Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2002:AD8518

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-01-2002
Datum publicatie
28-01-2002
Zaaknummer
00-2091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Rolnummer: 00-2091

Datum uitspraak: 24 januari 2002

Vonnis

in de zaak van

de stichting PATRIMONIUM WOONSTICHTING,

gevestigd te Veenendaal,

eiseres bij dagvaarding van 8 december 2000,

procureur mr. F.J. Boom te Arnhem,

advocaat mr. R.W. van Harmelen te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HANSON BAKSTEEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Lobith en kantoorhoudende te Spijk,

gedaagde bij bovengenoemd exploot,

procureur en advocaat mr. D.P. de Vries te Tiel

1. Het verloop van de procedure

Patrimonium Woonstichting -verder: Patrimonium- heeft bij bovenvermeld exploot Hanson Baksteen Nederland BV -verder:Hanson- voor deze rechtbank doen dagvaarden en vervolgens geconcludeerd voor eis overeenkomstig de dagvaarding met overlegging van 9 producties. Hanson heeft een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring - van Kooy Baksteencentrum BV- genomen waarop Patrimonium in het incident heeft geconcludeerd tot referte. Bij vonnis van 1 maart 2001 is de gevorderde vrijwaring toegestaan. Hanson heeft vervolgens geconcludeerd voor antwoord en daarbij 34 producties in het geding gebracht. Patrimonium heeft daarop geconcludeerd voor repliek en daarbij nog 3 producties in het geding gebracht. Bij die gelegenheid heeft Patrimonium tevens een akte houdende wijziging van eis genomen. Hanson heeft daarop een akte genomen inhoudende dat zij zich tegen deze wijziging niet verzet. Vervolgens heeft Hanson geconcludeerd voor dupliek. Daarop is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 Patrimonium heeft eind 1993/begin 1994 in het kader van het plan "Stad in de Stad" aan bouwmaatschappij Van Elst BV -verder Van Elst- opdracht gegeven voor o.a. de nieuwbouw van appartementen aan "Het Bolwerk" te Veenendaal.

2.2 In het op dit bouwwerk toepasselijke bestek is in paragraaf 22.10.03 bepaald dat voor de buitenmuren gebruik moet worden gemaakt van baksteen, klasse B3, NEN 2489, waalformaat.

2.3 Van Elst heeft de benodigde bakstenen -1.350.000 stuks- gekocht bij Kooy Baksteen BV -verder: Kooy- die deze partij op of omstreeks 5 juli 1994 heeft gekocht bij Hanson.

2.4 De door Hanson geleverde bakstenen zijn afkomstig van Steenfabriek Van Niel NV te Niel, België. Deze steenfabriek maakt onderdeel uit van het Hanson concern waartoe ook gedaagde behoort. Gedaagde Hanson is importeur voor Nederland van de door Steenfabriek Van Niel NV geproduceerde bakstenen. Gedaagde en Steenfabriek Van Niel NV zijn zelfstandige juridische entiteiten.

2.5 Op 1 juni 1994 hebben o.a. vertegenwoordigers van Kooy, Van Elst en Patrimonium een

bezoek gebracht aan Steenfabriek Van Niel NV in verband met de aan te kopen bakstenen ten behoeve van de in opdracht van Patrimonium te realiseren bouw.

2.6 Op 31 oktober 1994 is door Van Elst en Huibers & Jarring BV het metselen en voegen op de bouw stilgelegd in verband met roestvorming in de op dat moment verwerkte bakstenen. Op dat moment waren van de door Kooy geleverde partij ongeveer 120.000 bakstenen verwerkt.

2.7 Op 7 november 1994 heeft in verband met de roestvorming -uitbloedingsverschijnselen-

in de bakstenen een werkbespreking plaatsgevonden waarbij o.a. aanwezig waren vertegenwoordigers van: Steenfabriek Van Niel, Patrimonium, Kooy en Van Elst. Hanson was bij deze bespreking niet aanwezig. Van deze werkbespreking is een verslag gemaakt (prod. 1 cve).

2.8 Tijdens het onder 2.7 bedoelde werkoverleg was namens Steenfabriek Van Niel aanwezig de heer Lagerwey. In het verslag is o.m opgenomen:

"Dhr. Lagerwey: De roestvorming wordt veroorzaakt door pyrieten in de "Boomse"klei (Fe203). Het fenomeen is niet onbekend in België, bij grote koncentraties water kan roestvorming optreden.

Tegen de roestvorming is een middel, indien dit direkt vóór het voegen toegepast wordt, en vervolgens normaal gevoegd wordt, treedt roestvorming niet meer op tenzij regenpijp- of dakgoot-lek plaats vindt.

(...)

Dhr. Dunnink (namens Van Elst, toevoeging Rb.) geeft aan dat bij de fabriek naar de uitbloedingsverschijnselen geïnformeerd is en dat hr. Lagerwey: "van deze roestvorming

géén melding heeft gemaakt." Hr. Lagerwey: door een gewijzigd produktie proces, andere samenstelling e.d. verkeerde men in de veronderstelling dat de roestvorming geheel verholpen was en niet meer op zou treden.

(...)

(Lagerwey merkt op , toevoeging Rb.) in Belgïe gaat men niet direkt voegen maar laat het metselwerk 1/2 à 3/4 jaar rustig uitbloeden, vervolgens reinigt men het metselwerk waarna gevoegd wordt.

Dhr. Tigchelaar: in Nederland zijn wij dit niet gewend, dit wijkt af, hr. Lagerwey is toch Nederlander en moet net als alle andere aanwezigen bekend zijn met de Nederlandse bouwwijze.

Dhr. Roeterdink (namens Patrimonium, toevoeging Rb.) vraagt nogmaals waarom het verschijnsel niet genoemd is.

Dhr. Lagerwey: het fenomeen speelde niet meer en komt praktisch niet voor."

2.9 Hanson heeft de bakstenen door Technisch Centrum voor de Keramische Industrie (TCKI) laten onderzoeken conform NEN 2489. De resultaten van dit onderzoek zijn op 20 december 1994 aan Kooy toegestuurd. Uit de onderzoeksresultaten volgt dat de bakstenen wat betreft de chemische eigenschappen niet voldoen aan klasse B3 conform NEN 2489. Dit rapport is door Kooy toegestuurd aan Van Elst die het op 22 december 1994 heeft toegestuurd aan Patrimonium.

2.10 Patrimonium heeft de klachten laten onderzoeken door Intron. Dit rapport is gedateerd 13 februari 1995.

2.11 Van Elst heeft op 22 februari 1995 TNO gevraagd de reeds uitgebrachte onderzoeksrapporten te beoordelen en advies uit te brengen omtrent de wijze waarop de uitbloedingsverschijnselen kunnen worden verholpen. Naar aanleiding hiervan heeft TNO op 24 februari 1995 rapport uitgebracht aan Van Elst.

2.12 In opdracht van Van Elst heeft TNO een onderzoek gedaan naar mogelijke oplossingen -saneringsmethoden- voor de geconstateerde problemen welke zijn veroorzaakt door de gebruikte bakstenen.

2.13 Op 27 juni 1995 vindt een bespreking plaats tussen Van Elst, Patrimonium, TNO en de directievoerder Huibers& Jarring over de boven bedoelde roestvorming. Tijdens deze bespreking wordt besloten om de betreffende woningen te laten reinigen en te hydrofoberen. In verband hiermee brengt TNO op 20 juli 1995 en 30 augustus 1995 aan Van Elst rapporten uit.

2.14 Op 6 oktober 1995 ontvangt Hanson een afschrift van het rapport waarover op 12 oktober wordt gesproken door Van Elst, Kooy en Hanson waarbij partijen afspreken dat Hanson zal fungeren als opdrachtgever van de door TNO geadviseerde hydrofobeerwerkzaamheden.

2.15 Op 21 juni 1996 heeft Hanson met instemming van Van Elst en Patrimonium aan ICN opdracht gegeven om met de hydrofobeerwerkzaamheden te beginnen . De uitvoering daarvan vindt plaats onder controle van TNO en directievoering van Huibers&Jarring alsmede dagelijks toezicht van Van Elst.

2.16 In maart 1999 zijn partijen overeengekomen dat Van Elst en Hanson ieder de helft van de kosten zullen dragen welke zijn veroorzaakt door -kort gezegd- onvolkomenheden bij de uitvoering van de hydrofobeerwerkzaamheden.

3. De vordering

3.1 Patrimonium vordert na wijziging van haar eis dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht zal verklaren dat Hanson jegens Patrimonium onrechtmatig heeft gehandeld door bakstenen -als gespecificeerd- in het verkeer te brengen terwijl die bakstenen schade veroorzaken bij het normaal gebruik voor het doel waarvoor ze bestemd zijn, terwijl onrechtmatigheid mede voortvloeit uit het feit dat de stenen niet voldoen aan de normen van het Nederlands Normalisatie Instituut, meer specifiek NEN 2489;

II. Hanson zal veroordelen om aan Patrimonium, ten titel voorschreven en tegen algeheel bewijs van kwijting te voldoen een bedrag aan schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III. Hanson zal veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2 Patrimonium voert daartoe aan -samengevat- dat Hanson jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij gebrekkige bakstenen aan van Kooy heeft geleverd welke bakstenen bestemd waren -en ook zijn gebruikt- bij de uitvoering van de door Patrimonium aan Van Elst opgedragen bouwwerkzaamheden.

3.3 Hanson heeft de vordering gemotiveerd bestreden en daartoe onder meer aangevoerd dat zij niet de producent is van de bakstenen en dat zij daarmee ook niet gelijkgesteld kan worden alsmede dat de bakstenen niet gebrekkig zijn.

4 De beoordeling van het geschil

4.1 Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het in het verkeer brengen van een product dat bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd was schade veroorzaakt, onrechtmatig jegens gebruikers van dat product. Zie HR 6 december 1996, NJ 1997, 219, HR 22 oktober 1999, NJ 2000,159 en HR 22 september 2000, NJ 2000, 644. De door de Hoge Raad ontwikkelde regel van productenaansprakelijkheid -buiten het terrein van afd. 6.3.3 BW- ziet op de aansprakelijkheid van de producent. In het arrest van 22 september 2000 kan worden gelezen dat deze regel van productenaansprakelijkheid niet geldt voor de leverancier die niet de producent van het gebrekkige product is. De door de Hoge Raad op grond van artikel 6: 162 BW geformuleerde regel voor productenaansprakelijkheid geldt derhalve in beginsel alleen voor het in het verkeer brengen van producten door de producent.

4.2 Patrimonium houdt Hanson op grond van de onder 4.1 bedoelde regel aansprakelijk voor de schade ten gevolge van het door haar gestelde -en door Hanson betwiste- gebrek in de door Steenfabriek Van Niels NV geproduceerde bakstenen. Het staat vast dat de bakstenen in België zijn geproduceerd door Steenfabriek Van Niels NV. Hanson is derhalve niet de "oerproducent" van deze bakstenen zoals Patrimonium -ten onrechte- in de dagvaarding onder punt 4 stelt.

Nu Hanson niet de producent is moet de vraag worden beantwoord of Hanson op grond van de omstandigheden met de producent kan worden gelijkgesteld. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Opdrachtgever Patrimonium, aannemer Van Elst alsmede leverancier Van Kooy waren ervan op de hoogte dat Steenfabriek Van Niels NV de producent was toen de betreffende bakstenen -door Van Kooy- ten behoeve van de in opdracht van Patrimonium te realiseren bouw bij Hanson werden besteld. Uit het onder 2.7 genoemde verslag volgt ook dat Steenfabriek Van Niels NV als producent heeft deelgenomen aan de betreffende bespreking in verband met de geconstateerde uitbloedingsverschijnselen. Voor de betrokken partijen is dus steeds duidelijk geweest -zowel vòòr de aankoop als na de levering en de verwerking van de bakstenen dat Steenfabriek Niels NV de producent is. Van de zijde van Patrimonium zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die mee zouden kunnen brengen dat Hanson , hoewel zij dus niet de fabrikant is, zich toch als producent heeft gepresenteerd. Patrimonium heeft niet bestreden dat Hanson voor Nederland optreedt als importeur van bakstenen die worden geproduceerd door baksteenfabrieken die tot het Hanson-concern behoren en dat Hanson en Steenfabriek Van Niels NV twee zelfstandige rechtssubjecten zijn. Het enkele feit dat Hanson en producent Steenfabriek Van Niels NV tot hetzelfde concern behoren is onvoldoende om Hanson gelijk te stellen met de producent.

4.3 Hanson is niet de producent en kan daarmee ook niet worden gelijkgesteld. De onder 4.1 aangehaalde regel van productenaansprakelijkheid ziet dus niet op de verhouding Patrimonium - Hanson. Patrimonium heeft haar vordering echter alleen op deze grondslag gebaseerd. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld noch gebleken waaruit op basis van een andere dan de door Patrimonium aangevoerde grond een eventuele aansprakelijkheid van Hanson voor de door Patrimonium gevorderde schadevergoeding zou kunnen voortvloeien. De vordering van Patrimonium zal dan ook worden afgewezen.

4.4 De afwijzing van de vordering brengt met zich dat Patrimonium zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt Patrimonium als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure, aan de zijde van Hanson tot heden begroot op € 246,31 voor verschotten en

€ 1.170,75 voor salaris van de procureur.

5.3 Verklaart dit vonnis op onderdeel 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wammes en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op donderdag 24 januari 2002.

De griffier: De rechter: