Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE1120

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-03-2002
Datum publicatie
05-04-2002
Zaaknummer
Reg.nr.: 01/1009
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 01/1009

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

X,

voorheen wonende te A, thans te A, eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 april 2001.

2. Procesverloop

Eiser ontving van verweerder een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik).

Bij besluit van 16 oktober 2000 heeft verweerder eisers Wik-uitkering over de periode van 1 januari 2000 tot 1 juni 2000 herzien omdat eiser redelijkerwijs kon beschikken over een inkomen gelijk aan dan wel hoger dan bijstandsniveau. Bij dit besluit heeft verweerder tevens het over voornoemde periode onverschuldigd betaalde bedrag aan Wik-uitkering ( ƒ 5.318,10) van eiser teruggevorderd.

Tegen dit besluit is namens eiser bij bezwaarschrift van 7 november 2000 bezwaar gemaakt.

Bij het hierboven aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het eerdergenoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft mw. mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, namens eiser bij beroepschrift van 30 mei 2001 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 29 juni 2001 een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 5 maart 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Willigen voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. M.A. van Dongen, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat, nu eiser over de periode van

1 juni 1999 tot en met 31 mei 2000 een zogenaamd startstipendium heeft ontvangen van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst, hij geacht kan worden over die periode over middelen te hebben beschikt die ten minste gelijk zijn aan de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het startstipendium was volgens verweerder mede bedoeld voor de kosten van levensonderhoud. Omdat eiser op de peildatum 1 januari 2000 boven de geldende bijstandsnorm zat, komt hij vanaf die datum niet meer in aanmerking voor een Wik-uitkering. Het over voornoemde periode betaalde bedrag aan Wik-uitkering dient daarom als onverschuldigd betaald te worden teruggevorderd.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat het stipendium niet bij eisers inkomsten over het jaar 2000 mogen worden betrokken nu hij het gehele stipendiumbedrag van ƒ 35.000 in 1999 heeft ontvangen. Voorts heeft eiser betwist dat het stipendium uitsluitend bedoeld is voor kosten van levensonderhoud. Volgens eiser had hij de keuze waaraan hij het stipendium kon besteden. Hij heeft het ter dekking van beroepskosten aangewend. Het was in ieder geval geen voorwaarde voor toekenning dat (een deel van) het bedrag voor levensonderhoud zou worden aangewend. Nu eiser ook over 2000 verlies heeft geleden, is zijn Wik-uitkering ten onrechte herzien en teruggevorderd, aldus eiser. Verweerder had volgens eiser zijn inkomen over 2000 als geheel dienen te beoordelen.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wik is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder inkomen het inkomen bedoeld in Hoofdstuk IV, afdeling 3, § 1 en 2 van de Algemene bijstandswet (Abw).

In artikel 42 van de Abw (hoofdstuk IV, afdeling 3, § 1) is onder meer bepaald dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

In artikel 47, eerste lid van de Abw (hoofdstuk IV, afdeling 3, § 2) is bepaald dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:

a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie voor het voltooien van een scholing of opleiding of voor het aanvaarden of behouden van betaalde arbeid of een subsidie voor het onverplicht, in georganiseerd verband, verrichten van onbetaalde maatschappelijk nuttige activiteiten, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of uit het hebben van een of meer kostgangers, sociale-zekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting en premies volksverzekeringen, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven. Middelen die het karakter hebben van doorbetaling van inkomen over een periode worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze te gelde kunnen worden gemaakt.

In artikel 4 van de Wik, voor zover hier van belang, is bepaald dat recht heeft op uitkering de kunstenaar die niet over voldoende middelen beschikt om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan en gedurende een zekere periode als kunstenaar werkzaam is geweest en met deze werkzaamheden gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode ten

minste het in die maatregel te bepalen bruto-inkomen of bruto-omzet heeft verworven

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wik is bepaald dat het recht op uitkering wordt beëindigd, indien de kunstenaar over voldoende middelen is komen te beschikken om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wik wordt zodra het inkomen van de kunstenaar en zijn gezin over het kalenderjaar waarin uitkering is verleend, bekend is, de hoogte van de uitkering, bedoeld in artikel 9, definitief vastgesteld en wordt de uitkering, overeenkomstig het derde lid, omgezet in een bedrag om

niet, voorzover de kunstenaar en zijn gezin geen in aanmerking te nemen vermogen hebben.

Blijkens artikel 23, eerste lid, van de Wik wordt de uitkering die onverschuldigd is betaald door burgemeester en wethouders van de kunstenaar teruggevorderd.

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kunnen burgemeester en wethouders op de voet van het tweede lid van dit artikel besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

In artikel 24 van de Wik zijn de artikelen 78a, 78b, 78c, 81, 82, 85, 86 en 87 van de Abw van overeenkomstige toepassing verklaard.

In artikel 82 van de Abw is, voor zover hier van belang, bepaald dat kosten van bijstand van de belanghebbende worden teruggevorderd voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in

aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.

Bij de beoordeling van dit geschil ziet de rechtbank zich ten eerste voor de vraag gesteld of het door eiser ontvangen startstipendium als inkomen in de zin van de Wik kan worden aangemerkt. Indien dit het geval is zal de rechtbank vervolgens dienen te beoordelen of dit inkomen aan het jaar 2000 kan worden toegerekend.

Uit de gedingstukken, in het bijzonder de vanwege het de stichting Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst verstrekte informatie, leidt de rechtbank af dat het aan eiser toegekende startstipendium bedoeld is voor kosten van levensonderhoud en de kosten die samenhangen met de beroepsuitoefening voor een periode van 12 maanden. In de Regeling individuele subsidies van voornoemde stichting is het startstipendium gedefinieerd als een bijdrage aan het inkomen van een kunstenaar die aan het begin van zijn professionele loopbaan staat. Deze bijdrage wordt verleend voor twaalf maanden en heeft tot doel de aanvang van de professionele en artistieke ontwikkeling van de kunstenaar te bevorderen. Over het stipendium zijn belastingen en sociale premies verschuldigd. Als voorwaarde aan het stipendium wordt onder meer gesteld dat het belastbaar inkomen van de ontvanger in zowel in 1999 als in 2000 niet meer bedraagt dan ƒ 70.000,--. Indien achteraf blijkt dat het belastbaar inkomen, inclusief stipendium, hoger is dan voornoemd bedrag, zal het stipendium overeenkomstig worden verlaagd. Met het startstipendium wordt vooral beoogd beginnende vormgevers de gelegenheid te geven om zich, zonder dat direct het probleem van inkomensvorming hen tot het zoeken van bijbanen dwingt, verder te profileren en een presentabel oeuvre op te bouwen en om zich "bedrijfsklaar" te maken en zo mogelijk de eerste marktgerichte activiteiten te ontplooien. De ontvanger van het startstipendium heeft evenwel de vrijheid het bedrag naar eigen inzicht te besteden.

Uit het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie dat het startstipendium als inkomen in de zin van de Wik dient te worden aangemerkt. De rechtbank heeft hierbij vooral laten meewegen dat het stipendium gerelateerd wordt aan de hoogte van het belastbaar inkomen over de periode waarover het wordt verstrekt. Voorts is van belang dat belasting en sociale premies over het stipendium worden geheven. Ten slotte wordt het stipendium door voornoemde stichting ook gedefinieerd als een bijdrage in het inkomen. Gelet op die omstandigheden in hun onderlinge samenhang beschouwd is de rechtbank tot voormeld oordeel gekomen. Het enkele feit dat het startstipendium naar eigen inzicht kan worden besteed doet hieraan niet af. De rechtbank ziet niet in waarin het stipendium in dat opzicht verschilt van welk ander inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid van de Abw dan ook.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vervolgens vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het aan eiser toegekende startstipendium betrekking had op de periode van 1 juni 1999 tot 1 juni 2000.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het stipendium door hem in 1999 is ontvangen en niet mag worden betrokken bij zijn inkomen over 2000. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op artikel 2 van de Wik in verbinding met artikel 47, tweede lid, van de Abw, eisers stelling geen steun vindt in de wet.

Tot slot dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder de periode van herziening van eisers Wik-uitkering juist heeft vastgesteld nu eiser heeft gesteld dat zijn inkomen over 2000 als geheel dient te worden beoordeeld.

Gelet op het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van de Wik is de rechtbank van oordeel dat de Wik-uitkering per kalenderjaar wordt toegekend. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht 1 januari 2000 als peildatum gehanteerd om te bepalen of eiser aan de vereisten voor een Wik- uitkering voldeed. Voldoende aannemelijk is dat eiser op 1 januari 2000 als gevolg van het startstipendium inkomen had boven de voor hem geldende bijstandsnorm. Gelet op de periode waarover eiser het startstipendium heeft toegekend gekregen, heeft verweerder de periode van herziening van eisers Wik-uitkering terecht vastgesteld op 1 januari 2000 tot 1 juni 2000.

Nu verweerder, gelet op het voorgaande, terecht tot herziening van eisers Wik-uitkering over voornoemde periode is overgegaan, was verweerder, blijkens de artikelen 23 en 24 van de Wik, verplicht om het onverschuldigd betaalde bedrag aan Wik-uitkering terug te vorderen. Eiser heeft de hoogte van het terugvorderingsbedrag niet betwist en de rechtbank is ook niet gebleken dat dit door verweerder onjuist is vastgesteld.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient, gelet op het voorgaande, ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.E. Snijders, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2002, in tegenwoordigheid van M.H.C. Bouwman als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op:

Coll: