Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2001:AB2173

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
74853 / KG ZA 01-318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 162
Onderwijs Totaal 2001/564
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Sector civiel recht

Zaak/rolnummer: 74853 / KG ZA 01-318

Datum uitspraak: 14 juni 2001

74853 / KG ZA 01-318Zaak/rolnummer: 74853 / KG ZA 01-318

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

X.

in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van

Y. wonende te H.,

eiser

,

procureur mr. J.A.M.P. Keijser,

advocaat mr. S. Kropman,

beiden te Nijmegen,

tegen

de stichting

STICHTING ALGemeen VOORTGEZET ONDERWIJS ArnhEM EN OMSTrekeN,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde

,

procureur mr. F.J. Boom1

K.M. KoleArnhem,

advocaat mr. K.M. Kole,

beiden te Arnhem.

Het verloop van de procedure

Eiser heeft gedaagde ter zitting in kort geding doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities en de daarbij behorende producties.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

De fgd.-president heeft vervolgens op 14 juni 2001 uitspraak gedaan, met dien verstande dat de motivering van die uitspraak pas later volledig op schrift zal worden gesteld.

De vaststaande feiten

a. Eisers zoon Y. is leerling van de zesde (eindexamen-)klas VWO van het Gelders College te Arnhem (gedaagde). Bij hem is in december 1999 de ziekte van Pheiffer vastgesteld. In verband daarmee zijn tussen hem en gedaagde afspraken gemaakt met betrekking tot het bijwonen van lessen en de inleverdata van werkstukken.

b. Ingevolge art. 4, lid 1 van het (op art. 29, lid 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs gebaseerde) Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o., m.a.v.o.-v.b.o. (hierna het Eindexamenbesluit te noemen) kan het eindexamen voor ieder vak bestaan uit een schoolexamen, uit een centraal examen dan wel uit beide.

Lid 2 van dat artikel bepaalt dat het schoolexamen v.w.o.-h.a.v.o. mede een zogenaamd profielwerkstuk omvat, dat betrekking heeft op tenminste twee vakken, twee deelvakken of een vak en een deelvak.

c. Voor zover thans van belang bevat het Eindexamenbesluit voorts de navolgende bepalingen:

“Art. 32.1. (…)

2. (…) Het schoolexamen v.w.o. (…) wordt afgesloten voor de aanvang van het

centraal examen (…)

Art. 35. 1. Het cijfer van het schoolexamen wordt uitgedrukt in een cijfer uit een schaal van

cijfers lopende van 1 tot en met 10.

(…)

4. In afwijking van het eerste lid wordt het profielwerkstuk beoordeeld met

‘voldoende’of ‘goed’. Deze beoordeling geschiedt op de grondslag van het

genoegzaam voltooien van het profielwerkstuk, zoals blijkend uit het

examendossier.

(…)

Art. 49. 1. (…)

2. De kandidaat die eindexamen v.w.o. of h.a.v.o. heeft afgelegd en het centraal

examen voor alle vakken heeft afgelegd binnen een schooljaar, is geslaagd indien

hij (…)

3. In aanvulling op het tweede lid geldt tevens als voorwaarde dat het

profielwerkstuk en (…) moeten zijn beoordeeld als ‘voldoende’of ‘goed’.”

d. Op grond van art. 31 van het Eindexamenbesluit heeft gedaagde een Examenreglement vastgesteld. Daarin is onder art. 23, vierde lid de navolgende bepaling opgenomen: “Indien het profielwerkstuk definitief met ‘onvoldoende’ beoordeeld wordt kan niet aan het centraal examen deelgenomen worden.”

e. Y. heeft -aanvankelijk samen met een andere leerling- een profielwerkstuk gemaakt voor de vakken wis- en natuurkunde met als onderwerp: de relativiteitstheorie van Einstein en de definitieve versie daarvan in maart 2001 ingeleverd. Op 12 maart 2001 is het profielwerkstuk door de beoordelaar daarvan -samengevat- als te weinig gedetailleerd en te oppervlakkig aangemerkt. De daarop door Y. ingeleverde verbeterde versie van het profielwerkstuk is op 23 april 2001 door de beoordelaars als

“nog steeds onvoldoende” beoordeeld. Daarbij is aan hem medegedeeld dat hij

niet kan/mag deelnemen aan het centraal examen v.w.o. 2001.

f. Nadat eiser tegen vorenbedoelde uitsluiting op 24 resp. 29 april 2001 een bezwaarschrift had ingediend, heeft de Commissie van Beroep van het

Gelders College op 9 mei 2001 besloten (bij hoge uitzondering) de meest recente versie van het profielwerkstuk opnieuw te laten beoordelen door een externe beoordelaar (een docent van een andere school). Deze herbeoordeling heeft op 13 mei 2001 plaatsgehad en is (andermaal) grotendeels negatief voor Y. uitgevallen.

g. Op 16 mei 2001 heeft voormelde Commissie van Beroep definitief besloten

Y. van deelname aan het centraal schriftelijk examen uit te sluiten, omdat hij volgens de Commissie niet voldoet aan de eis uit het Eindexamenbesluit dat het schoolexamen -wat betreft het profielwerkstuk met een ‘voldoende’ of ‘goed’- moet zijn afgesloten vóór de aanvang van het eerste tijdvak van het centraal schriftelijk examen.

h. Op 21 juni 2001 vinden de herkansingen van het examen plaats en in augustus

2001 worden de herexamens gehouden.

De vorderingen, de daaraan gelegde grondslagen en het verweer

1. Eiser vordert thans -samengevat-:

a. toelating van Y. tot de herkansing van het examen op 21 juni 2001 alsmede tot het in augustus 2001 te houden herexamen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

b. betaling door gedaagde van een bedrag van ƒ 5.000,-- als voorschot op de door

eiser gemaakte kosten.

2. Eiser legt aan zijn vorderingen onder 1.a. primair ten grondslag dat noch in de wet noch in het Eindexamenbesluit een wettelijke bevoegdheid tot een uitsluiting als de onderhavige is opgenomen, zodat de vorderingen reeds op die grond moeten worden toegewezen. Eiser betwist voorts dat het profielwerkstuk van Y. als onvoldoende moet worden aangemerkt, maar verbindt daaraan -naar de president begrijpt- geen directe gevolgen. Daarnaast -naar de president begrijpt subsidiair- voert eiser, samengevat, aan dat het besluit tot uitsluiting onrechtmatig is jegens Y., omdat het in verschillende (in de pleitnota van zijn advocaat aangegeven) opzichten op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Eiser legt daarbij de nadruk op het feit dat gedaagde onvoldoende rekening heeft houden met de ziekte van Y. en hem onvoldoende heeft begeleid bij het maken van zijn profielwerkstuk. Tenslotte stelt eiser dat het besluit niet evenredig

is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen en dat Y. door het besluit bijzonder zwaar wordt getroffen.

3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer. Samengevat komt dit erop neer dat uit de hiervoor onder de feiten weergegeven regelgeving voortvloeit dat Y. terecht is uitgesloten van deelname aan het centraal examen. Bovendien betwist gedaagde (op de door haar in haar pleitnota aangevoerde gronden) dat zij -zoals eiser stelt- onrechtmatig jegens Y. heeft gehandeld. Dat brengt volgens gedaagde tevens mee dat de vordering tot betaling van een voorschot op (beweerde) schade, welke vordering bovendien niet is onderbouwd, evenmin kan worden toegewezen.

De beoordeling van de vorderingen

4. Voorop gesteld wordt dat het niet aan de president in kort geding is om een oordeel te geven over de inhoud van het profielwerkstuk van Y.. Uitgangspunt is immers dat de burgerlijke rechter in het algemeen zeer terughoudend moet zijn bij een inhoudelijke beoordeling van examenresultaten, nu die beoordeling reeds door -in dit geval drie- deskundigen heeft plaatsgehad.

Slechts indien sprake is van een evident onzorgvuldige beoordeling of indien duidelijk is dat de beoordeling op uiterst onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel indien de beoordeling duidelijk ongelijk is bij gelijke prestaties, kan in kort geding aanleiding worden gevonden om te interveniëren.

Daarvan is voorshands geen sprake.

Overigens begrijpt de president dat in het kader van dit kort geding daarom ook niet wordt gevraagd, nu eiser weliswaar stelt dat het profielwerkstuk door gedaagde ten onrechte als onvoldoende is aangemerkt, maar daaraan geen directe gevolgen verbindt.

5. In dit kort geding gaat het allereerst om de vraag (waarover partijen van mening verschillen) of er een wettelijke bevoegdheid voor de onderhavige uitsluiting bestaat. Voorshands wordt deze vraag ontkennend beantwoord. Uit de onder de feiten sub c geciteerde artikelen van het Eindexamenbesluit, in onderling verband en samenhang beschouwd en mede gezien de daarop gegeven Toelichting, volgt dat zonder een ‘voldoende’ of ‘goed’ voor het profielwerkstuk de desbetreffende eindexamenkandidaat niet kan slagen voor het examen. Daaruit volgt -naar het voorlopig oordeel van de president-echter niet dat in dat geval uitsluiting of niet toelaten tot het centraal examen mag plaatsvinden. Uitsluiting van (onder meer) het centraal examen is geregeld in artikel 5 van het Eindexamenbesluit in de daarin genoemde gevallen. Zoals gedaagde terecht heeft betoogd is dat artikel (en ook de daarop gebaseerde artikelen 4 en 6 van gedaagdes Examenreglement) hier niet van toepassing. Het ligt ook niet voor de hand om aan te nemen dat de wetgever in een geval als dat van Y. uitsluiting van deelname aan het centraal examen heeft bedoeld.

Ingevolge artikel 53 van het Eindexamenbesluit bestaat immers de mogelijkheid voor de eindexamenkandidaten om voor vakken waarin men een zes of hoger heeft behaald, afzonderlijke certificaten te ontvangen om daarmee (bijvoorbeeld in het avondonderwijs) hun diploma (verder) op te bouwen. Niet valt in te zien

waarom aan Y. deze mogelijkheid onthouden zou moeten worden.

Aan het voorgaande doet niet af dat in gedaagdes Examenreglement het hiervoor onder d, geciteerde artikel 23 is opgenomen, nu voorshands moet worden aangenomen dat voor deze opname geen wettelijke basis aanwezig is.

6. Reeds op grond van het vorenstaande is de president van oordeel dat Y. (alsnog) moet worden toegelaten tot deelname aan de herkansing van het centraal examen op 21 juni 2001 en tevens aan de herexamens die in augustus 2001 plaatsvinden. De overige stellingen van partijen behoeven daarom geen bespreking meer. Wel hecht de president eraan op te merken dat hij uit de stukken en uit hetgeen daaromtrent tijdens de behandeling van het kort geding naar voren is gekomen niet de indruk heeft gekregen dat gedaagde met betrekking tot de ziekte van Y. op enigerlei wijze onzorgvuldig en/of toerekenbaar onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering onder 1.a. toewijsbaar is, met dien verstande dat aanleiding bestaat de gevorderde dwangsom te matigen en het totaal daarvan aan een maximum te binden, een en ander zoals in het dictum is opgenomen. De onder 1.b. omschreven vordering daarentegen wordt afgewezen, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat en zo ja tot welk bedrag hij schade heeft geleden. De vordering voldoet kortom niet aan de voor toewijzing van een geldvordering in kort geding geldende incassocriteria.

8. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij dient gedaagde in de kosten van dit kort geding te worden veroordeeld.

De beslissing

De president

1. veroordeelt gedaagde om -na betekening van dit vonnis- Y. toe te laten tot de herkansing van het examen op 21 juni 2001 en tot het herexamen dat zal plaatsvinden in augustus 2001,

2. veroordeelt gedaagde om ingeval zij (na betekening van dit vonnis) in gebreke mocht blijven aan bovenstaande veroordeling te voldoen, aan eiser een dwangsom te betalen van ƒ 1.000,-- per dag, echter met een maximum van ƒ 50.000,--, althans de tegenwaarde daarvan in euro’s,

3. veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak

aan de zijde van eiser bepaald op ƒ 1.550,--voor salaris en op ƒ 483,84 voor

verschotten,

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2001 in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters, terwijl de overwegingen waarop de beslissing stoelt afzonderlijk zijn geminuteerd op 18 juni 2001.