Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AE0116

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-03-2002
Datum publicatie
12-03-2002
Zaaknummer
1997/1209
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJK 2002, 22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak/rolnummer: 1997/1209

Datum uitspraak: 7 maart 2002

Vonnis

in de zaak van

1. eiser 1

2. eiser 2

beiden wonende te D.,

hierna te noemen:eisers.,

eisers bij dagvaarding van 16 mei 1997,

procureur mr. J.M. Bosnak te Arnhem,

advocaat mr. A.M.F. van Veghel te Utrecht,

tegen

gedaagde

wonende te D.,

hierna te noemen: gedaagde,

gedaagde bij genoemde dagvaarding,

procureur en advocaat mr. I.P.C. Sindram te Nijmegen.

Het verloop van de procedure

Eerder zijn in deze zaak vonnissen gewezen op 9 december 1999, 3 augustus 2000 en 2 november 2000. Nadat de rechtbank in het tussenvonnis van 9 december 1999 heeft geoordeeld dat onderzoek door een deskundige moest plaatsvinden is in het tussenvonnis van 3 augustus 2000 onderzoek door een deskundige bevolen ter beantwoording van de in dat vonnis vermelde vragen. Ter uitvoering van dit onderzoek is bij tussenvonnis van 2 november 2000 prof. dr. R. Bullens, forensisch psycholoog, tot deskundige benoemd. Door prof. Bullens is op 21 juni 2001 een deskundigenbericht uitgebracht en het rapport daarvan bevindt zich bij de stukken. Verder zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

* een conclusie na deskundigenbericht van de zijde van eisers

* een conclusie na deskundigenbericht van de zijde van gedaagde;

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling van het geschil

1. In de met deze zaak samenhangende civiele procedure tussen eisers en E. (rolnummer 1998/615) heeft de rechtbank eerder bij vonnis van 31 januari 2002 geoordeeld dat de door E. gestelde incest niet is bewezen en is daarom de vordering van E. afgewezen. De rechtbank stelt in deze zaak voorop dat, anders dan eisers hebben aangevoerd, het niet bewezen achten van de door E. gestelde incest op zichzelf niet omgekeerd tot de conclusie leidt dat sprake is van het door eisers gestelde non-existente incest verleden van E. Ook dat kan niet worden vastgesteld. Het bewijs van de afwezigheid van een incest verleden behoeft door eisers in deze procedure ook niet te worden geleverd. Voldoende is -zo moet rechtsoverweging 3.1 van het tussenvonnis van 9 december 1999 worden verstaan- dat het bestaan van een incest verleden ten tijde van de behandeling doorgedaagde niet kon worden vastgesteld en ook thans niet kan worden vastgesteld. Dat uitgangspunt staat gezien de uitkomst van de civiele procedure tusseneisers en E. in deze zaak verder wel voorop.

2. De deskundige Bullens heeft een zeer uitvoerig psychologisch interview metgedaagde gehad en daarvan in zijn rapport verslag gedaan. Mede op basis daarvan heeft de deskundige de door de rechtbank gestelde vragen met betrekking tot de (wijze van) behandeling van E. doorgedaagde beantwoord. De essentie van die antwoorden geeft de rechtbank hierna, samen met de gestelde vragen, weer:

"Vraag A

Kunt u een beschrijving geven van de doorgedaagde bij E. uitgevoerde therapie? Wat heeft gedaagde gedaan, hoe vaak vonden er sessies plaats, hoe lang heeft de therapie geduurd, hoe was het verloop. Welke methoden zijn er gebruikt?

Antwoord:

(…)Gedaagde ontkent E. in (psycho)therapie te hebben gehad. Waar hij, in de jaren dat hij haar 'in therapie' heeft gehad, spreekt of schrijft over 'therapie', zou dit een ingeburgerde, maar verder niet correct, taalgebruik betreffen zoals dat werd gebezigd bij alle begeleidingsactiviteiten op de Boldershof. Het probleem doet zich thans voor dat geen eenduidig antwoord kan worden gegeven op bovenstaande door de rechtbank gestelde vraag: indien, zoals gedaagde beweert, er geen sprake is geweest van therapie, kunnen op logische gronden ook geen antwoorden worden geformuleerd op vragen betreffende een non-existente therapie (met betrekking tot een al dan niet non-existent seksueel misbruikverleden van E.). Bij de begeleiding van E. heeft gedaagde volgens zijn eigen zeggen gebruik gemaakt van de methodiek van Egan ('Skilled helper'). Dit betreft een hier-en-nu begeleidings/counselingstechniek, zo kan men opmaken uit hetgeen gedaagde daarover opmerkt. Volgensgedaagde kan zijn 'therapie' met E. in 3 fases worden onderverdeeld: (1) respectievelijk 5 à 6 maanden, een maand tussentijd, (2) respectievelijk 4 maanden, een kleine maand tussentijd, (3) respectievelijk tot medio '95. De sessies zouden aanvankelijk 1 x per week hebben plaatsgevonden; later, met name in de derde fase, lopen de sessies op tot 3 à 4 maal per week. Deze gesprekken vonden plaats in de keuken (zie conclusie van dupliek, nr. 26) en zouden geheel onbezoldigd hebben plaatsgevonden. E. zou gedaagde wel enige cadeaus (als compensatie) hebben gegeven. Onduidelijk blijft voor onderzoeker evenwel wanneer de officiële 'therapie' (c.q. 'begeleiding') overging in meer vrijblijvende contacten van de kant van gedaagde, welke volgens hem geen therapie mogen heten, maar waarover hij volgens zeggen èn blijkens de brief van mw. Drs. V. (zie antwoord op vraag C) wèl met grote regelmaat is gesuperviseerd (als zou er wel degelijk sprake zijn van therapie c.q. behandeling). Dit laatste is des te meer van belang aangezien gedaagde een forse toename in ernst en complexiteit van de problematiek van E. beschrijft naarmate de 3 therapiefases elkaar opvolgen. Dit gegeven rechtvaardigt dat er wel nadrukkelijk een geëigend therapieaanbod aan E. had moeten worden gedaan.

Wat betreft het verloop van de 'therapie' is (opnieuw) geen eenduidig antwoord te formuleren. Vanuit vakmatig oogpunt beschouwd kan het verloop van gedaagde's activiteiten als vorm van therapie als beneden elke maat worden gekwalificeerd: geen diagnose, geen indicatiestelling, geen geëigende therapievorm, geen verslaglegging, geen bijstelling van de gebruikte methodieken naarmate de problematiek van E. zich naar een meer complex en ernstig niveau ontwikkelt, etc.

Ook indien wordt uitgegaan van de standaard 'begeleiding' in plaats van 'therapie' van de zijde van gedaagde, dient te worden aangegeven dat het verloop van deze begeleiding niet vakbekwaam lijkt te zijn uitgevoerd. Met enige voorzichtigheid -onderzoeker is immers geen bedrijfsmaatschappelijk werker- kan hoe dan ook worden opgemerkt dat professionele begeleiding in geval van een dusdanig ernstige problematiek (kannibalisme, moord op foetussen, etc.) niet aan de keukentafel dienen plaats te vinden (waarbij betrokkenen konden worden gestoord doordat bijvoorbeeld klanten de aandacht van gedaagde in zijn sportzaak opeisen) en tevens dat de zaak had moeten worden overgedragen zoals volgens gedaagde 'good practice' is in andere bedrijfsmaatschappelijke werkverbanden.

Vraag B:

Kunt u aangeven hoe u aan deze informatie komt? Zijn er verslagen van of is er andere schriftelijke informatie? Als de informatie alleen of voornamelijk alleen afkomstig is van gedaagde, kunt u dan aangeven in hoeverre u de verschafte informatie betrouwbaar acht en waarom/waarom niet?

Antwoord:

Bovenstaande informatie is van gedaagde afkomstig. (…) gedaagde die door de informatie die hij verschaft herhaaldelijk het onprofessionele karakter van zijn handelen onderstreept (…) maakt juist daardoor geen sociaal wenselijke indruk en derhalve kan, hetgeen hij naar voren heeft gebracht, op zijn minst redelijk betrouwbaar worden geacht. (…)

Vraag C:

Heeft gedaagde onder supervisie gewerkt tijdens de behandeling van E.? Was supervisie verplicht? Was er supervisie voor en/of na zijn vertrek bij de Boldershof? Zo ja, wat was de inhoud van die supervisie? Zijn er verslagen van c.q. hebt u contact gehad met de supervisor? Wat is uw oordeel over de supervisie en de invloed daarvan op het werk van gedaagde en waarop baseert u dat? Welke eisen moeten aan supervisie worden gesteld en heeft de supervisie aan die eisen voldaan?

Antwoord:

Gedaagde geeft aan onder supervisie van mw. Drs. V. te hebben gewerkt. (…) Gelet op ernst en complexiteit van de onderhavige zaak, gelet ook op het benedenmaatse verloop van de 'therapie'/'begeleiding', gelet verder op het feit dat geen geëigende therapievormen zijn aangeboden aan E., maar de door gedaagde gehanteerde Egan-methodieken (hier-en-nu counselingstechnieken), meen ik dat de supervisie in ernstige mate tekort geschoten is (…).

(…)

Vraag E:

Heeft gedaagdebij E. hypnose toegepast? Zo ja, hoe vaak en wat is daarbij precies aan de orde gekomen? Heeft u er zicht op of de hypnose volgens de regels van de kunst is uitgevoerd?

Antwoord:

Gedaagde geeft aan nooit hypnotische technieken te hebben toegepast.

Vraag D:

Heeft Gedaagde geleide herinnering bij E. toegepast? Zo ja, hoe vaak, en hoe; wat is er aan de orde gesteld? Heeft u er zicht op of de geleide herinnering volgens de regels van de kunst is uitgevoerd?

Antwoord:

Gedaagde geeft weliswaar aan 'geleide herinnering' te hebben toegepast, maar blijkt bij doorvragen niet op de hoogte van de definitie en/of techniek dienaangaande. De kans dat hij, hetgeen hij 'geleide herinnering' noemt, volgens de regels der kunst zou hebben uitgevoerd, dient dan ook als minimaal te worden getaxeerd.

Vraag G:

Heeft Gedaagde andere therapievormen toegepast die invloed kunnen hebben gehad op herinneringen van E.? Zo ja, welke, wat houden die in, hoe zijn ze uitgevoerd en wat is uw mening over die uitvoering?

Antwoord:

Gedaagde claimt met E. te hebben gewerkt krachtens de methodiek van Egan. Een onderdeel daarvan is geweest dat hij E.a heeft verzocht 'haar verhaal' te doen. Zoals aangegeven heeft gedaagde haar verzocht om dit te doen door brieven aan haar ouders te schrijven. Inhoudelijk blijkt daaruit dat hij haar heeft gestimuleerd om zelf met haar verhaal te komen en dat hij onvoorwaardelijk heeft geloofd wat zij zegt, haar (verhaal) daarmee kritiekloos bekrachtigend/bevestigend. (…) Gedaagde heeft naar het oordeel van onderzoeker niet zozeer 'hervonden herinneringen' bij E. bewerkstelligd door 'geleide herinnering' of 'hypnose' toe te passen, maar heeft een 'ontdekkende' vorm van therapie toegepast, waar nadrukkelijk een 'toedekkende' vorm geïndiceerd zou zijn geweest. Daarmee heeft hij, tegen de achtergrond van het feit dat vooraf geen diagnostiek c.q. indicatiestelling heeft plaatsgevonden, 'alle sluizen' opengezet bij een -naar het lijkt- grenzeloze cliënte (gelet op de geconstateerde borderline-problematiek). In die zin is elke controle op haar herinneringen, al dan niet waar/verzonnen, door gedaagde losgelaten. Geconcludeerd kan worden dat de uitvoering van de activiteiten van gedaagde jegens E. de toets van professioneel handelen op geen enkele wijze kan doorstaan.

Vraag I:

Over welke kwalificaties beschikte gedaagde tijdens de behandeling van E. om therapeutisch op te treden? Golden er voor hem gedragsregels? Was hij bevoegd om de uitgevoerde therapieën te geven?

Antwoord:

Gedaagde beschikte over geen enkele geëigende kwalificatie om therapeutisch op te treden in relatie tot E. Hij mocht haar wel begeleiden in het kader van haar werkzaamheden bij De Boldershof. (…) Gedaagde was naar het nadrukkelijke oordeel van onderzoeker niet bevoegd om de uitgevoerde therapieën te geven.

Vraag J:

Hoe beoordeelt u, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, in het algemeen de (inhoud van de) door gedaagde uitgevoerde therapie?

Antwoord:

Zoals hierboven aangegeven, kan deze vraag op tweeërlei wijze worden geïnterpreteerd: indien zou worden uitgegaan van de aanname dat gedaagde E. niet in therapie heeft gehad, kan deze vraag niet worden beantwoord. Indien daarentegen zou worden uitgegaan van de intentie van het begeleidend/therapeutisch handelen van gedaagde, (E. haar verhaal laten doen), dan kan in het algemeen de (inhoud van de) door gedaagde uitgevoerde therapie als onvoldoende aansluitend bij het ernstige en complexe beeld van E. worden gekwalificeerd. Indien zou worden uitgegaan van het feit dat gedaagde E. enkel heeft begeleid krachtens de methodiek van Egan, dan kan ook in dat geval worden geconstateerd dat hij feitelijk in het eerste stadium daarvan is blijven steken, waardoor sprake is van een (langdurige) onafgemaakte begeleiding.

Vraag K:

Heeft gedaagde volgens uw informatie invloed uitgeoefend op E. om aangifte te doen? Zo ja, vindt u dat deze invloed te ver is gegaan. Zo ja, in hoeverre en waarom?

Antwoord:

Gedaagde heeft in zekere zin invloed uitgeoefend op E. om aangifte te doen, namelijk door haar daarin te steunen. Hij heeft haar in ieder geval niet weerhouden van het doen van aangifte, heeft verzuimd om de voors en tegens gezamenlijk met haar af te wegen, hetgeen -tegen de achtergond van het door Van Tilburg en Draijer geschetste beeld van E.- eerder geïndiceerd zou zijn geweest. De aangifte ging haar draagkracht te boven, zoals kan worden opgemaakt uit onder meer het gegeven dat gedaagde haar tijdens de pauzes van het studioverhoor "in de realiteit moest zien te houden", aangezien E. dreigde te decompenseren. In het geding is hier de vraag of er -therapeutisch gesproken- wel sprake was van een correcte timing om E. te ondersteunen in het doen van de aangifte, of dat het niet wenselijker ware geweest om nog een tijd te wachten totdat het gevaar zou zijn geweken dat E. zou kunnen decompenseren.

(…)."

3. Op grond van deze mede in het licht van de verdere inhoud van het deskundigenbericht te begrijpen antwoorden op de gestelde vragen, welke de rechtbank overneemt en tot haar oordeel maakt, kan thans een antwoord worden gegeven op de in het vonnis van 9 december 1999 geformuleerde kernvraag die luidt of gedaagde jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld door E. zodanig te (mis)behandelen dat zij daardoor aangifte heeft gedaan van een non-existent incest verleden. Dat antwoord is, anders dan gedaagde heeft aangevoerd, niet reeds daarom irrelevant voor de uitkomst van de procedure omdat eisers hun vordering op de verkeerde persoon zouden hebben gericht. Aan de orde is het door eisers gestelde eigen onrechtmatig handelen van gedaagde jegens hen. Dat daarnaast ook E. onrechtmatig gehandeld zou hebben jegens haar ouders, hetgeen niet in deze procedure ter beoordeling van de rechtbank staat, zou eisers enkel vanwege deze samenloop rechtens niet nopen tot een eerste of exclusieve keuze voor E. als aansprakelijke partij.

4. Gedaagde heeft voorts opgeworpen dat er, zeker na zijn ontslag uit de Boldershof per 1 maart 1993, veel meer sprake is geweest van een vriendschappelijke begeleiding van E. Gedaagde betwist daarom dat gesproken kan worden van een professionele behandelrelatie waarbinnen eventuele door hem gemaakte fouten zijn te beoordelen.

Dat verweer faalt. Het staat vast dat gedaagde met E. tussen september 1991 en medio 1995 gesprekken heeft gevoerd in oplopende frequentie in de 3 fases die de deskundige bij zijn antwoord op vraag A heeft onderscheiden. Die gesprekken hebben in elk geval een duidelijke professionele oorsprong omdat zij zijn gestart in september 1991 toen gedaagde werkzaam was als bedrijfsmaatschappelijk werker bij De Boldershof. Gedaagde heeft er nadien voor gekozen E. op 1 maart 1993 als cliënte niet over te dragen aan een collega van De Boldershof en hij is ingegaan op het uitdrukkelijke verzoek van E. om haar begeleiding te blijven voortzetten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee niet ook de kleur van het contact tussen E. en gedaagde verschoten en heeft dat contact in elk geval niet de gedaante aangenomen van vrijblijvende gesprekken in een vriendschapsrelatie waarin de ene persoon slechts een luisterend oor biedt aan een andere persoon. De lange duur van de na 1 maart 1993 voortgezette relatie, de (toenemende) frequentie van de daarin gevoerde gesprekken en de door gedaagde tegelijkertijd voortgezette contacten met zijn supervisor, rechtvaardigen ook om in elk geval te spreken van een tussen E. en gedaagde bestaande behandelrelatie. Dat daarvoor geen betaling is afgesproken staat daaraan niet in de weg.

5. Voorop staat dat op de behandelaar in het kader van een dergelijke relatie een bijzondere zorgplicht rust, zowel jegens de cliënt uit hoofde van de met deze bestaande verhouding als ten opzichte van derden met wier belangen hij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Gezien de aard en het doel van de hulpverlening van de zijde van gedaagde in dit geval, waarin vanaf de door de deskundige in oktober 1992 gesitueerde 3e fase in de behandelrelatie seksuele mishandeling van E. door haar ouders aan de orde is gesteld, had van gedaagde naar de stand van hetgeen ook in de kring van het (bedrijfs)maatschappelijk werk destijds (reeds) bekend was omtrent de inrichting van deze specifieke hulpverlening, een bijzondere behoedzaamheid mogen worden gevergd. Deze behoedzaamheid was eerst en vooral geraden jegens E. als cliënte. Van gedaagde kon daarom gevergd worden dat hij E. als onderdeel van zijn begeleiding nadrukkelijk had moeten wijzen op de gevolgen voor haar persoonlijk van het niet zeldzame risico dat is verbonden aan het doen van een aangifte van strafbare feiten die niet kunnen worden vastgesteld. Het staat vast dat gedaagde dat niet heeft gedaan. Gedaagde heeft, zoals de deskundige dat helder en krachtig in zijn rapport heeft verwoord, E. op geen enkele wijze geremd of gedempt. In plaats daarvan heeft gedaagde E. door een ontdekkende vorm van therapie gestimuleerd haar verhaal te doen, heeft hij haar daarin kritiekloos bevestigd en heeft hij haar ten slotte voluit gesteund om aangifte te doen zonder de voors en tegens daarvan met haar af te wegen.

Anders dan gedaagde aanvoert stond daarbij niet enkel en alleen de schending van een intern therapeutisch belang van E. op het spel. Gedaagde had daarnaast ook ter bescherming van de belangen van eisers kunnen en moeten inzien welke delicate ongunstige effecten met een zeer ernstig karakter voor hen zouden uitgaan van een aangifte waarvan, mede als gevolg van de sturende invloed daarop van de zijde vangedaagde zelf, de juistheid niet kon en kan worden vastgesteld. Ook dat belang heeft gedaagde geheel uit het oog verloren. Gedaagde heeft daarmee niet gehandeld in overeenstemming met de jegens eisers te betrachten zorgvuldigheid die ook in zoverre van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener mocht worden verwacht.

6. Gedaagde heeft nog aangevoerd dat niet aannemelijk is (gemaakt) dat het zonder fouten in zijn begeleiding nimmer tot een aangifte zou zijn gekomen, met name omdat E. zich het seksueel misbruik in het verleden is gaan inbeelden door zijn bemoeienissen. Dat laatste kan inderdaad niet worden aangenomen gelet op het antwoord van de deskundige dat gedaagde geen hypnotische en/of geleide herinnering technieken heeft toegepast waardoor 'hervonden herinneringen' bij E. kunnen zijn bewerkstelligd.

Evenmin kan worden aangenomen dat E. (mede) onder invloed van de (reeds in rechtsoverweging 2.3 van het tussenvonnis van 9 december 1999 weergegeven) gebeurtenissen waarover zij op 16 juni 1997 en 1 juli 1997 bij de politie heeft verklaard tot haar aangifte is gekomen. Die door E. gestelde gebeurtenissen belastengedaagde zeer.

De rechtbank moet echter vaststellen dat alleen E. zelf daarover verklaringen heeft afgelegd, welke verklaringen gelet op hetgeen de deskundige omtrent E. heeft gerapporteerd niet geloofwaardig geacht kunnen worden, mede gezien het ontbreken van validerend bewijs.

Dat alles doet er echter niet aan af dat gedaagde door zijn tegenover eisers als onrechtmatige daad aan te merken activiteiten, die als vorm van therapie door de deskundige als beneden elke maat zijn gekwalificeerd en waaromtrent hij voorts heeft geoordeeld dat de uitvoering daarvan de toets van professioneel handelen op geen enkele wijze kan doorstaan, het risico in het leven heeft geroepen dat E. 'ongeremd en ongedempt' in de overtuiging zou komen te verkeren dat zij het slachtoffer is geworden van een gruwelijke incest in het verleden en daaraan het doen van aangifte jegenseisers zou verbinden zonder dat die incest verifieerbaar zou zijn. Dat risico heeft zich aan de zijde van eisers verwezenlijkt in elk geval uitmondend in een immaterieel door hen geleden schade die is te verbinden aan de objectief vaststaande reeks van gebeurtenissen na de aangifte door E. Het causaal verband tussen de activiteiten van gedaagde en de aldus ontstane schade is derhalve in beginsel gegeven. Het is vervolgens aan gedaagde om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder zijn activiteiten zou zijn ontstaan. De stelling dat E. hoe dan ook haar aangifte zou hebben doorgezet volstaat niet voor doorbreking van het causaal verband, omdat gedaagde dan miskent dat hij door zijn activiteiten daartoe de aanzet heeft gegeven. Hypothetisch is niet vast te stellen wat E. zonder deze aanzet zou hebben ondernomen of nagelaten.

7. De onrechtmatige daad van gedaagde jegenseisers is aan hem toe te rekenen. Dat de supervisie naar het oordeel van de deskundige in ernstige mate tekort geschoten is, moet immers in de verhouding tot eisers voor risico van gedaagde komen.

8. De overige feiten die eisers aan het gestelde onrechtmatig handelen van gedaagde jegens hen ten grondslag hebben gelegd staan vanwege het verweer van gedaagde daartegen niet vast. Omdat eisers deze feiten niet te bewijzen hebben aangeboden en de rechtbank geen aanleiding ziet eisers ambtshalve tot het bewijs daarvan toe te laten, is de door eisers gevorderde schadevergoeding te beoordelen uitsluitend in het licht van het in rechtsoverweging 5 als onrechtmatige daad bestempelde handelen van gedaagde.

9. Aan de orde is vervolgens de omvang van de door eisers gevorderde schadevergoeding welke zij bij conclusie van repliek hebben verminderd tot een bedrag van fl. 101.205,77. Dit bedrag bestaat uit:

I. immaterieel fl. 60.000,-

II. Materieel - 19.759,22

III. Kosten van deskundigen - 6.694,-

IV. Kosten van rechtsbijstand - 14.752,55

Ad I: de hoogte van de immateriële schadevergoeding

Eisers hebben bij de onderbouwing van het gevorderde bedrag een splitsing aangebracht door fl. 35.000,- toe te rekenen aan eiser 2 en fl. 25.000,- aan de eiser 1. Daartoe hebben zij gesteld dat na het bekend worden van de beschuldigingen hun leven is verworden tot een hel op aarde, welk psychisch leed zich bij eiser 2 heeft veruitwendigd door een aantal lichamelijke klachten waardoor zij van een opgewekte vrouw is verworden tot een introvert wrak. Rekening houdend met alle omstandigheden van het geval ziet de rechtbank geen aanleiding een dergelijke differentiatie te volgen.eisers zijn immers voortdurend als eenheid opgetreden en hebben in gelijke mate blootgestaan aan de gebeurtenissen na de aangifte van E. waarvan gelet op de indringende betekenis ervan aan te nemen valt dat zij daardoor geestelijk letsel hebben geleden van dien aard dat vergoeding van immateriële schade op zijn plaats is. Die vergoeding is, nu eisers geen oordeel van deskundigen hebben aangereikt omtrent de uiteenlopende ernst van het bij hen elk afzonderlijk veroorzaakte nadeel, in gelijke delen bestemd voor de eisers.

De rechtbank stelt naar billijkheid het bedrag van de immateriële schadevergoeding aan elk van eisers afzonderlijk vast op een bedrag van fl. 10.000,-. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat voor het complex van handelingen en gebeurtenissen waarvoor eisers immateriële schadevergoeding vorderen, niet gezegd kan worden dat deze enkel en alleen aan het onrechtmatig handelen van gedaagde zijn toe te schrijven.

Ad II: de materiële schadevergoeding

Kosten Vitiligo aandoening

De gevorderde kosten van fl. 1.635,- vanwege de omstreeks oktober 1995 bij eiser 2 opgetreden Vitiligo aandoening, een depigmentatie die een vlekkerige huid veroorzaakt, dienen reeds te worden afgewezen omdat in de daarover in het geding gebrachte verklaring van de huidarts geen enkele uitspraak is gedaan over de aannemelijkheid van causaal verband tussen deze aandoening en de stress waaraan eiser 2 destijds bloot stond. Het enkel vermelden van stress in de anamnese door de huidarts zegt op zichzelf niets over het door eisers gestelde causaal verband.

Sociale schade

Onder deze noemer hebben eisers een totaalbedrag gevorderd van fl. 13.342,-. Daartoe hebben zij allereerst gesteld dat zij vanwege de aangifte van E. in hun woonplaats werden nageroepen zodat zij om die reden hun boodschappen elders zijn gaan doen. Voor de daarmee verband houdende reiskosten vorderen eisers over een periode van 105 weken een bedrag van fl. 4.662,-. Gedaagde heeft primair als verweer aangevoerd dat hij onder meer zelf zeer frequent heeft geconstateerd dat eisers, die in het centrum van hun woonplaats woonachtig zijn, zich daar bevonden, zich ongestoord in het publiek begaven en in het geheel niet in hun vrijheid gehinderd werden in hun woonomgeving. Daartegenover hebben eisers vervolgens slechts gesteld dat zij geen toegangskaartjes kunnen overleggen van de gemeenten waar zij hun boodschappen hebben gedaan. Die reactie volstaat niet als weerlegging van de kern van het door gedaagde gevoerde verweer dat de door eisers gestelde dwingende sociale noodzaak niet is aangetoond. Evenmin hebben eisers enige verklaring in het geding gebracht van psychosociale hulpverleners waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat deze noodzaak wel zo dooreisers is ervaren. Dit deel van de vordering wordt daarom, nog daargelaten de gestelde omvang ervan, afgewezen.

Als tweede element van wat eisers hebben benoemd als sociale schade hebben zij gesteld dat eiser 1 gewoon was te carpoolen met een collega, welke collega echter na het bekend worden van de aangifte van E. niet meer bereid was om met hem samen te rijden. Over een periode van 16 maanden stellen eisers dat daardoor extra reiskosten zijn opgetreden tot een bedrag van fl. 8.640,-. Ook dit deel van de vordering dient te worden afgewezen. Tussen de onrechtmatige daad van gedaagde en deze door eisers gestelde schade bestaat naar het oordeel van de rechtbank een te ver verwijderd verband om deze aan gedaagde als een gevolg van diens onrechtmatige daad te kunnen toerekenen.

Overig

Ten aanzien van de herstelkosten wegens beweerdelijke beschadiging aan de auto vaneisersgeldt dat het bewijs dat deze beschadiging door gedaagde is veroorzaakt, niet dooreisers is geleverd terwijl door hen evenmin is aangeboden dat bewijs te leveren. De rechtbank ziet geen aanleiding eisers ambtshalve tot dat bewijs toe te laten. Derhalve dient reeds bij gebreke van bewijs dit deel van de vordering te worden afgewezen. Eisers hebben voor het overige de door hen gestelde materiële schade onvoldoende (met bescheiden) onderbouwd om daarvan enig bedrag te kunnen toewijzen.

Ad III: kosten van deskundigen

Eisers hebben in het kader van de diverse straf- en civiele procedures deskundigen ingeschakeld en daarvoor kosten gemaakt tot een bedrag van fl. 12.390,-. Omdat daarvan het op fl. 5.696,- begrote deel dat rechtstreeks gerelateerd is aan de strafzaak als onderdeel van de vergoedbare kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 591 Wetboek van Strafvordering reeds uit 's Rijks kas is betaald aan eisers, vorderen zij thans nog het restant van deze kosten ad fl. 6.694,-. Dat bedrag kan echter niet als expertisekosten op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW ten laste van gedaagde worden gebracht. De betreffende kosten zijn immers gemaakt in het kader van de civiele procedures waarin gedaagde geen partij is geweest en aangenomen moet worden dat deze kosten in beginsel alleen tussen de bij het proces betrokken partijen als mede in aanmerking komende vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen. Niet aannemelijk is dat de expertises in de andere procedures noodzakelijk zijn geweest ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid daarvoor van gedaagde.

Ad IV: kosten van rechtsbijstand

Eisers vorderen een bedrag van fl. 12.130,15 als vergoeding van kosten voor de aan hen tegen E. in de civiele procedures verleende rechtsbijstand. Ook dat deel van de vordering moet worden afgewezen. Door de appèlrechter zijn de kosten van het gevoerde kort geding in eerste aanleg en in hoger beroep gelet op de familierelatie tussen partijen gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Met die onherroepelijke beslissing verdraagt zich niet dat eisers diezelfde kosten langs een andere weg van gedaagde vergoed zouden kunnen krijgen.

De vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten (de gestelde reiskosten daarin begrepen) zal ten slotte eveneens worden afgewezen. Eisers hebben onvoldoende gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat er sprake is geweest van andere kosten dan de kosten ter instructie van de zaak en ter voorbereiding van gedingstukken.

10. De slotsom is dat aan eisers een bedrag van fl. 20.000,- oftewel omgerekend EUR 9.075,44 wordt toegewezen. Wettelijke rente daarover is, zoals gevorderd, toewijsbaar vanaf 16 mei 1997.

Hoewel het toewijsbare beduidend lager is dan het door eisers gevorderde bedrag merkt de rechtbank toch gedaagde aan als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, gelet op het oordeel over de door hem gepleegde onrechtmatige daad, zodat zij hem in de kosten van de procedure zal veroordelen, die van het deskundigenonderzoek daarin begrepen in die zin dat gedaagde belast blijft met de daarvoor reeds door hem betaalde kosten.

De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt gedaagde aan eisers te betalen een bedrag van EUR 9.075,44 terzake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 mei 1997 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van eisers. bepaald op EUR 3.164,08 waarvan te betalen aan de griffier van deze rechtbank (op rekeningnummer 1923.25.752 t.n.v. DS 533 arrondissement Arnhem onder vermelding van rolnummer 1997/1209) het bedrag van EUR 2.991,64 te weten:

- EUR 1.288,74 wegens in debet gesteld vast recht verschotten

- EUR 46,60 wegens explootkosten

- EUR 1.656,30 wegens salaris procureur

en het restant van EUR 172,44 aan de procureur van eisers. wegens de eigen bijdrage van eisers,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.J.B. Boonekamp, F.M. Smit en J.T.G. Roovers en uitgesproken in het openbaar op donderdag 7 maart 2002.

De griffier: De voorzitter:

Coll: JR