Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE0808

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-03-2002
Datum publicatie
28-03-2002
Zaaknummer
83720/KGZA 02-85
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 83720 / KG ZA 02-85

Datum uitspraak: 26 maart 2002

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

X,

wonende te Z,

eiser bij dagvaarding van 14 februari 2002,

procureur mr. C.G.T. van Ouwerkerk,

advocaat mr. R.A.van Huussen te Veenendaal,

tegen

Y,

gedaagden,

advocaat en procureur mr. F.A.M.Knüppe.

Het verloop van de procedure

Eiser, hierna ook te noemen: X, heeft gedaagden ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Gedaagden hebben geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De raadslieden van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

De vaststaande feiten

a. Gedaagden zijn allen huisarts in Z. Samen met X vormen zij het volledige bestand aan huisartsen in Z.

b. X is bijna 25 jaar werkzaam als huisarts in Z. In die hoedanigheid heeft hij altijd deel uitgemaakt van een huisartsengroep

(waarnemingsgroep) - Q. Op 1 september 1999 hield de Q, waartoe X behoorde, op te bestaan. Geen enkele Q heeft zich vervolgens bereid verklaard X toe te laten.

c. In november 2000 is door gedaagden een convenant getekend met betrekking tot de opvang van patiënten van X tijdens diens afwezigheid. Hierbij zijn geen rechtstreekse afspraken met X gemaakt; het convenant is ten opzichte van X dan ook geen echte waarneemregeling.

d. Op 31 oktober 2000 is ten behoeve van de huisartsen in de regio Z een Coöperatieve Huisartsendienst opgericht. De huisartsendienst regelt voor deelnemende huisartsen de weekend-, avond- en nachtzorg van hun patiënten, waartoe onder de deelnemende artsen een dienstenrooster is vastgesteld. Deze huisartsendienst is vanaf het najaar 2001 operationeel. Daarin bestond voor gedaagden aanleiding om het convenant in november 2001 op te zeggen. X is daarvan op 19 november 2001 in kennis gesteld. Op verzoek van X is de in het convenant bepaalde opzegtermijn van drie maanden, na 19 november 2001, in acht genomen.

Het geschil

1. X vordert - kort samengevat - primair, dat elk van de gedaagden wordt veroordeeld om op een eerste daartoe strekkend verzoek X op te nemen in de Q, waarvan zij - thans of in de toekomst - deel uitmaken, op dezelfde voorwaarden die binnen die Q voor de overige deelnemers gelden of in de toekomst zullen gelden, op straffe van verbeurte van een dwangsom en subsidiair, dat elk van de gedaagden wordt bevolen het convenant van 30 november 2000 te blijven uitvoeren tijdens de maandagen tot en met vrijdagen van 7.00 uur tot 18.00 uur (Ter zitting is onweersproken gesteld dat bedoeld zal zijn van 8.00 uur tot 17.00 uur), eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2. X stelt zich op het standpunt dat het uit het oogpunt van goede en verantwoorde gezondheidszorg voor een huisarts noodzakelijk is deel uit te maken van een Q. Naast het intercollegiale Farmaco Therapeutisch Overleg (FTO) en de intercollegiale toetsing die aan deelname verbonden zijn, biedt de Q een kader voor onderlinge waarneming ter verzekering van noodzakelijke rustperiodes tijdens de avonden, nachten en weekenden, tijdens ziekte en tijdens voor huisartsen verplichte bij- en nascholingen. Doordat gedaagden een convenant hadden gesloten, kon X ten minste terugvallen op een waarneemregeling, maar bleef hij verstoken van de specifieke voordelen die deelname aan een Q bieden. Ook het enkele lidmaatschap van de Coöperatieve Huisartsendienst zal X te weinig waarborgen bieden om op verantwoorde wijze zijn huisartsenpraktijk uit te oefenen, aldus X.

3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer, welk verweer hierna, voor zover nodig, wordt besproken.

De beoordeling van het geschil

4. Gedaagden stellen dat voor huisartsen op grond van de KNMG-Gedragsregels voor Artsen een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm geldt om in de waarneming van een collega-huisarts te voorzien, welke zorgvuldigheidsnorm haar grondslag vindt in het belang van de goede gezondheidszorg en niet in de persoonlijke bescherming van een individuele huisarts. Gedaagden stellen zich op het standpunt dat X met de hem geboden faciliteiten, waarbij gedaagden hebben aangeboden de waarneming van X in geval van ziekte conform het bepaalde in het convenant van gedaagden te continueren, op verantwoorde wijze zijn huisartsenpraktijk kan uitoefenen en dat zij daarmee voldaan hebben aan hun maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. Gedaagden betwisten dat het voor herregistratie als huisarts vereist is opgenomen te zijn in een Q, zoals door de KNMG in haar brief van 18 februari 2002 aan X is verwoord. Zou dat anders zijn, dan zou X er met het oog op herregistratie nog niet bij gebaat zijn nu alsnog opgenomen te worden in een Q, aangezien het een feit blijft dat hij de afgelopen vijf jaren daarvan geen deel heeft uitgemaakt, maar meer nog verandert dat niets aan het feit dat hij de afgelopen vijf jaren gedurende langere tijd niet aan een waarneemregeling heeft deelgenomen. Indien X thans gebruik zal gaan maken van de hem geboden faciliteiten, zal er pas in de toekomst voldaan zijn aan de voorwaarden voor herregistratie, aldus gedaagden.

5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorshands voldoende komen vast te staan dat X, hoewel hij weliswaar in een bijzondere situatie verkeert ten opzichte van zijn collega's die wel zijn aangesloten bij een Q, niet verstoken blijft, dan wel behoeft te blijven, van die voorzieningen die voor een huisarts essentieel zijn om op verantwoorde wijze zijn praktijk te kunnen uitoefenen.

6. Zo is door gedaagden gemotiveerd weersproken de stelling van X dat hij met de hem geboden faciliteiten, waarbij hij zelf zorg dient te dragen voor zijn waarneming tijdens vakanties en scholingsverlof, niet op verantwoorde wijze zijn huisartsenpraktijk kan uitoefenen, aangezien er een groot gebrek is aan waarnemend artsen. Zij hebben daarbij voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat X niet in de uitvoering van zijn werkzaamheden zal worden belemmerd door een gebrek aan waarnemend artsen.

7. Ten aanzien van de waarneming is ter zitting door gedaagden voorts nog aangeboden onder de regeling van de waarneming van X in geval van ziekte mede te laten vallen de waarneming van X in geval van calamiteiten, aangezien dit, evenals ziekte, gerekend moet worden tot onvoorziene uitval waarvoor waarneming geregeld moet zijn.

8. Voorts hebben gedaagden voldoende aannemelijk gemaakt dat X als individuele huisarts kan deelnemen aan het FTO en intercollegiale toetsingen. Voor die bijeenkomsten dient hij zich aan te melden, aangezien hij als individuele huisarts niet automatisch uitnodigingen zal ontvangen, maar hij zal zonder meer worden toegelaten tot die bijeenkomsten. Dat X, al dan niet uit onwetendheid, tot op heden geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid, kan gedaagden, zoals zij terecht stellen, niet worden tegengeworpen.

9. Voor huisartsen bestaat de verplichting zich periodiek te laten herregistreren, bij gebreke waarvan zij niet langer gerechtigd zijn als huisarts te functioneren. Dat voor herregistratie als huisarts een dwingende voorwaarde is dat een huisarts is opgenomen in een Q, blijkt niet uit de van toepassing zijnde regelingen en is overigens door gedaagden gemotiveerd weersproken. Nu ook van de zijde van X is benadrukt dat, om op verantwoorde wijze een huisartsenpraktijk uit te oefenen, van doorslaggevend belang is dat de waarnemingen goed geregeld zijn en dat men deelneemt aan deskundigheidsbevorderende bijeenkomsten, zoals het FTO en intercollegiale toetsingen, is voorshands voldoende aannemelijk geworden dat herregistratie als huisarts zal plaatsvinden als ten minste aan deze voorwaarden is voldaan.

10. Gelet op het bovenstaande staat voldoende vast dat X op verantwoorde wijze zijn huisartsenpraktijk kan (blijven) uitoefenen, ook al wordt hij niet toegelaten tot een Q. Geoordeeld wordt dat gedaagden door de door hen aangeboden waarneemregeling (overwegingen 4 en 7), terwijl X aan de intercollegiale toetsingen en het FTO zonder beperkingen kan deelnemen (overweging 8) niet tekortschieten in de op hen rustende maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm ten aanzien van de gezondheidszorg. Ook overigens bestaat er voor gedaagden geen (rechts)plicht X op te nemen in een Q.

11. De gevorderde voorzieningen zullen derhalve worden geweigerd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal X de kosten van deze procedure dienen te dragen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. weigert de gevorderde voorzieningen,

2. veroordeelt X in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagden bepaald op € 703,36 voor salaris en op € 193,00 voor verschotten,

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Drabbe en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2002 in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A. van Gemert.