Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2001:ZF1327

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-02-2001
Datum publicatie
16-07-2001
Zaaknummer
98/1803
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 30, geldigheid: 2001-02-19
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 36, geldigheid: 2001-02-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te ArnhemEnkelvoudige Kamer Bestuursrecht

Reg.nr.: 98/1803

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A, wonende te B, eiser, en De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 augustus 1998.

2. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 3 november 1997 heeft verweerder afgewezen eisers aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Vogelwet ten behoeve van de opvang van roofvogels en uilen (de zogenaamde vogelvergunning F categorie B) te C (L.).

Door eiser is op 5 december 1997 tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Op 7 juli 1997 heeft in het kader van de behandeling van dit bezwaar een hoorzitting in de zin van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) plaatsgevonden. Eiser is in persoon verschenen.

Bij het hierboven aangeduide besluit van 24 augustus 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser op 25 september 1998 beroep ingesteld, waarna de gronden van het beroep namens eiser zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift van 14 december 1998 van mr. A.V.T. de Bie, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Leusden.

Verweerder heeft op 22 januari 1999 een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 14 januari 2000 en 4 april 2000 respectievelijk 4 april 2000 en 14 april 2000 zijn van de zijde van eiser onderscheidenlijk van de zijde van verweerder nadere stukken in het geding gebracht. Naar de inhoud van deze - aan partijen toegezonden dan wel bekende - stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 27 november 2000, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. B. Nijman, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. A. Hofstede-Bron, werkzaam bij verweerders ministerie.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat binnen een straal van 15 km van C reeds een vogelasiel is gevestigd, waar een vogelvergunning categorie A is verleend, op grond waarvan de onderwerpelijke vergunning moet worden geweigerd. Dit beleid wordt consequent, zij het met enige beleidsvrijheid, toegepast, aldus verweerder. De Vogelbescherming Nederland is belast met het adviseren met betrekking vergunningen als de onderwerpelijke. Er wordt zorgvuldig omgegaan met het verstrekken van gegevens van vergunningaanvragers aan deze particuliere organisatie. Er is een aantal tekortkomingen geconstateerd, zoals het niet telefonisch bereikbaar zijn en het niet aanwezig zijn van de vergunninghouder bij het vogelasiel, alsmede dat een slechts gering aantal vogels is opgevangen.

Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat nooit enige klacht is gehoord van de zijde van verweerder en dat hij dus niets heeft kunnen doen om de situatie te verbeteren. Een aantal geconstateerde tekortkomingen doen zich niet voor; zo heeft eiser een mobiele telefoon en maakt hij gebruik van een antwoordapparaat, terwijl bij het vogelasiel door middel van een aldaar aangebrachte brief naar zowel het mobiele als privé-telefoonnummer wordt verwezen; er wordt gewerkt met vrijwilligers, hetgeen niet ongebruikelijk is; er zijn goede resultaten bereikt; dat hij in B woont, doet daar niet aan af. Voorts is eiser van opvatting dat het gevoerde beleid geen basis vindt in de wet, hetgeen is vereist. Bovendien wordt het niet consequent toegepast. Op grond van de beleidsvrijheid die verweerder toepast zou hij juist vergunning moeten krijgen, aldus eiser. Eiser heeft er op gewezen dat er ook vergunningen zijn verleend aan vogelasiels die niet aan het spreidingscriterim voldoen. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de adviserende rol van de Vogelbescherming geen basis vindt in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat alleen advies kan worden gevraagd bij nieuwe aanvragen, waarvan in casu volgens eiser geen sprake is en dat de criteria die worden gehanteerd niet duidelijk zijn. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat het vergunningenstelsel als bedoeld in artikel 21 van de Vogelwet 1936 zich niet verdraagt met de artikelen 28 en 30 van het EG-vedrag.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 5 van de Vogelwet 1936 (hierna: Vogelwet) is het doden, pogen te doden, vangen, pogen te vangen of opzettelijk verontrusten van beschermde vogels verboden.

Deze wet verstaat blijkens het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder ten tweede, onder "beschermde vogels": alle vogels, welke behoren tot een der in Europa in het wild levende soorten, met uitzondering van de tamme duiverassen, de tamme knobbelzwanen en de in artikel 2 van de Jachtwet genoemde vogels.

Artikel 7 van de Vogelwet bepaalt dat het is verboden beschermde vogels, vogels als bedoeld in artikel 2 of producten van die vogels onder zich te hebben, te koop te vragen, te kopen, te koop aan te bieden, ten verkoop voorhanden of voorradig te hebben, te verkopen, af te leveren, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, tentoon te stellen of binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen.

Het eerste lid van artikel 8 van de Vogelwet verbiedt het zoeken, rapen, uithalen of het opzettelijk vernielen dan wel beschadigen van eieren van beschermde vogels of het verstoren, het opzettelijk vernielen dan wel beschadigen of het wegnemen van hun nesten.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is het pogen eieren van beschermde vogels te rapen of uit te halen en het pogen hun nesten te verstoren of weg te nemen verboden.

Ingevolge artikel 9 van de Vogelwet is het verboden nesten of eieren van beschermde vogels of van vogels als bedoeld in artikel 2 onder zich te hebben, te koop te vragen, te kopen, te koop aan te bieden, ten verkoop voorhanden of voorradig te hebben, te verkopen, af te leveren, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, tentoon te stellen of binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen.

Artikel 21 van de Vogelwet bepaalt dat in het belang van de vogelstand, de opvoeding of de wetenschap vergunning kan worden gegeven tot het verrichten van bij de artikelen 5, 7, 8 en 9 verboden handelingen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de Vogelwet worden de bij deze wet bedoelde vergunningen of vrijstellingen verleend overeenkomstig regelen en op voorwaarden, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

Artikel 16, eerste lid, van het Vogelbesluit 1994 bepaalt, voor zover te dezen van belang, dat vergunningen als bedoeld in artikel 21 van de wet worden verleend door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Met betrekking tot eisers betoog dat het vergunningenstelsel als bedoeld in artikel 21 van de Vogelwet in strijd is met het bepaalde in de artikelen 30 (oud: thans artikel 28) en 36 (oud: thans artikel 30) van het EG-verdrag overweegt de rechtbank als volgt.

In het ten tijde van het bestreden besluit geldende artikel 30 van het EG-verdrag zijn kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de Lid-Staten verboden.

Ingevolge artikel 36 van het EG-verdrag, zoals dat tot 30 april 1999 luidde, en voor zover te dezen van belang, vormt de bepalingen in artikel 30 geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen.

Nu er geen grond is om aan te nemen dat eisers aanvraag een verzoek met betrekking tot het intracommunautair handelsverkeer inhoudt, zijn de artikelen 30 (oud) en 36 (oud) van het EG-verdrag naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat eiser met betrekking tot het verlenen van vogelvergunningen F (asielen) een restrictief beleid voert. Dit beleid houdt in dat vergunningen als vorenbedoeld worden verleend voor zover er behoefte bestaat aan mogelijkheden tot opvang van zieke en gewonde vogels. In beginsel wordt geen vergunning verleend indien binnen een straal van 15 km reeds een vogelasiel is gevestigd met eenzelfde of een ruimer type vergunning. Hiermee wordt een noodzakelijk geachte spreiding bereikt, die nodig is om een effectieve opvang van zieke, gewonde of anderszins niet valide beschermde vogels te bewerkstelligen. Daarnaast geldt dat binnen de genoemde straal, naast een bestaand asiel, ruimte kan worden geboden aan een gespecialiseerd asiel, mits er daardoor daadwerkelijk sprake is van een duidelijke verbetering van de opvangmogelijkheden.

Voorts kan van het beleid worden afgeweken indien sprake is van een niet of nauwelijks effectief asiel binnen een straal van 15 km. In dat geval wordt een aanvrager van een te vestigen asiel het beleid niet tegengeworpen.

Ten aanzien van eisers bezwaar dat dit door verweerder gehanteerde beleid geen toereikende wettelijke basis heeft, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 21 van de Vogelwet bevoegd is de onderwerpelijke vergunningen te verlenen en, gelet op de redactie van die bepaling, daarbij beleidsvrijheid heeft. De rechtbank is van oordeel dat de bevoegdheid tot vergunningverlening niet uitputtend geregeld is in het op artikel 27, eerste lid, van die wet gebaseerde Vogelbesluit. De rechtbank wijst er daarbij op dat de samenhang tussen de artikelen 21 en 27, eerste lid, van de Vogelwet aldus verstaan dient te worden dat, indien verweerder gebruik wenst te maken van zijn bevoegheid om een in artikel 21 bedoelde vergunning te verlenen, deze vergunning verleend dient te worden overeenkomstig de regelen en voorwaarden die bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur zijn vastgesteld.De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op grond van artikel 21 van de Vogelwet beleidsregels kan hanteren ten aanzien van de wijze waarop hij gebruik wenst te maken van de bevoegdheid om vergunningen als in dat artikel bedoeld te verlenen.

Gelet op het beroep dat namens eiser is gedaan op het KB van 24 juli 1976, nr. 30, dat in AB 1977/3 is gepubliceerd, merkt de rechtbank het volgende op. In die zaak was de vraag aan de orde of een valkerijvergunning geweigerd mocht worden op de grond dat de aanvrager van die vergunning niet voldeed aan de voorwaarde dat hij lid was van een bepaalde valkeniersvereniging. Deze vraag werd in genoemd KB ontkennend beantwoord omdat deze voorwaarde was gebaseerd op een interne beleidslijn en niet op een algemeen verbindend voorschrift, zoals het toenmalige Vogelbesluit 1937 verlangde. Naar het oordeel van de rechtbank biedt genoemd KB geen steun voor eisers standpunt dat het hierboven aangehaalde spreidingsbeleid dient te berusten op een algemene maatregel van bestuur, aangezien dit beleid -anders dan de in het KB aan de orde zijnde voorwaarde- geen nadere eisen stelt aan de aanvrager van de vergunning.

Met betrekking tot het argument van eiser dat het beleid in casu niet van toepassing is omdat er geen sprake is van een aanvraag voor een te vestigen asiel maar een aanvraag om verlenging van een vergunning voor een reeds bestaand asiel overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat eiser voorafgaande aan de onderwerpelijke aanvraag bij besluit van 1 maart 1994 een vergunning als thans in het geding is verstrekt, welke vergunning op 31 augustus 1997 afliep, in verband waarmee de onderwerpelijke aanvraag is gedaan. Voorts is de rechtbank gebleken dat deze vergunning is verstrekt op basis van de, onjuiste, door eiser bij de aanvraag van die vergunning verstrekte informatie, dat hij reeds in het bezit was van een vergunning. Daargelaten de vraag welke oorzaak aan het verstrekken van deze onjuiste informatie ten grondslag heeft gelegen, vast staat, en dat wordt ook niet betwist, dat eiser voorafgaande aan de vergunningverlening niet in het bezit was van een vogelvergunning F. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat verweerder eiser op basis van het gevoerde beleid geen vergunning zou hebben verstrekt indien van de juiste informatie zou zijn uitgegaan. Verweerder is echter, toen van de gemaakte fout bleek, niet overgegaan tot intrekking van de vergunning.

De rechtbank acht het onder de bovengeschetste omstandigheden niet onjuist dat verweerder de aanvraag van eiser als een aanvraag om vergunning voor een te vestigen asiel heeft opgevat en deze aanvraag heeft getoetst aan het ter zake gevoerde beleid.

De rechtbank is van oordeel dat dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft.

Vast staat voorts, en dit wordt door eiser ook niet betwist, dat binnen een straal van 15 km van zijn te C (L.) gevestigde asiel verschillende asielen zijn gevestigd met een gelijke of ruimer type vogelvergunning.

Geconstateerd moet dan ook worden dat eiser op grond van het gevoerde beleid in beginsel niet in aanmerking komt voor de door hem aangevraagde vergunning. De interpretatie van eiser van het gevoerde beleid, in die zin dat hij, nu is gebleken dat zijn asiel weinig vogels heeft opgevangen, op grond van het beleid nu juist wel in aanmerking komt voor een vogelvergunning als aangevraagd, acht de rechtbank onjuist.

Van bijzondere omstandigheden die verweerder er toe hadden moeten brengen van het beleid af te wijken, is de rechtbank niet gebleken.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat aan een met name genoemde persoon die ook niet voldeed aan het het door verweerder gehanteerde spreidingsbeleid wel een vergunning is verleend.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat verweerder in dat geval vergunning heeft verleend op basis van de veronderstelling dat binnen een straal van 15 km geen ander vogelasiel was gevestigd, hetgeen onjuist bleek te zijn. Nadien is deze persoon een nieuwe vergunning categorie A op grond van het spreidingscriterium geweigerd, terwijl wordt bezien of de aan deze persoon verleende vergunning categorie D moet worden ingetrokken.

De rechtbank is van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet zover gaat dat verweerder gehouden zou zijn een gemaakte fout te blijven herhalen.

Met betrekking tot de de door eiser in beroep aangevoerde stelling dat verweerder niet consequent de hand houdt aan het beleid overweegt de rechtbank dat gebleken is dat het spreidingscriterium niet uitsluit dat binnen een straal van 15 km meer dan een vogelasiel is gevestigd, mits dat voldoet aan de in het beleid geformuleerde voorwaarden.

Niet is gebleken dat door eiser aan bedoelde voorwaarden wordt voldaan.

De rechtbank is, in tegenstelling tot hetgeen door eiser hieromtrent is aangevoerd, van oordeel dat verweerder niet volstaan heeft met een verwijzing naar het terzake gevoerde beleid, maar gemotiveerd heeft aangegeven op welke gronden eiser niet voor de betreffende vergunning in aanmerking komt. Van schending van artikel 4:82 van de Awb is dan ook geen sprake.

Met betrekking tot eisers argument dat verweerder ten onrechte aan de Vogelbescherming Nederland advies vraagt bij aanvragen om vergunningen als de onderwerpelijke, overweegt de rechtbank dat geen wettelijke bepaling is aan te wijzen die het vragen van advies aan een particuliere organisatie als de Stichting Vogelbescherming uitsluit.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verweerder eisers aanvraag in redelijkheid heeft kunnen afwijzen, reeds omdat niet wordt voldaan aan het ter zake gevoerde beleid en er geen omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan van dat beleid zou moeten worden afgewezen.

Dit betekent dat, nu het bestreden besluit om die reden in stand kan blijven, de overige door eiser in beroep aangevoerde stellingen naar het oordeel van de rechtbank geen verdere bespreking behoeven.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.F. Bijloo, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2001, in tegenwoordigheid van mr. S.I.A. Hensen als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's Gravenhage.

Verzonden op: 27 februari 2001