Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE1792

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-01-2002
Datum publicatie
26-04-2002
Zaaknummer
AWB 00/327 OSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Administrateur van bedrijfspensioenfonds is ter zake van de vaststelling van verplichte deelname aan bedrijfspensioenfonds aan te merken als bestuursorgaan.

Mededeling aan eiseres (technisch handelsbureau) dat naar aanleiding van een werkingssfeeronderzoek is geconcludeerd dat eiseres ressorteert onder het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal- en Technische bedrijfstakken en dat een verplichting tot deelneming bestaat.

Verweerder is met betrekking tot haar mededeling aan eiseres opgetreden als administrateur van dit bedrijfspensioenfonds. Verweerder dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een verlengstuk van het bedrijfspensioenfonds en is dientengevolge ook te beschouwen als een administratief orgaan, welke (mede) de publieke taak van dit pensioenfonds vervult (de rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1999, NJ 2000/8). Een beslissing van verweerder heeft in die zin dan ook te gelden als ware het een beslissing van het bedrijfspensioenfonds zelf. Ten tijde hier in geding gold de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (wet van 17 maart 1949, Stb 121, hierna: Wet Bpf). Ten aanzien van de Metaal- en Technische bedrijfstakken heeft de minister gebruik gemaakt van de bevoegdheid ingevolge art. 3 Wet Bpf om het deelnemen in het bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen. Hoewel zulks niet expliciet in de Wet Bpf is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat de uitvoering van de door de minister uitgesproken verplichtstelling berust bij het betreffende bedrijfspensioenfonds. Daar waar premie in zijn algemeenheid een klassieke contraprestatie kan worden genoemd voor de te verlenen dekking (risico-overdracht) door een verzekeraar (waaronder het bedrijfspensioenfonds), waardoor een geschil over de (hoogte van) de premiebetaling in zijn natuur als privaatrechtelijk moet worden aangemerkt, dient te worden geoordeeld dat het bedrijfspensioenfonds, waar zij (door middel van een werkingssfeeronderzoek) vaststelt of al dan niet feitelijk een verplichte deelname bestaat, haar bevoegdheid ontleent aan eerdergenoemde Wet Bpf.

Het bedrijfspensioenfonds, en daarmee verweerder is, bij zulk een vaststelling met enig openbaar gezag bekleed en dient te worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1, eerste lid, onder b, Awb.

Verweerder heeft dit ten onrechte niet onderkend.

Stichting MN Services, verweerder.

mr. W.F. Bijloo

Awb 1:1.1, 1:3.1

Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds 3

Ministeriële Beschikking van 31 december 1969

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:1, geldigheid: 2002-01-07
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2002-01-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 00/327 OSV

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Technisch Handelsbureau en Armaturenfabriek Walfrega BV, statutair gevestigd te Elst, eiseres,

en

Stichting MN Services, statutair gevestigd te ‘s-Gravenhage, verweerder.

Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 12 januari 2000.

2. Procesverloop

Verweerder heeft bij schrijven van 23 april 1999 aan eiseres medegedeeld dat naar aanleiding van een door verweerder uitgevoerd werkingssfeeronderzoek is geconcludeerd dat eiseres ressorteert onder het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal- en Technische bedrijfstakken. Gelet op de door eiseres ontplooide bedrijfsactiviteiten bestaat er naar het oordeel van verweerder een verplichting tot deelneming conform de Ministeriële Beschikking van 31 december 1969, gewijzigd op 23 december 1985, welke verplichte deelneming eveneens is vastgelegd in de (algemeen verbindend verklaarde) collectieve arbeidsovereenkomst voor de Metaal- en Technische bedrijfstakken.

Tegen dit oordeel heeft eiseres bij bezwaarschrift van 2 juni 1999 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 12 januari 2000 heeft verweerder haar standpunt met betrekking tot de verplichte deelneming gehandhaafd, evenals de in dit verband ambtshalve opgelegde premieheffing.

Tegen dit schrijven heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, namens eiseres bij beroepschrift van 18 februari 2000 beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij aanvullend beroepschrift van 20 maart 2000.

Bij verweerschrift van 20 april 2000 is namens verweerder van verweer gediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 november 2001, waar namens eiseres is verschenen mr. Bemelmans, voornoemd. Verweerder heeft zich doen laten vertegenwoordigen door mr. R.A.A. Duk, advocaat te ’s-Gravenhage.

3. Overwegingen

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende slechts tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Op voet van artikel 1:3, eerste lid van de Awb moet onder een besluit worden verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Onder een bestuursorgaan moet ingevolge het bepaalde in artikel 1:1, eerste lid van de Awb worden verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld;

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet krachtens het publiekrecht is ingesteld en evenmin met enig openbaar gezag is bekleed. Dientengevolge is verweerder van mening dat zij niet kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan in vorenbedoelde zin, zodat van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb geen sprake kan zijn. Dit klemt te meer -zo stelt verweerder- indien wordt bedacht dat de brief aan eiseres slechts een informatief karakter heeft en niet is gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg. Verweerder is dan ook van oordeel dat eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep.

De rechtbank overweegt dienaangaande het navolgende.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van de Awb. In dit verband stelt de rechtbank vast dat verweerder is opgericht als een stichting naar burgerlijk recht en dientengevolge niet kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder a van de Awb. Met betrekking tot het antwoord op de vraag of verweerder kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder b van de Awb, merkt de rechtbank evenwel het navolgende op.

Vooreerst stelt de rechtbank vast dat uit het namens eiseres ingediende beroepschrift kan worden afgeleid dat (slechts) wordt opgekomen tegen het standpunt van verweerder dat eiseres ressorteert onder het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal- en Technische bedrijfstakken.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder met betrekking tot haar mededeling aan eiseres aangaande voornoemde verplichte deelneming in het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal- en Technische Bedrijfstakken (evenals met betrekking tot de in dit verband aansluitend opgelegde premie) is opgetreden als administrateur van dit bedrijfspensioenfonds. In dit licht bezien dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een verlengstuk van het bedrijfspensioenfonds, en is zij dientengevolge ook te beschouwen als een administratief orgaan, welke (mede) de publieke taak van dit pensioenfonds vervult (de rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1999, NJ 2000/8 [redactie: LJN url('AA3828',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=17348)]). Een beslissing van verweerder heeft in die zin dan ook te gelden als ware het een beslissing van het bedrijfspensioenfonds zelf.

Ten tijde hier in geding gold de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (wet van 17 maart 1949, Stb 121, hierna: wet Bpf). Ingevolge artikel 3 van de wet kan de minister, op verzoek van een naar zijn oordeel voldoende representatieve vertegenwoordiging van het georganiseerde bedrijfsleven, in een bedrijfstak het deelnemen in het bedrijfspensioenfonds voor alle of bepaalde groepen van bedrijfsgenoten verplichtstellen. Ten aanzien van de Metaal- en Technische bedrijfstakken, heeft de minister van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.

Hoewel zulks niet expliciet in de Wet Bpf is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat de uitvoering van de door de minister uitgesproken verplichtstelling berust bij het betreffende bedrijfspensioenfonds. Voor de vraag of het bedrijfspensioenfonds, en daarmee verweerder, hierdoor als bestuursorgaan in de zin van de Awb moet worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat onderscheid moet worden gemaakt tussen geschillen over het van toepassing verklaren van de verplichtstelling (zoals in onderhavig geval aan de orde) en geschillen met betrekking tot de ten gevolge van deze verplichtstelling opgelegde premieheffing.

In dit verband overweegt de rechtbank dat, daar waar premie in zijn algemeenheid een klassieke contraprestatie kan worden genoemd voor de te verlenen dekking (risico-overdracht) door een verzekeraar (waaronder het bedrijfspensioenfonds), waardoor een geschil over de (hoogte van) de premiebetaling in zijn natuur als privaatrechtelijk moet worden aangemerkt, dient te worden geoordeeld dat het bedrijfspensioenfonds, waar zij (door middel van een werkingssfeeronderzoek) vaststelt of al dan niet feitelijk een verplichte deelname bestaat, haar bevoegdheid ontleent aan eerdergenoemde Wet Bpf. Dientengevolge moet worden geoordeeld dat het bedrijfspensioenfonds, en daarmee verweerder, bij zulk een vaststelling met enig openbaar gezag is bekleed.

Gelet op het voorgaande, en gelet op de omstandigheid dat eiseres (slechts) opkomt tegen het besluit van verweerder omtrent de toepasselijkheid van de verplichtstelling, en niet -althans niet direct- tegen de hieruit voortvloeiende premieheffing als zodanig, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval dient te worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder b van de Awb. Verweerder heeft dit ten onrechte niet onderkend.

Voorgaande heeft tot gevolg dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

Hiertoe overweegt de rechtbank dat zij -met verweerder- van oordeel is dat het primaire besluit van 23 april 1999 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu de rechtsgevolgen die de van toepassing verklaring door verweerder met zich brengt niet voortvloeien uit het besluit van verweerder als zodanig, doch uit de hieraan ten grondslag liggende ministeriële beschikking tot verplichtstelling. Dientengevolge kan niet worden gezegd dat het primaire besluit van 23 april 1999 was gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg. Gelet op het bepaalde in artikel 1:3 van de Awb kan van een besluit in de zin van de Awb om die reden geen sprake zijn, zodat de beslissing op het door eiseres gemaakte bezwaar (welke beslissing als zodanig wél als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt) niets anders kan inhouden dan een niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644;

bepaalt voorts dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 204,20 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.F. Bijloo, rechter, en in het openbaar uitgesproken op, 7 januari 2002 in tegenwoordigheid van mr. S.A. van Hoof als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ‘s-Gravenhage.

Verzonden op: 14 januari 2002

Coll: