Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2001:AD5940

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-11-2001
Datum publicatie
21-11-2001
Zaaknummer
05.095062-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

In de zaak van:

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

"verdachte",

thans verblijvende en tevens ingeschreven in het huis van bewaring te Grave, aan de Muntlaan 1.

Raadsman: mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

Parketnummer : 05.095062-01

Zittingsdatum : 7 november 2001 (tegenspraak)

Uitspraak : 21 november 2001

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van de dagvaarding is hierna opgenomen als bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijf-fouten voorko-men, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

1a. De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 05.007680-98), welke vordering op de bij de wet voorgeschreven wijze aan veroordeelde is betekend en waarvan hierna een fotokopie (bijlage I a) is ingevoegd en de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

1b. De vordering omzetting alternatieve sanctie en tenuitvoerlegging

Bij de stukken bevindt zich eveneens een vordering omzetting alternatieve sanctie en tenuitvoerlegging (parketnummer 05.007680-98), welke vordering op de bij de wet voorgeschreven wijze aan veroordeelde is betekend en waarvan hierna een fotokopie (bijlage I b) is ingevoegd en de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 7 november 2001 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte versche-nen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd "benadeelde 1" en "benadeelde 2" die vorderen dat verdachte -wordt veroordeeld aan hen te beta-len een bedrag van respectievelijk ¦ 7.500,00 en ƒ 1.250,00 aan schadever-goe-ding.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3, 4 subsidiair, 5 en 6 tenlastegelegde zal worden veroor-deeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd in verzeke-ring en voorlopige hechtenis doorge-bracht. Daarnaast heeft de officier van justitie terbeschikkingstelling met verpleging van overheidsoverwege gevorderd.

Verder vordert de officier van justitie dat de onder verdachte inbeslaggenomen Vitesse-sjaal, Coop-tas en mes verbeurd worden verklaard.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 6 maanden gevangenisstraf die door de rechtbank te Arnhem op 27 oktober 1999 voorwaardelijk is opgelegd en daarnaast persisteert de officier van justitie bij de vordering omzetting alternatieve sanctie.

De officier van justitie heeft voorts geëist dat de vorderingen van de benadeelde partij "benadeelde 1 en benadeelde 2" respectievelijk tot een bedrag van ¦ 7.500,00 en ƒ 1.250,00 worden toegewezen en dat er een schadever-goedingsmaat-regel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opge-legd tot deze bedragen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 70 en 25 dagen hechte-nis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging ge-voerd.

3. De beslis-sing inzake het bewijs

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 2, 4 primair, 5 en 6 is tenlastege-legd en zal hem daarvan vrij-spreken.

Ten aanzien van de feiten 2, 5 en 6 is de rechtbank er niet van overtuigd dat verdachte de dader is geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat herkenningen bij enkelvoudige confrontaties makkelijk kunnen leiden tot het aanwijzen van een verkeerde als dader. Als zoals hier de signalementen van dader en verdachte al niet of niet geheel overeenkomen en er ook nog suggestieve vragen worden gesteld overtuigt de confrontatie niet. Onder die omstandigheden is een enkelvoudige spiegelconfrontatie onvoldoende.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdach-te de feiten 1 subsidiair, 3 en 4 subsidiair heeft begaan voor zover niet doorgestreept in bijlage II.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe-zen. Verdach-te moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijs-middelen zijn vervat. Voor zover meer feiten ten laste zijn gelegd, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en 4 subsidiair, telkens :

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Over verdachte is onder meer een multidisciplinair rapport opgemaakt door drs. I.E.I.M. van Eynde, klinisch psycholoog, en dr. L.H.W.M. Kaiser, psychi-ater, respectievelijk geda-teerd 21 en 24 augustus 2001, waarin zij conclu-deren dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten sprake was van een aanpassingsstoornis. De deskundigen concluderen dat verdachten de feiten - indien bewezen - in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich met die conclusie en maakt die tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de om-stan-dighe-den waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarbij is gelet op:

- een uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 5 juni 2001;

- een voorlichtingsrapport van De Grift, d.d. 5 juli 2001, betreffende ver-dach-te;

- een multidisciplinair rapport van de deskundigen J. Dam, psychiater, en P.K. Kristensen, psycholoog, respectievelijk gedateerd 21 mei 2001 en 30 juni 2001;

- het onder 5. genoemde rapport.

De rechtbank overweegt verder nog als volgt:

Verdachte heeft op straat een tot dan toe voor hem onbekende vrouw gedwongen bij hem in de auto te stappen en op een later moment, nadat hij haar eerst een handdoek over haar hoofd had gelegd en haar een geblindeerde zonnebril had opgezet en vervolgens vervoerd had naar zijn woning, gedwongen tot het plegen dan wel dulden van seksuele handelingen. Het slachtoffer is daardoor in zodanige psychische problemen gekomen dat zij enorme moeite heeft haar leven weer op te pakken en om weer als een volwaardig persoon in de maatschappij te kunnen meedraaien.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een langdurige gevangenisstraf, die deels voorwaardelijk zal zijn. De voorwaardelijke straf die zal worden opgelegd, dient als waar-schu-wing voor verdachte om zich voortaan van het plegen van delicten te onthouden. De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaarde-lijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclasse-ring, ook als dit mocht inhouden een ambulante behandeling bij de Gelderse Roos of Kairos.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling (parket-nummer 05.007680-98).

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank de feitelijke grondslag van de vordering van de officier van justitie juist.

Zij zal derhalve de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijke gevangenis-straf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Arnhem, d.d. 27 oktober 1999.

Ten aanzien van de vordering omzetting alternatieve sanctie en tenuitvoerlegging (parketnummer 05.007680-99).

De rechtbank is van oordeel dat de in voormelde vordering genoemde feitelijke grondslag voor omzetting van de opgelegde onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in een onvoorwaardelijke vrijheidsbene-mende straf juist is gebleken.

Op grond van hetgeen ter zitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde straf niet naar behoren is verricht en vindt zij termen aanwezig de vordering van de officier van justi-tie toe te wijzen met dien verstande dat rekening wordt gehouden met het verrichte aantal uren onbetaalde arbeid, te weten 4 uren (zijnde 2 dagen).

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven Vitesse-sjaal, Coop-tas en mes aan de verdachte dient te worden teruggegeven.

6a. De beoordeling van de civiele vorde-ringen, alsmede de gevor-derde op-legging van de schadevergoedings-maat-regel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde-ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Aan de benadeelde partij "benadeelde 1" is door de onder 3 en 4 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermo-gensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die bedoeld in artikel 6:106 van het Burger-lijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid acht de rechtbank het gevorderde bedrag geheel toewijsbaar.

De rechtbank zal de benadeelde partij "benadeelde 2" niet-ontvankelijk verklaren in de vordering omdat haar schade niet is toegebracht door een van de bewezenverklaarde feiten.

Voor de toewijsbare vordering geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoe-dingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplich-ting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebe-drag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij "benadeelde 1", omdat verdachte jegens de benadeelde partij "benadeelde 1" naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond, behalve op de reeds aangehaalde wette-lijke voor-schriften, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14h, 14i, 14g, 14j, 22g, 22h, 22i, 22j, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Straf-recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair, 2, 4 primair, 5 en 6 tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlas-tegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt ver-dach-te daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de straf-bare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

EEN GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN ZESENDERTIG (36) MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf ACHT ( 8) MAANDEN niet zullen worden tenuitvoergelegd, ten-zij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van TWEE (2) JAREN. De tenuitvoerleg-ging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proef-tijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dan wel niet is nagekomen de volgende bijzondere voorwaarde:

- Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzin-gen die hem door of namens de (stich-ting) Re-classe-ring Nederland zullen worden gegeven, ook als dit zal inhouden ambulante behandeling bij de Gelderse Roos of Kairos of een andere vergelijkbare instelling, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling no-dig wordt geacht en met opdracht aan die stichting ingevolge artikel 14 d van het Wetboek van Straf-recht.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering wordt gebracht.

Beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven Vitesse-sjaal, Coop-tas en mes aan verdachte.

En voorts ten aanzien van de feiten 3 en 4 subsidiair:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij "benadeelde 1".

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan "benadeelde 1"te betalen ¦ 7.500,00 (zegge zevenduizend vijfhonderd gulden).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad ¦ 7.500,00, subsidiair 70 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer "benadeelde 1", te betalen ¦ 7.500,00, (zegge zevenduizend vijfhonderd gulden), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 70 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer "benadeelde 1" de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

En voorts ten aanzien van feit 6:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij "benadeelde 2".

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met het parketnummer 05.007680-99.

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de tijd van ZES (6) MAANDEN voorwaar-delijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 27 oktober 1999.

Ten aanzien van de vordering omzetting alternatieve sanctie en tenuitvoerlegging met het parketnummer 05.007680-99.

Legt alsnog op de gevangenisstraf voor de duur van HONDERDACHTENZEVENTIG (178) DAGEN, in plaats waarvan voormelde straf van onbetaalde arbeid werd opgelegd bij voormeld vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 27 oktober 1999.

Gelast de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsbenemende straf,

Wijst de vordering voor het overige af.

Aldus gewezen door:

mrs.

H. Eigenberg, rechter als voorzitter,

H.P.M. Kester, vice-president,

J.C.E. Ackermans-Wijn, rechter,

in tegenwoordigheid van J. van Elst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 november 2001.