Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2001:AD3559

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-07-2001
Datum publicatie
18-09-2001
Zaaknummer
01/597 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 01/597 ZW

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres] v.o.f. te [plaats], eiseres,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, vertegenwoordigd door

Gak Nederland bv te Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 februari 2001.

2. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2000 heeft verweerder aan mw.[medewerkster], werkzaam in dienstbetrekking bij eiseres, meegedeeld dat met betrekking tot haar ziekmelding ingaande 26 juli 2000, tot 8 september 2000 geen ziekengeld wordt uitbetaald aan eiseres (als werkgeefster). Verweerder voert daartoe aan dat bovenbedoelde ziekmelding eerst op 8 september 2000 van eiseres is ontvangen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 38a van de Ziektwet (ZW).

Namens eiseres is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres beroep ingesteld, waarna de gronden van het beroep zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift van 18 april 2001.

Verweerder heeft op 16 mei 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 11 juli 2001, waar eiseres (na voorafgaande berichtgeving) niet is vertegenwoordigd en waar verweerder is vertegenwoordigd door dhr. A.C.M. van de Pol, werkzaam bij Gak Nederland BV te Arnhem.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

In het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiseres, als werkgeefster van de uitkeringsgerechtigde -in casu mw. [medewerkster]- niet in haar bezwaar kan worden ontvangen, aangezien zij geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, omdat de belangen van eiseres niet rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken.

In het verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt aldus nader toegelicht dat tussen eiseres en de werkneemster een contractuele relatie bestaat, welke relatie wordt beheerst door de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor de werkgever bestaat onder andere de verplichting tot loondoorbetaling bij ziekte van de werknemer. Eiseres heeft mitsdien als werkgeefster bij het besluit van 9 oktober 2000 slechts een afgeleid belang op grond van de contractuele relatie.

De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder niet en overweegt daartoe als volgt.

In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat verweerder in het onderhavige geschil - naar het oordeel van de rechtbank: terecht - niet uitgaat van het belanghebbende begrip als neergelegd in artikel 2a van de ZW.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:2, lid 1, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Met het in het verweerschrift neergelegde standpunt doelt verweerder kennelijk op hetgeen reeds door de Centrale Raad van Beroep is overwogen in zijn uitspraak van 26 november 1996 (RSV 1997/117), te weten dat iemand niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, lid 1, van de Awb kan worden aangemerkt, als het besluit slechts gevolgen met zich brengt via een contractuele relatie.

Tussen een werkgever en een werknemer is er uiteraard sprake van een contractuele relatie, hetgeen in het voorliggende geval niet anders is. Gelet op het bepaalde in artikel 38a, lid 2, van de ZW is de werkgever echter gehouden aan verweerder (zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan de vierde dag van de ongeschiktheid tot werken) de eerste werkdag waarop de verzekerde werknemer wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van arbeid, te melden.

In het derde lid wordt vervolgens bepaald dat ingeval voornoemde termijn door de werkgever wordt overschreden, het ziekengeld niet wordt uitbetaald tot de datum van de (te late) melding. Het ziekengeld wordt dan niet uitbetaald aan de werkgever.

Uit voorgaande wettelijke bepalingen leidt de rechtbank af dat ook tussen verweerder en eiseres een rechtstreekse relatie aanwezig is. De rechtbank volgt dan ook niet verweerder in zijn standpunt dat het besluit van 9 oktober 2000 voor eiseres slechts gevolgen heeft door de contractuele relatie die zij met de werkneemster heeft. Aldus komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres een rechtstreeks belang heeft bij het besluit van 9 oktober 2000.

Verweerder heeft derhalve ten onrechte wegens het ontbreken van belang het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op f 710,= aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van f 710,=;

bepaalt voorts dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht ad f 450,= vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.J. Schaap, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2001, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 16 juli 2001

Coll: