Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE3406

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-05-2002
Datum publicatie
30-05-2002
Zaaknummer
Reg.nr. AWB 00/1135 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft haar werkzaamheden als schoonmaakster voor 38 uur per week op 12 januari 1999 gestaakt. Ter zitting is namens eiseres aangevoerd dat dit verband hield met rugklachten. Met ingang van 2 februari 1999 genoot eiseres een uitkering ingevolge artikel 29a, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) in verband met haar bevalling. Na de bevalling op 11 maart 1999 traden de rugklachten naar de achtergrond. Op 28 april 1999 is bij eiseres acute lymfatische leukemie geconstateerd zonder dat dit vooraf is gegaan door duidelijke symptomen. Per 25 mei 1999 is de uitkering ex artikel 29a, eerste lid, van de ZW geëindigd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat op grond van artikel 19 van de WAO, aan eiseres na een periode van arbeidsongeschiktheid van 52 weken, met ingang van 11 januari 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering moet worden toegekend. Daarbij is aangegeven dat eiseres gedurende haar zwangerschapsverlof (2 februari 1999 tot 25 mei 1999) nog steeds arbeidsongeschikt was ingevolge de -niet zwangerschapsgerelateerde- klachten waarmee ze is uitgevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr. AWB 00/1135 WAO

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A , wonende te B, eiseres,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 21 juni 2000, uitgereikt door UWV Cadans te Zeist

2. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2000 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij, na het verstrijken van de wachttijd van 52 weken, met ingang van 11 januari 2000 recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Namens eiseres is tegen dit besluit bij brief van 12 april 2000 bezwaar gemaakt, welk bezwaar op 30 mei 2000 is aangevuld met nadere gronden.

Bij het in rubriek 1 genoemde besluit zijn de bezwaren van eiseres, uitsluitend gericht tegen de ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, ongegrond verklaard.

Namens eiseres is tegen dit besluit bij brief van 22 juni 2000 -aangevuld bij brief van 28 juni 2000- beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 20 juli 2000 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 29 maart 2002, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen. Verweerder heeft zich -zoals tevoren bericht- niet doen vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Bij Koninklijk Besluit van 13 december 2001 (Stb. 2001, 682) is met ingang van 1 januari 2002 de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: de Invoeringswet) en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. De Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 is op grond van artikel 2 van de Invoeringswet, voor zover hier van belang, per die datum ingetrokken. In artikel 9, tweede lid, van de Invoeringswet is bepaald dat een besluit dat door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) of namens dit instituut door een uitvoeringsinstelling is genomen, geldt als een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Invoeringswet, voor zover hier van belang, treedt het UWV in bestuursrechtelijke gedingen waarin het Lisv partij is in zijn plaats.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Eiseres heeft haar werkzaamheden als schoonmaakster voor 38 uur per week op 12 januari 1999 gestaakt. Ter zitting is namens eiseres aangevoerd dat dit verband hield met rugklachten. Met ingang van 2 februari 1999 genoot eiseres een uitkering ingevolge artikel 29a, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) in verband met haar bevalling. Na de bevalling op 11 maart 1999 traden de rugklachten naar de achtergrond. Op 28 april 1999 is bij eiseres acute lymfatische leukemie geconstateerd zonder dat dit vooraf is gegaan door duidelijke symptomen. Per 25 mei 1999 is de uitkering ex artikel 29a, eerste lid, van de ZW geëindigd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat op grond van artikel 19 van de WAO, aan eiseres na een periode van arbeidsongeschiktheid van 52 weken, met ingang van 11 januari 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering moet worden toegekend. Daarbij is aangegeven dat eiseres gedurende haar zwangerschapsverlof (2 februari 1999 tot 25 mei 1999) nog steeds arbeidsongeschikt was ingevolge de -niet zwangerschapsgerelateerde- klachten waarmee ze is uitgevallen.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder de wachttijd zoals opgenomen in artikel 19 van de WAO onjuist heeft berekend, door de periode waarin ze een bevallingsuitkering heeft ontvangen, mee te tellen in de wachttijd. Daarbij beroept eiseres zich op het arrest van het Europese Hof van Justitie (hierna: het Europese Hof) in de zaak van Mary Brown vs Rentokil Ltd van 30 juni 1998 (gepubliceerd in NJ 1999/476 en JAR 1998/198). Eiseres heeft betoogd dat de gevolgen van het Mary Brown-arrest, waarin een arbeidsrechtelijk geschil aan de orde was, dienen te worden doorgetrokken naar het sociale zekerheidsrecht.

Verweerder acht het door eiseres aangehaalde arrest niet van toepassing op de sociale zekerheidssfeer, aangezien de zaak van Mary Brown een arbeidsrechtelijk geschil betreft.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is aldus in geschil of verweerder de ingangsdatum van de aan eiseres toegekende de WAO-uitkering terecht heeft vastgesteld op 11 januari 2000.

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of eiseres een procesbelang heeft bij het door haar ingestelde beroep. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Eiseres heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld omdat zij van mening is dat haar uitkering ingevolge de WAO op een te vroeg moment is ingegaan, doordat verweerder de perioden waarover zij een uitkering ex artikel 29a van de ZW heeft ontvangen in aanmerking heeft genomen bij de berekening van de 52-wekentermijn in het kader van artikel 19 van de WAO. Dit betekent dat ook het einde van de maximale duur van de loongerelateerde uitkering eerder wordt bereikt. Daardoor komt het tijdstip waarop deze uitkering overgaat of zou kunnen overgaan in het minder gunstige regiem van de vervolguitkering eerder in zicht. Door het meetellen van genoemde perioden heeft eiseres zicht gekregen op een loongerelateerde uitkering waarvan de uiterste datum eerder wordt bereikt, hetgeen als relevant procesbelang kan worden aangemerkt.

In artikel 19 van de WAO is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald.

"1. De verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, heeft, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt (...).

2. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het vorige lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

3. (...).

4. (...).

5. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in de vorige leden, worden steeds in aanmerking genomen de tijdvakken, gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de Ziektewet.

6. (...)."

Ingevolge artikel 29a, eerste lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde in verband met haar bevalling recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon gedurende ten minste zestien weken. Het vijfde lid van artikel 29a van de ZW bepaalt over welke periode dit ziekengeld in verband met de bevalling wordt uitgekeerd.

Ingevolge bovengeciteerd wettelijk kader dienen (althans volgens verweerder) perioden waarin een vrouw krachtens artikel 29a, eerste en vijfde lid, van de ZW ziekengeld in verband met haar bevalling heeft ontvangen meegeteld te worden voor de berekening van de 52-weken-termijn van artikel 19 van de WAO.

Artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn 79/7/EEG betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (hierna te noemen: EG-Richtlijn 79/7) bepaalt dat het beginsel van gelijke behandeling inhoudt dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten. Dit artikel verbiedt een beperking in de duur van het recht op de prestaties op grond van het geslacht van de betrokkene.

Zoals hierboven reeds vermeld beroept eiseres zich op het op 30 juni 1998 door het Europese Hof gewezen Mary Brown-arrest. Dit arrest handelt onder meer over de toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn 76/207/EEG van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (hierna te noemen: Richtlijn 76/207). Aan dit arrest ligt het ontslag van een zwangere werkneemster (Mary Brown) ten grondslag. Gedurende en na haar zwangerschap is deze werkneemster herhaaldelijk ziek geweest. Op grond van een clausule in haar arbeidscontract, dat bij ziekte van meer dan 26 weken ontslag volgt, is zij vervolgens ontslagen. Het Europese Hof verwijst naar zijn rechtspraak inhoudende dat het ontslag van een werknemer wegens zwangerschap of wegens een voornamelijk op die toestand gebaseerde reden alleen vrouwen treft en daarom een rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht vormt. Voorts noemt het Europese Hof de richtlijn ter bescherming van de gezondheid van zwangere werkneemsters, welke richtlijn ontslag tijdens zwangerschapsverlof verbiedt. Uit deze regels vloeit naar het oordeel van het Europese Hof voort dat ook een ontslag wegens afwezigheid tijdens de zwangerschap door ziekte samenhangend met de zwangerschap niet toelaatbaar is. Voor zover ziektes die hun oorsprong vinden in zwangerschap of bevalling na afloop van het zwangerschapsverlof nog voortduren, vallen zij wel onder de gewone ziekteregeling. Voorgaande betekent tevens dat perioden van ziekte tijdens zwangerschap en daardoor veroorzaakt niet in aanmerking mogen worden genomen voor de berekening van de periode die naar nationaal recht ontslag wegens ziekte rechtvaardigt. Het maakt hierbij geen verschil of een contractuele bepaling in de arbeidsovereenkomst, zoals in onderhavig geval, anders bepaalt, aldus het Europese Hof.

Hoewel verweerder terecht opmerkt dat het Mary Brown-arrest een arbeidsrechtelijk geschil betreft, is evenwel de teneur van voornoemd arrest, dat ingevolge vaste jurisprudentie van het Europese Hof de situatie van zwangere en net bevallen werkneemsters tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet zonder meer mag worden gelijkgesteld aan de situatie van zieke werknemers en werkneemsters, die eenzelfde periode arbeidsongeschikt zijn. Volgens het Europese Hof levert dit een ontoelaatbare discriminatie van (zwangere) vrouwen op.

Thans komt de rechtbank toe aan de vraag of de gelijkstelling van ziekte en zwangerschap in het onderhavige geval leidt tot een ontoelaatbare discriminatie van vrouwen.

De rechtbank is van oordeel dat het zonder meer gelijkstellen van bevallingsverlof met ziekte leidt tot discriminatie omdat daardoor ongelijke gevallen gelijk worden behandeld. Een vrouwelijke werknemer wordt in deze periode automatisch als ziek aangemerkt. Daardoor wordt een zwangere en in beginsel niet zieke vrouw gelijk behandeld als een zieke man en een zieke niet-zwangere vrouw. Dit betekent, dat de periode gedurende welke eiseres ziekengeld in verband met bevalling ex artikel 29a, eerste en vijfde lid, van de ZW heeft ontvangen in beginsel niet mag worden meegeteld bij de berekening van de 52-weken-termijn van artikel 19 van de WAO.

Bij dit oordeel heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de periode waarin de vrouw bevallingsverlof heeft genoten ingevolge de op 1 december 2001 in werking getreden wet Arbeid en Zorg niet langer meer in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de 52-weken termijn als bedoeld in artikel 19 van de WAO. Daarbij heeft de wetgever, juist onder verwijzing naar - onder meer - het Mary Brown-arrest, overwogen dat het, gelet op het doel van de arbeidsongeschiktheidsregelingen niet goed is te motiveren dat een periode waarin een zwangerschaps- of bevallingsuitkering is ontvangen meetelt voor de wachttermijn. De zwangerschaps- of bevallingsuitkering, die overigens in de wetsvoorstellen uit de ZW wordt gelicht en als een aparte, zelfstandige "uitkering" in de Wet Arbeid en Zorg wordt opgenomen, is verbonden aan een verlofrecht. Er hoeft geen sprake te zijn van eventuele medische arbeidsongeschiktheid, aldus de wetgever (kamerstukken 1999-2000, 27 208, nr. 5, pag. 9).

De rechtbank is echter, met verweerder, van oordeel dat het meetellen van de periode van bevallingsverlof bij de berekening van de 52-weken termijn niet in strijd is met vorengenoemd artikel 4 voorzover vaststaat dat eiseres, gedurende de periode waarin zij recht had op zwangerschapsuitkering ex artikel 29a, eerste lid, van de ZW, tevens op grond van niet zwangerschapsgerelateerde klachten (doorlopend) arbeidsongeschikt is geweest. Verweerders stelling dat dit bij eiseres gedurende het gehele bevallingsverlof het geval is geweest is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd. De rechtbank heeft uit hetgeen de gemachtigde van eiseres ter ziting heeft meegedeeld opgemaakt dat de oorspronkelijke uitval te maken had met rugklachten die na de bevalling zijn verdwenen. Vervolgens ontstonden de klachten als gevolg van leukemie. De rechtbank acht tenslotte wel aannemelijk dat er in ieder geval sedert 28 april 1999 sprake is van niet-zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid op grond van de geconstateerde leukemie zodat het meetellen van de periode van 28 april 1999 tot 25 mei 1999 bij de berekening van de 52-weken termijn niet in strijd is met artikel 4, eerste lid, van de EG-richtlijn 79/7.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op, dat een eventuele (al dan niet zwangerschapsgerelateerde) arbeidsongeschiktheid van een werkneemster voorafgaand of ná het bevallingsverlof onder dezelfde voorwaarden in aanmerking kan worden genomen als de afwezigheid van een werknemer of (niet zwangere) werkneemster wegens een arbeidsongeschiktheid van dezelfde duur. Meetelling van deze perioden van afwezigheid bij de berekening van de 52-weken-termijn van artikel 19 van de WAO leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot strijd met artikel 4, eerste lid, EG-Richtlijn 79/7.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep van eiseres gegrond te worden verklaard. Verweerder dient een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van rechtshulp, wegens indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting. Van andere voor vergoeding in aanmerking te brengen kosten is de rechtbank niet gebleken.

Verweerder dient voorts, gelet op artikel 8:74 van de Awb het door eiseres betaalde griffierecht ad € 27,23.- te vergoeden.

Het namens eiseres gedane verzoek tot vergoeding van de schade dient te worden afgewezen, reeds omdat pas beoordeeld kan worden of sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schade na nadere besluitvorming door verweerder.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, groot € 644,-;

wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 27,23.- vergoedt;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als voorzitter, mrs. D.J. Post en P.E.M. Messer-Dinnissen als rechters en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2002 in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens als griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto artikel 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.