Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2001:AD3413

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-05-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
00/226 WOW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 00/226 WOW44

UITSPRAAK

in het geding tussen

A te B, C te D, E te F, G en H beiden te I, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 24 januari 2000.

2. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 1999 heeft verweerder geweigerd aan eisers een aanlegvergunning te verlenen ten behoeve van het verplaatsen en slopen van een oprit op eisers perceel aan de […] te J.

Bij schrijven van 1 september 1999 hebben eisers tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Eisers zijn in de gelegenheid gesteld hun bezwaren toe te lichten ter hoorzitting van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 5 november 1999 en hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Voornoemde commissie heeft ter zake op 26 november 1999 een advies aan verweerder uitgebracht.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij schrijven 1 februari 2000 beroep ingesteld.

Bij schrijven van 1 mei 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 10 april 2001 hebben eisers nadere stukken ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 april 2001, waar eisers zijn verschenen bij A, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.G.A.M. Meijers en W.B. Rooding, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

In geding is of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit van 11 augustus 1999 ongegrond heeft verklaard, in rechte kan standhouden.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de door eisers gewenste oprijlaan zich niet verdraagt met de aan de gronden gegeven bestemming 'cultuurbos'. Het betrokken gebied moet volgens verweerder worden aangemerkt als een wildcorridor, en zal in een toekomstig plan ook als zodanig worden aangewezen. De aanleg van een oprit zou deze functie van wildcorridor kunnen frustreren, aldus verweerder. Ten slotte heeft verweerder erop gewezen dat eisers nu reeds beschikken over twee opritten.

Eisers betwijfelen of er inderdaad sprake is van een wildcorridor. Daarenboven heeft verweerder volgens eisers onvoldoende aangetoond dat de functie van wildcorridor door het enkele verharden en gedeeltelijk verleggen van een reeds bestaand bospad zou worden verstoord. Eisers wijzen er in dit kader op dat het bospad nu reeds met een auto berijdbaar is. Daarnaast zijn eisers van mening dat de argumentatie van verweerder op gespannen voet staat met op provinciaal niveau gemaakte beleid. Volgens eisers heeft verweerder onvoldoende aangegeven wat de minimale breedte van een wildcorridor zou moeten zijn. De aanwezigheid van andere opritten is naar het oordeel van eisers voor de beoordeling van de aanvraag van een aanlegvergunning niet van belang. Het bestreden besluit is volgens eisers onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kan, kort weergegeven, bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning).

Ingevolge artikel 44 van de WRO mag alleen en moet de aanlegvergunning worden geweigerd, indien, kort weergegeven, het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Het onderhavige perceel is gedeeltelijk in het bestemmingsplan "Buitengebied-Noord" (hierna: bestemmingsplan I) en gedeeltelijk in het bestemmingsplan "Kempenbergerweg tussen Strolaan en Rijksweg" (hierna: bestemmingsplan II) gelegen. De door eisers gewenste oprit voert grotendeels door het gebied waarop de bepalingen van bestemmingsplan I van toepassing zijn. Voor het gedeelte van de gewenste oprit dat door het gebied voert waarop bestemmingsplan II van toepassing is, is geen aanlegvergunning vereist, zodat dat laatste plan voor het onderhavige geschil buiten beschouwing kan blijven.

In bestemmingsplan I heeft het gebied waar de gewenste oprit doorheen voert de bestemming 'cultuurbos'. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van dat bestemmingsplan zijn de als 'cultuurbos' aangewezen gronden primair bestemd voor het behoud en/of herstel van de op deze gronden voorkomende, dan wel daaraan eigen natuur- en landschapswaarden, alsmede secundair bestemd voor recreatief en bosbouwkundig gebruik.

Ingevolge het derde lid, onder a, van dit artikel is het, voor zover van belang, verboden op gronden, welke zijn bestemd als 'cultuurbos', zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

- het verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.

Ingevolge ditzelfde lid, onder c, van dit artikel zijn de onder a. genoemde werken of werkzaamheden slechts toelaatbaar, indien daardoor, dan wel door de daarvan hetzij direct of indirect te verwachten gevolgen, de natuur- en landschapswaarden van deze gronden niet, of slechts in geringe mate zouden worden aangetast.

De rechtbank stelt voorop dat de geografische en landschappelijke situatie in het betrokken gebied, zoals die uit de bij de stukken gevoegde kaarten naar voren komt, een functie van wildcorridor in het onderhavige perceel zeer aannemelijk maakt. Het perceel van eisers is gelegen tussen omvangrijke bosgebieden. Het onderhavige stuk cultuurbos vormt tezamen met een ten zuiden daarvan gelegen gebied de enige twee groene en bosrijke verbindingen tussen deze omvangrijke bossen. Als uitgangspunt mag daarom gelden dat het betrokken gebied bij uitstek feitelijk fungeert als wildcorridor, zoals ook door verweerder is aangegeven in het (mede) aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde "verweerschrift" van 28 september 1999.

Anders dan eisers kennelijk menen is de rechtbank voorts van oordeel dat deze functie van wildcorridor kan worden begrepen onder het in het bestemmingsplan I gehanteerde begrip 'natuur- en landschapswaarden'. Deze waarden die het plan beoogt te beschermen betreffen, zo blijkt ook uit de toelichting op dat plan, mede de in het gebied aanwezige flora en fauna. Een wildcorridor, waardoor wild zich tussen bosgebieden kan verplaatsen en die voor de aanwezige fauna daarom van groot belang is, dient eveneens te worden begrepen onder deze natuur- en landschapswaarden.

Gelet op het in het bestemmingsplan I aangereikte toetsingskader ligt thans de vraag voor of de natuur- en landschapswaarden (en met name de functie van wildcorridor) door het verplaatsen en slopen van een oprit in meer dan geringe mate worden aangetast.

Eisers hebben in een uitvoerig gemotiveerde uiteenzetting aangegeven dat van een negatieve invloed op de natuur- en landschapswaarden als gevolg van het verharden en verleggen van het bospad nauwelijks sprake zal zijn. Zij hebben er hierbij op gewezen dat de gewenste oprit voor het grootste gedeelte over een reeds bestaand bospad zal worden aangelegd. Dit pad is, aldus eisers, ook nu reeds berijdbaar met auto's. De werkzaamheden waarvoor eisers een aanlegvergunning hebben aangevraagd bestaan voor het grootste gedeelte uit het met puin en grind verharden van een bestaand bospad. Verder hebben eisers erop gewezen dat de te verwezenlijken oprijlaan leidt naar één woning, zodat de daarvan te verwachten overlast door passerende auto's te verwaarlozen moet worden geacht. Daarnaast blijft volgens eisers na verharding van het bospad nog een strook bos met een breedte van circa 60-70 meter bestaan die eventueel als wildcorridor kan fungeren. Deze breedte wijkt, aldus eisers, in gunstige zin af van elders in het land aangelegde wildcorridors (onder andere wildviaducten).

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzicht gegeven waarom hij ondanks de door eisers aangedragen argumenten van oordeel is dat door het enkele verharden en verleggen van een (grotendeels reeds) bestaand bospad, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de natuur- en landschapswaarden van het gebied op meer dan geringe wijze zouden worden aangetast. Meer in het bijzonder is niet gebleken dat terzake door een deskundige (bijvoorbeeld een bioloog) is vastgesteld dat er sprake is van een zodanige ecologische situatie, dat het verharden van het bestaande bospad, dan wel de daarvan te verwachten gevolgen van het gebruik daarvan, de functie van wildcorridor op meer dan geringe wijze zou frustreren. Het had, mede gelet op hetgeen door eisers naar voren is gebracht, op de weg van verweerder gelegen een dergelijk deskundigenonderzoek in te stellen. De door verweerder in dit kader genoemde interne rapportages heeft de rechtbank niet bij de stukken mogen aantreffen, zodat deze bij de beoordeling van het onderhavige geschil buiten beschouwing moeten blijven.

Dat eisers beschikken over alternatieve oprijlanen is bij deze beoordeling overigens niet relevant, nu verweerder gelet op artikel 44 van de WRO slechts had te toetsen of de werkzaamheden in strijd zijn met de ter plaatse vigerende bestemmingsplannen. Voor de door verweerder kennelijk gehanteerde afweging van belangen is bij de beoordeling van het onderhavige geschil geen plaats.

De slotsom is dat verweerder het bestreden besluit niet naar de eisen der wet met voldoende redenen heeft omkleed, zodat het daarom wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift van eisers moeten beslissen. Het beroep is gegrond.

Verweerder dient, gelet op artikel 8:74 van de Awb, het door eisers betaalde griffierecht ad f. 225,-- te vergoeden.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De voor de voorbereiding en het opstellen van het beroepschrift gevorderde kosten ad f. 400,-- kunnen niet als voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten worden aangemerkt, nu niet is gebleken dat deze kosten zijn gemaakt in het kader van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Bedoelde kosten zijn evenmin verletkosten in de zin van artikel 1, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Wel komen voor vergoeding in aanmerking de verletkosten van eiser A in verband met het bijwonen van de zitting van de rechtbank. Deze kosten zijn begroot op f. 250,-- (f. 100,-- x 2,5 (uur)).

Ter bepaling van de reiskosten wordt uitgegaan van de kosten die gemaakt zouden zijn indien gebruik zou zijn gemaakt van het openbaar vervoer (2de klas). Voor het traject B-Arnhem betreft dit f. 38,-- (retour). De totale voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten komen daarmee op f. 288,--.

De rechtbank beslist derhalve als volgt.

4. De beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eisers met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van f. 288,--;

wijst de gemeente Arnhem aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat de gemeente Arnhem aan eisers het door hen betaalde griffierecht ad f. 225,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2001 in tegenwoordigheid van mr. R. Schuurman als griffier.

De griffier: De rechter:

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto artikel 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 23 mei 2001