Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE3912

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-06-2002
Datum publicatie
11-06-2002
Zaaknummer
31955 / HA ZA 98-31
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak/rolnummer: 31955 / HA ZA 98-31

Datum uitspraak: 6 juni 2002

Vonnis

in de zaak van

M,

wonende te Z,

eiser,

procureur mr. J.M. Bosnak te Arnhem,

advocaat voorheen mr. H.W. Lijftogt, thans mr. W.D. Kweekel te Utrecht,

tegen

PROF. X,

wonende te Q,

gedaagde,

procureur voorheen mr. F.J. Perquin, thans mr. J.T.M. Palstra,

advocaat mr. F.B.J.P. Rikmenspoel,

beiden te Nijmegen.

Het verloop van de procedure

(****)

De verdere beoordeling van het geschil

1. (****)

2. Zoals in het tussenvonnis van 8 april 1999 is overwogen dient de vraag te worden beantwoord welke informatie een redelijk handelend en redelijk deskundig oogarts in het geval van M, mede gezien diens medisch verleden terzake, aan de patiënt behoorde te verschaffen, opdat de patiënt kon beslissen al dan niet toestemming te geven voor de beoogde ingreep. Tevens moest worden onderzocht of de ingreep al dan niet naar de regels van de kunst is verricht. Met het oog hierop is een aantal vragen ter beantwoording voorgelegd aan de oogartsen Keunen en Trap.

(****)

6. Blijkens het antwoord van de deskundigen op vraag 1, inzake de informatieplicht van Prof. X, bestaan volgens hen bij iedere inwendige oogoperatie naast de algemene ook bijzondere, specifiek aan de betrokken ingreep verbonden risico's. In het geval van M gold als specifiek risico, gelet op de aard van de ingreep (waarbij zijn medisch verleden er niet toe doet):

"… het loslaten van een claw lens pootje (al dan niet gepaard met decentratie en in dat geval al dan niet met hinderlijke schitter en reflectie effecten), al dan niet gepaard met een aanraken van het lenspootje en/of iris van het hoornvlies, al dan niet gepaard met vocht in de gele vlek van het netvlies en of een secundaire netvliesloslating). …".

Volgens de deskundigen is de ernst van het loslaten van het lenspootje wisselend:

"… meestal ontstaat na het vastzetten geen recidief loslating van het pootje en ontstaan geen verdere complicaties. Het is ons bekend dat in zeldzame gevallen alsnog ernstige complicaties kunnen ontstaat na het opnieuw vastzetten van het lenspootje. …".

Deze risico's van de ingreep waren volgens de deskundigen vóór 1994 niet in een percentage omschreven en deden zich zelden voor (zeker indien uitgevoerd door een zeer ervaren operateur als Prof. X in 1993 was). Daarom komen zij tot de conclusie dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts de patiënt daarop niet behoefde te wijzen.

Toegespitst op het geval van M vermelden de deskundigen nog:

"Ad a. Een redelijk bekwaam en redelijk handelend oogarts kon voorafgaande aan de ingreep niet tot de conclusie komen dat er bij M speciale reden was om te vermoeden dat het resultaat tegen zou vallen en kon een redelijk bekwaam en redelijk handelend oogarts adviseren tot de betreffende ingreep.

Ad b. Het in te schatten risico bij een ingreep als de onderhavige op reacties van het oog die kunnen leiden tot visusvermindering kan niet in een percentage worden uitgedrukt. De specifieke risico's van dit type operatie waren destijds niet in de literatuur in een percentage bekend. …"

7. Mede gezien de door de deskundigen beschreven, ook in 1993 bekende specifieke risico's van de ingreep is de rechtbank echter, anders dan de deskundigen, van oordeel dat Prof. X M hierop vooraf wél had moeten wijzen, ook al verwezenlijkten deze risico's zich zelden en konden zij niet door middel van een (met wetenschappelijk onderzoek onderbouwd) percentage worden benoemd. Het is voor de onderhavige kwestie naar het oordeel van de rechtbank niet van belang dat het medisch verleden van M de kans op complicaties niet vergrootte, dat de risico's gering waren en dat - daarom - abstract beschouwd een redelijk bekwaam en redelijk handelend oogarts kon en mocht adviseren tot het ondergaan van de ingreep. Van doorslaggevende betekenis is dat M zich aan Prof. X nadrukkelijk heeft gepresenteerd als een patiënt die zich vooraf volledig op de hoogte wilde laten brengen van alle aan de ingreep verbonden risico's. Een ingreep immers die medisch niet noodzakelijk was - M zag immers met bril goed, maar wilde slechts van zijn zware (waarmee op het gewicht wordt gedoeld) bril af - en waarmee M kennelijk en begrijpelijkerwijs niet het risico wilde lopen er slechter van te worden. Prof. X heeft hierover bij dupliek (nr. 2.4) zelf gesteld dat M langer en vaker dan "gemiddeld" vragen aan hem heeft gesteld over de behandeling. Uit de eigen stellingen van Prof. X (met name bij antwoord, nrs. 3.2, 3.3, 4.3 t/m 4.5) volgt dat hij ermee bekend was dat de kunstlens te strak of te los op de iris zou kunnen worden geplaatst, waardoor (op zijn minst) een nadere ingreep noodzakelijk zou zijn (waaraan, zo leert het deskundigenbericht, allerlei risico's waren verbonden), maar dat hij deze mogelijkheid niet vooraf met M heeft besproken. Dat had hij echter, ongeacht zijn ruime (positieve) ervaring met het plaatsen van kunstlenzen en zijn vertrouwen in een goede afloop, in de gegeven omstandigheden wel moeten doen. Prof. X is derhalve tegen de achtergrond van de door M geuite behoefte die voortkwam uit het karakter van de ingreep jegens hem tekortgeschoten in de nakoming van de informatieplicht die op grond van de geneeskundige behandelovereenkomst op hem rustte.

8. Vervolgens dient zich de vraag aan naar het causaal verband tussen de gebrekkige informatieverstrekking door Prof. X en de schade aan de gezondheid van M in verband met de opgetreden complicaties. Voor het aannemen daarvan dient M zijn stelling te bewijzen dat hij niet voor het ondergaan van de ingreep zou hebben gekozen indien hij wél voldoende door Prof. X was voorgelicht (art. 177 (oud) Rv; HR 23 november 2001, RvdW 2001, 188). M heeft deze stelling onderbouwd met het volgende. Hij kon goed leven met zijn "handicap": hij had een goed gezichtsvermogen dankzij zijn zware bril. Van die zware bril wilde hij op zichzelf wel af - daarom heeft hij zich tot Prof. X gewend - , maar onder geen enkele voorwaarde wilde hij zijn goede gezichtsvermogen in de waagschaal stellen. Daarom heeft hij herhaaldelijk geïnformeerd naar de risico's van de operatie en heeft hij de tijd genomen om zich daarover te beraden. Omdat Prof. X M voorhield dat er "geen noemenswaardig risico" aan de operatie was verbonden, waartoe Prof. X het risico van de operatie heeft vergeleken met een autorit van Nijmegen naar Veenendaal, en hij volgens Prof. X niet voor achteruitgang van zijn visus hoefde te vrezen heeft M besloten tot het ondergaan van de ingreep. Bij pleidooi heeft M hieraan nog toegevoegd dat hij vertrouwen had in Prof. X, immers een professor, die (in tegenstelling tot zijn eigen oogarts Pameijer) grote ervaring had met het plaatsen van kunstlenzen, alsmede dat hij Prof. X herhaaldelijk heeft gevraagd naar de risico's "omdat hij niets over het hoofd wilde zien". Prof. X heeft daartegenover volstaan met de enkele stelling dat M als redelijk handelend patiënt ook voor de betreffende operatie zou hebben gekozen als hij geïnformeerd zou zijn over de kleine risico's op complicaties. Daarmee heeft hij de stelling van M onvoldoende gemotiveerd betwist. Prof. X gaat eraan voorbij dat M in casu niet kan worden vergeleken met een redelijk handelend patiënt die zich geplaatst ziet voor de vraag of hij zich aan een medische ingreep zal onderwerpen voor een aandoening die zonder ingrijpen gevolgen heeft of kan hebben voor zijn gezondheid. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de situatie van M zo was dat hij zonder gevolgen voor zijn gezondheid in casu zijn visus van de ingreep af had kunnen zien en dat hij mede met het oog daarop meer dan gemiddeld over de risico's geïnformeerd wilde zijn. Op grond van het voorgaande wordt als vaststaand aangenomen dat M zou hebben afgezien van de operatie als hij tevoren op de (kleine) specifieke risico's ervan was gewezen. Het zo-even genoemde causaal verband tussen de gebrekkige informatieverstrekking en de schade aan de gezondheid van M in verband met de opgetreden complicaties is daarmee gegeven.

(****)