikte ingeboezemde angst in het voordeel van de werkgever te laten werken door een beroep op verjaring door hem wél toelaatbaar te achten.

De volgende vraag is of de school aangesproken uit eigen onrechtmatige of rechtmatige daad zich op verjaring kan beroepen. Naar het oordeel van de rechtbank verzetten redelijkheid en billijkheid zich ook hier tegen. Een eigen daad van de school zal haar schadeplichtig (kunnen) maken als zij Y de kans had geboden tot zijn onrechtmatig handelen. Wanneer zoals hierboven overwogen is, het oproepen van angst deel uitmaakt van dit onrechtmatig handelen van Y, althans onlosmakelijk hiermee verbonden is, dan geldt hier hetzelfde als in verband met verjaring tegenover de school als werkgever werd overwogen.

Ad b De vraag of er aan de zijde van de school sprake is van werkgeversaansprakelijkheid

Op grond van de stukken en het ter comparitie verklaarde, kan de situatie waarin X Y op de school tegenkwam, als volgt geschetst worden. Y bezocht met enige regelmaat zijn vroegere school. Hij zocht daar leraren op en - later - ook de conciërge. Bij de leraren woonde hij gedeelten van de les bij, ook praatte hij wat met hen. De Conciërge liet hem ook wel klusjes doen. Hierbij was hij regelmatig bij de school, op plaatsen waar leerlingen kwamen, aanwezig. Wezenlijk is hierin dat Y uit eigen initiatief op school rondliep, waarbij het kennelijk van de omstandigheden afhing wat hij daar deed; contact met de conciërge kon tot het doen van klusjes leiden.

Vooralsnog is niet duidelijk of X Y op school heeft kunnen ontmoeten in de tijd dat eerstgenoemde daar leerling was en laatstgenoemde klusjes voor de conciërge deed. Het ter comparitie verklaarde lijkt dit bijna uit te sluiten en bij de politie heeft Y verklaard (op 25 april 2001):"Ik heb die Tonny ook op die school leren kennen maar ook gewoon volgens mij langs de weg."

De rechtbank ziet hier echter geen aanleiding voor een bewijsopdracht aan X, omdat zij de vraag of de school als werkgever naast Y aansprakelijk kan worden gesteld, ontkennend beantwoordt.

Aangenomen kan worden dat er sprake was van een zekere ondergeschiktheid van Y tegenover de conciërge; deze droeg hem klusjes op en gaf daarbij aanwijzingen.

Kan er echter incidenteel al sprake zijn geweest van door de conciërge (of zelfs de school) opgedragen werk, dan is dit toch steeds in een situatie geweest waarin Y kennelijk op eigen initiatief en zonder afspraak op school langs kwam en daar wat rondhing, waarbij de kans bestond dat hij een of ander klusje te doen kreeg.

Dit doen van klusjes heeft op zichzelf niet méér dan het langskomen op school en het rondkijken in klassen en praten met leraren de kans geboden aan Y om in contact te komen met X. Met andere woorden: al aangenomen dat er klusjes door Y zijn verricht toen X op de Marijkeschool zat, zijn het niet deze werkzaamheden geweest waardoor beiden met elkaar in contact kwamen, maar was dat alleen Ys aanwezigheid op de school. Het doen van klusjes heeft de kans op de foute gedragingen noch geschapen noch vergroot.

Ad c. De vraag naar een mogelijk eigen onrechtmatig handelen van de school

X betoogt dat de school omdat zij Y zonder grondig voorafgaand antecedentenonderzoek op school liet rondlopen en daardoor de gelegenheid bood in contact te komen met zijn latere slachtoffer(s) tegenover X onrechtmatig handelde.

De school heeft hierop het volgende betoogd. Bij haar bestaat de mogelijkheid voor oud-leerlingen - vaak kwetsbare personen die de school als een veilige plek hebben leren kennen en daar nog contacten hebben - om op school langs te komen en als daarvoor de gelegenheid is, een praatje te maken met een leraar, een deel van een les bij te wonen, of, zoals in Ys geval, een praatje te maken met de conciërge en dan enkele klusjes te verrichten. De school is ervan overtuigd dat zij voldoende deed om haar leerlingen te beschermen, en zij heeft nooit aanleiding gezien om haar controle te verscherpen, laat staan uit te breiden tot wat er zich buiten de school tussen (oud-)leerlingen afspeelde.

De rechtbank oordeelt op dit punt als volgt.

Het moet de school, gelet op het soort onderwijs dat zij geeft, vrij staan oud-leerlingen de mogelijkheid te bieden op de hier omschreven wijze af en toe voor een bezoekje terug te keren naar hun oude school zonder dat dit beleid de school verplicht ten aanzien van al die oud-leerlingen een grondig antecedenten-onderzoek uit te voeren. Dit zou het hier bedoelde beleid van de school illusoir

- want vrijwel onuitvoerbaar - maken, maar bovendien is een algemeen antecedentenonderzoek niet nodig omdat het gaat om een beperkte gemeenschap, waarin docenten en staf de leerlingen en oud-leerlingen kennen en bezoek bovendien - naar onweersproken is aangegeven ter comparitie - nooit plaatsvond zonder aanmelding bij personeel, dat vervolgens het verloop van het bezoek plande. Dat zowel de leerlingen als de oud-leerlingen kwetsbare, 'moeilijke' personen zijn - overigens ook de reden voor de school om deze opvang mogelijk te maken - verandert daaraan niets.

Anderzijds dient een school als deze, zodra haar waarschuwingen of aanwijzingen voor het kunnen ontstaan van misstanden, gelet op de hoge mate van kwetsbaarheid van haar leerlingen, maatregelen te nemen.

X voert niet aan dat er zich concrete gebeurtenissen hebben voorgedaan die de school tot nader onderzoek, hetzij in het algemeen, hetzij gericht op de persoon van Y, hadden moeten brengen. Hij betoogt slechts dat de school in het algemeen de antecedenten van wie op haar terrein komen, moet nagaan, welk betoog hierboven is verworpen. Gelet op het voorgaande is dit onvoldoende om tot de conclusie te kunnen leiden dat de school onrechtmatig gehandeld zou hebben. Zou X betoogd hebben - quod non - dat er zich concrete gebeurtenissen hebben voorgedaan die de school hadden moeten waarschuwen, dan zou dit anders zijn geweest en zou hij tot het bewijs van deze gebeurtenissen zijn toegelaten.

Ad d. De vraag naar wanprestatie van de school

Aangezien aan X betoog op dit punt hetzelfde ten grondslag ligt als aan zijn betoog over onrechtmatig handelen van de school zelf, zoals hierboven behandeld, verwerpt de rechtbank X' betoog op dit punt onder verwijzing naar het voorgaande.

Ad e. De vraag of er sprake is van een rechtmatig handelen van de school dat jegens X onevenredig veel schade heeft veroorzaakt

X sluit aan bij rechtspraak zoals HR 30 maart 2001, RvdW 2001, 71, waarin, kort gezegd, is uitgemaakt dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat het onrechtmatig kan zijn schadevergoeding achterwege te laten als door een overigens rechtmatig overheidshandelen of -besluit een beperkte groep onevenredig nadeel wordt toegebracht.

Deze regel mist hier naar het oordeel van de rechtbank toepassing.

Daargelaten dat de rechtbank niet zonder meer een school die haar eigen leerlingen gelijkelijk moet behandelen, gelijkstelt met overheidsorganen als de staat, de provincies en de politie, die het gelijkheidsbeginsel moeten eerbiedigen tegenover een territoriaal bepaalde groep burgers, is er ook geen rechtmatig handelen van de school aanwijsbaar dat X onevenredig zou hebben benadeeld. Uit X' eigen betoog volgt immers - en dat dit onjuist zou zijn is niet gebleken - dat het van tweeën één is: of de school voerde een juist beleid ten aanzien van het toelaten van bezoekers en dit juiste beleid liet ruimte voor het passeren van een risico-geval, of de school voerde geen juist beleid en dan zou zij onrechtmatig hebben gehandeld. Dit laatste is reeds weerlegd.

Dat een juist beleid enig risico inhoudt, wil echter niet zeggen dat het beleid zelf een individu of groep individuen onevenredig nadeel berokkent, met andere woorden, dat het weliswaar juist is, maar bepaalde individuen treft. Het beleid treft niet het individu X, maar het risico dat het beleid meebrengt, heeft zich toevallig tegenover hem gerealiseerd. Dat is iets anders, hoewel het natuurlijk even betreurenswaardig is.

De conclusie is dat de vorderingen van X tegen de school moeten worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal X de kosten van de procedure tegen de school moeten dragen. Voor het overige wordt iedere verdere beslissing aangehouden. De zaak zal weer naar de rol worden verwezen om X en Y de gelegenheid te geven zich bij akte uit te laten over de verdere gang van zaken. Gelet op de tijdens de comparitie gemaakte afspraken zal X met name hebben aan te geven of hij tegen Y wil doorprocederen of eerst een eventueel hoger beroep tegen dit vonnis - voor zover gewezen tegen de school - wil afwachten.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van X tegen Scholengemeenschap De Dijk af,

veroordeelt X in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Scholengemeenschap De Dijk bepaald op € 431,-- wegens vast recht en op

€ 780,50 voor salaris van de procureur,

verwijst de zaak naar de rolzitting van 15 augustus 2002 voor het door X en Y bij akte verschaffen van de hiervoor bedoelde informatie,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2002.

De griffier: de rechter:

Coll.: