Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2001:AD6183

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-10-2001
Datum publicatie
10-12-2001
Zaaknummer
Awb 00/1798
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: Awb 00/1798

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A e.a.,

wonende te B, eisers,

en

het Bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers te Rijswijk, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 augustus 2000.

2. Procesverloop

Eisers hebben op 23 december 1998 bij verweerder een aanvraag ingediend tot vergoeding van kosten van medische behandeling.

Bij beslissingen van 7 januari 1999 en van 29 maart 1999 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Tegen laatstgenoemde beslissing heeft mr. M.S. Meima, medewerker bij het Bureau voor Rechtshulp te Leeuwarden, namens eisers op 6 mei 1999 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 12 juli 2000 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het namens eisers ingestelde beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar gegrond verklaard en verweerder opgedragen alsnog binnen zes weken een besluit te nemen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het eerdergenoemde besluit van 29 maart 1999 gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft mr. Meima namens eisers op 25 september 2000 beroep bij de rechtbank ingesteld, waarna de gronden van het beroep zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift van 23 oktober 2000.

Verweerder heeft op 5 december 2000 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 10 oktober 2001. Namens eisers is aldaar mr. M.C. Boon verschenen, medewerker van het Buro voor Rechtshulp te Leeuwarden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R. van Duffelen.

3. Overwegingen

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997) kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, bedoeld in artikel 5, onderdeel g, die hij heeft gemaakt. Onder buitengewone kosten worden blijkens het tweede lid van die bepaling verstaan noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald. Buitengewone kosten worden ingevolge het derde lid van artikel 14 slechts betaald voorzover vooraf door het COA aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming. De toestemming wordt blijkens het vierde lid van artikel 14 verleend, voor zover de kosten noodzakelijk zijn en niet op andere wijze in de betaling kan worden voorzien.

Standpunten van partijen

In het besluit van 29 maart 1999 heeft verweerder de aanvraag tot vergoeding van de kosten van een psycho-diagnostisch onderzoek afgewezen omdat eisers niet voorafgaand aan het onderzoek toestemming aan verweerder hebben gevraagd. Verweerder heeft daardoor niet vooraf kunnen beoordelen of de kosten voor dat onderzoek noodzakelijk waren. Voor zover eisers zich beroepen op vergelijkbare situaties, waarin wel vergoedingen zijn toegekend, zijn deze volgens verweerder in strijd met de regeling toegekend. Zeker nu eisers vanaf de aanvang beschikken over rechtsbijstand kunnen hen de voorwaarden van de regeling worden tegen-geworpen. Ten slotte is verweerder van mening dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake was van een noodsituatie, waardoor vooraf geen toestemming kon worden gevraagd.

Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen en stellen zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheids-vereiste en het motiveringsvereiste. Ter zitting is in dat verband nog gewezen op verweerders uitvoeringspraktijk waarmee het Bureau van Rechtshulp te Leeuwarden werd en wordt geconfronteerd, namelijk dat nota's ook als vooraf geen toestemming is verleend, achteraf worden betaald.

De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 29 maart 1999 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Blijkens de stukken is de declaratie van eisers op 23 december 1998 door het Bureau voor Rechtshulp ingediend bij het Asielzoekerscentrum (AZC) Grave, waar eisers op dat moment verbleven. Bij brief van 7 januari 1999, ondertekend door de administratie van het AZC Grave, is het Bureau voor Rechtshulp mede-gedeeld dat de rekening niet valt onder de betalingen van dat AZC en is de factuur teruggestuurd.

De rechtbank is van oordeel dat de brief van 7 januari 1999 moet worden beschouwd als de afwijzing van een aanvraag tot het nemen van een besluit, en mitsdien als een appellabel besluit in de zin van de Awb. Hieraan kan niet afdoen dat aan dat besluit een aantal formele gebreken kleeft. Dit brengt mee dat de brief die namens eisers in reactie op het besluit van 7 januari 1999 is verzonden (gedateerd 20 januari 1999), en waarin het standpunt wordt ingenomen dat de kosten wel voor vergoeding in aanmerking dienen te komen, moet worden beschouwd als een tegen dat besluit gericht bezwaarschrift. De brief die verweerder vervolgens op 29 maart 1999 naar het Bureau voor rechtshulp heeft gestuurd, en waarin de weigering tot vergoeding is toegelicht, kan dan niet anders worden gezien dan als een beslissing op bezwaar. Het namens eisers ingediende bezwaarschrift van 6 mei 1999 had derhalve door verweerder ter behandeling als beroep naar de rechtbank moeten worden doorgezonden. De beslissing van 15 augustus 2000 tot ongegrondverklaring van dit bezwaar is in zoverre onbevoegd genomen en dient te worden vernietigd.

Met betrekking tot de rechtmatigheid van de beslissing op bezwaar, gedateerd 29 maart 1999, overweegt de rechtbank als volgt. Het namens eisers ingenomen standpunt dat declaraties als de onderhavige namens verweerder in de regel wel worden gehonoreerd, en dat in die zin van de voorschriften van de Rva 1997 wordt afgeweken, is door de gemachtigde van verweerder niet weersproken. Ter zitting heeft deze bevestigd dat in de praktijk van de AZC's niet eenduidig werd gehandeld en dat nota's ook zonder voorafgaande toestemming werden vergoed. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel moet slagen en dat het besluit van 29 maart 1999 mitsdien voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder heeft de declaratie niet op de hierboven weergegeven gronden kunnen afwijzen. Het feit dat de AZC's inmiddels zijn geïnstrueerd om de Rva 1997 strikt toe te passen, maakt het vorenstaande niet anders.

Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en ook het besluit van 29 maart 1999 vernietigen.

Slotoverwegingen

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op f. 1.420,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 15 augustus 2000;

vernietigt het besluit van 29 maart 1999;

gelast verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van f. 1.420,-;

wijst het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat het COA aan eisers het door hen betaalde griffierecht ad f. 225,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.J. Catsburg, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2001 in tegenwoordigheid van mr. E.M. Vermeulen als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 5 november 2001

Coll: