Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2001:AB2539

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-06-2001
Datum publicatie
11-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/2174
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 00/2174

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

B,

wonende te Velddriel, eiser,

en

het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland, verweerder.

alsmede

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel, partij ex artikel 8:26 van de Awb.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 10 oktober 2000, bekendgemaakt op 13 oktober 2000.

2. Procesverloop

Bij brief van 22 augustus 1997 heeft eiser aan burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel verzocht om vrijstelling met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet (WOW) ten behoeve van de bouw van een kantoor met bedrijfsruimte voor de verkoop en verhuur van grootschalige landbouwmachines op het perceel gelegen aan de Schiemerik (Provincialeweg) te Velddriel, kadastraal bekend gemeente Maasdriel sectie M, nummer 875.

Bij besluit van 13 juli 1999 heeft verweerder de door burgemeester en wethouders gevraagde verklaring van geen bezwaar als bedoeld in de artikelen 19 WRO en 50, lid 5, WOW geweigerd.

Bij uitspraak van 28 juni 2000 heeft de rechtbank het beroep van eiser, gericht tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen die weigering gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerder binnen twee maanden na verzending van de uitspraak een nieuw besluit diende te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder wederom besloten de gevraagde verklaring van geen bezwaar te weigeren.

Tegen dit besluit heeft mr. M. Bos, advocaat te Rosmalen, namens eiser op 23 november 2000 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Bij brief van 22 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel (verder: belanghebbende) zich als partij in het geding gesteld.

Verweerder heeft op 9 januari 2001 de stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 15 juni 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bos voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. P.G.A.L. Evers, ambtenaar der provincie. Voorts is namens belanghebbende verschenen A.L.H. Wijnen, ambtenaar der gemeente.

3. Overwegingen

Voor een meer uitvoerige weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de rechtbank naar de tussen partijen gewezen uitspraak van 28 juni 2000, welke rechtens onaantastbaar is geworden.

Het thans bestreden besluit dient aldus te worden opgevat dat verweerder heeft besloten eisers bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 13 juli 1999 opnieuw ongegrond te verklaren en derhalve zijn weigering tot het afgeven van een verklaring van geen bezwaar te handhaven.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt - samengevat - ten grondslag dat de activiteiten van eisers bedrijf in Rozenburg, ook indien deze op de bestaande vestiging in Velddriel zouden worden voortgezet, een bovenlokaal karakter hebben. Een verplaatsing van het (hele) bedrijf naar de locatie Schiemerik zou, aldus verweerder, in strijd zijn met het streekplan, omdat daartegen vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt overwegende bezwaren bestaan. Verweerder heeft zich voorts - ten subsidiaire - op het standpunt gesteld dat, indien het huidige bedrijf te Velddriel krachtens overgangsrecht ter plaatse kan worden uitgeoefend, een verplaatsing van het bedrijf te Rozenburg naar de locatie te Velddriel moet worden aangemerkt als een wijziging van het gebruik, die een grotere afwijking van het bestemmingsplan tot gevolg heeft en derhalve niet is toegestaan.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en stelt zich, samengevat, op het standpunt dat verweerder een onjuiste uitleg aan de uitspraak van de rechtbank heeft gegeven door aan te nemen dat de bedrijfsactiviteiten in Rozenburg bovenlokaal moeten worden geacht. Naar eisers oordeel biedt het streekplan ook geen steun voor de opvatting dat het lokaal of bovenlokaal karakter van een bedrijf zou volgen uit de aard van de bedrijfsactiviteiten. Als toetsingskader geldt, aldus eiser, slechts dat het moet gaan om lokale initiatieven en om verplaatsing en uitbreiding van in de gemeente aanwezige bedrijvigheid. Naar eisers mening heeft verweerder de op de Schiemerik uit te oefenen bedrijfsactiviteiten dan ook ten onrechte aangemerkt als strijdig met het streekplan.

Voorts stelt eiser dat de bedrijfsactiviteiten ten behoeve van het aannemings- en grondverzetmachine- en transportmiddelenbedrijf reeds vanaf de zeventiger jaren aan de Oude Weistraat ononderbroken hebben plaatsgevonden. Destijds is voorts uitdrukkelijk beoogd om deze bedrijfsactiviteiten door middel van de bestemming 'Bedrijven (AN)' (aannemersbedrijf) in het geldende bestemmingsplan te legaliseren. Eiser ziet dan ook geen beletsel voor verhuizing van de vestiging in Rozenburg naar de bestaande vestiging aan de Oude Weistraat.

Eiser wijst ten slotte op de aanvankelijke instemming van verweerder met verplaatsing van het bedrijf binnen de gemeente naar de Schiemerik. Dat verhoudt zich niet met het thans ingenomen standpunt van verweerder dat vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt overwegende bezwaren bestaan. De opstelling van alle partijen tot nu toe was dat verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten van de Oude Weistraat naar de Schiemerik per saldo planologisch en milieuhygiënisch voordelig was in vergelijking met handhaving c.q. uitbreiding van de activiteiten op de Oude Weistraat.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de omvang van het huidige geding bepaald wordt door de uitspraak van de rechtbank van 28 juni 2000, waartegen door partijen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. In die uitspraak heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

"Voor zover verweerder het bedrijf van eiser niet heeft aangemerkt als lokaal bedrijf omdat het een internationaal opererende onderneming is, moet de rechtbank vaststellen dat het streekplan voor die nadere eis geen steun biedt. Ook in de omvang van het bedrijf - ongeveer tien personeelsleden - ziet de rechtbank op zichzelf geen reden om het bedrijf niet als lokaal aan te merken.

Anders ligt dit met het argument dat het bedrijf deels is gevestigd te Rozenburg. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten indien om die reden wordt geoordeeld dat, indien de beoogde nieuwe bedrijfsvestiging mede gepaard gaat met een verhuizing van een bedrijfsonderdeel van buiten de regio, dat er geen sprake is van uitbreiding van lokale bedrijvigheid."

De conclusie die verweerder uit deze passage heeft getrokken, inhoudende dat de rechtbank met zoveel woorden van mening zou zijn dat tenminste de activiteiten in Rozenburg een bovenlokaal karakter hebben, moet als onjuist worden verworpen. Zoals eiser terecht heeft aangevoerd behelst het oordeel van de rechtbank juist dat het streekplan geen steun biedt voor de opvatting dat de aard van de activiteiten doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een lokaal dan wel bovenlokaal bedrijf. De rechtbank heeft met bovenaangehaalde overwegingen slechts tot uitdrukking gebracht welke uitleg in redelijkheid gegeven kan worden aan het in het streekplan opgenomen criterium 'uitbreiding van lokale bedrijvigheid'.

Ter zitting is namens verweerder evenwel herhaald dat naar zijn oordeel aan het begrip lokale bedrijvigheid in het streekplan niet uitsluitend een geografische, maar vooral ook een bedrijfsinhoudelijke betekenis moet worden toegekend.

De rechtbank overweegt dat, nu tegen haar uitspraak van 28 juni 2000 geen hoger beroep is ingesteld, in rechte als vaststaand moet worden aangenomen dat het streekplan geen steun biedt voor de door verweerder voorgestane uitleg van het begrip lokale bedrijvigheid. Hieruit volgt dat voor de beoordeling van het onderhavige geschil ervan moet worden uitgegaan dat het streekplan aan een uitbreiding van eisers bedrijf, voor zover uitsluitend gevestigd te Velddriel, niet in de weg kan staan. Zulks spoort overigens volledig met hetgeen namens verweerder ter zitting van 15 juni 2000 is verklaard.

Resteert mitsdien de vraag of een verplaatsing van eisers bedrijf van Rozenburg naar Velddriel - welke verplaatsing inmiddels de facto haar beslag heeft gekregen - krachtens de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan is toegestaan.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de stukken, waaronder met name een in opdracht van verweerder verrichte inventarisatie van bedrijfsactiviteiten te Velddriel voorafgaande aan de totstandkoming van het bestemmingsplan "Buitengebied 1993", blijkt dat eiser te dien tijde volgens zijn opgave op een "vragenlijst bedrijven" een "machineverhuur en transportbedrijf" exploiteerde. Op grond hiervan acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat reeds voor het van kracht worden van dit bestemmingsplan sprake was van bedrijfsuitoefening die het karakter van louter een aannemingsbedrijf te buiten ging. Hiermede is genoegzaam aangetoond dat eisers bedrijf krachtens overgangsrecht ter plaatse mocht worden voortgezet.

Artikel 33 van de planvoorschriften luidt als volgt:

"Een gebruik van de onbebouwde grond en/of de opstallen, dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestond en dat afwijkt van de bestemming en/of voorschriften, mag worden voortgezet en/of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik niet in meerdere mate gaat afwijken van het plan."

Als onweersproken staat vast dat de bedrijfsactiviteiten op de (voormalige) locatie te Rozenburg gelijksoortig waren aan de activiteiten te Velddriel, zodat de verplaatsing van het bedrijfsonderdeel te Rozenburg naar de locatie te Velddriel geen wijziging in het aldaar bestaande, krachtens overgangsrecht toegestane, gebruik teweeg heeft gebracht. Van een "in meerdere mate… afwijken van het plan" in de zin van artikel 33 van de planvoorschriften kan derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke grondslag berust en derhalve wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

Gelet op de aard van de nader door verweerder te nemen beslissing ziet de rechtbank geen ruimte om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien. Wel zal verweerder worden opgedragen, mede gezien de inmiddels als gevolg van de onderhavige en de vorige procedure verstreken tijd, binnen uiterlijk twee maanden na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift van eiser te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Hieraan voegt de rechtbank voor de duidelijkheid nog toe dat, naar het haar voorkomt, op basis van de thans beschikbare gegevens - waaronder een inmiddels op 5 april 2001 genomen nieuw voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO - onvoldoende aanknopingspunten bestaan om de gevraagde verklaring van geen bezwaar te weigeren.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiser, begroot op f.1420,- ter zake van rechtsbijstand en op f.27,50 ter zake van reiskosten. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder binnen twee maanden een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van f.1447,50,-, te betalen door de provincie Gelderland;

bepaalt dat de provincie Gelderland het door eiser gestorte griffierecht van f.225,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2001, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen als griffier.