Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2001:AB2115

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
05/090174-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM MEERVOUDIGE STRAFKAMER

In de zaak van:

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

[verdachte],

geboren in 1964,

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Arnhem-Zuid.

Raadsman: mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te Den Haag.

Parketnummer : 05.090174-00

Zittingsdatum : 30 mei 2001 (tegenspraak)

Uitspraak : 13 juni 2001

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van de dagvaarding is hierna opgenomen als bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 14 maart 2001 gewijzigd conform de door de officier van justitie ingediende vordering wijziging tenlastelegging. Van deze vordering is hierna een kopie opgenomen als bijlage I a en de inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

001 wijziging tenlastelegging

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijf-fouten voorko-men, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

002 vordering na voorwaardelijke veroordeling

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is eerder ter openbare terechtzitting behandeld op 4 oktober 2000, 20 december 2000 en 14 maart 2001. Daar de rechtbank op 30 mei 2001 in andere samenstelling zitting heeft gehouden is het onderzoek opnieuw aangevangen. De verdachte is op alle terechtzittingen verschenen en daarbij bijgestaan door mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te Den Haag.

003 gevoegd behandelen en 004 benadeelden partijen

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroor-deeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van de tijd in verzeke-ring en voorlopige hechtenis doorge-bracht.

Voorts vordert de officier van justitie dat de onder verdachte inbeslaggenomen drugsverwante zaken, paspoorten en het wapen met de bijbehorende munitie worden onttrokken aan het verkeer en de inbeslaggenomen telefoons en geld verbeurd worden verklaard.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging ge-voerd.

3. De beslis-sing inzake het bewijs

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair is tenlastege-legd en zal hem daarvan vrij-spreken.

013 gedeeltelijke vrijspraak

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdach-te de feiten 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 heeft begaan voor zover niet doorgestreept in bijlage II. Ten aanzien van de feiten 1 en 5 acht de rechtbank bewezen dat verdachte beschikte over de sleutel van de woning aan de [straatnaam en plaats], dat hij daar veelvuldig verbleef en derhalve de daar aangetroffen voorwerpen voorhanden heeft gehad toen die daar werden aangetroffen op het moment dat verdachte daar werd aangehouden. De verklaring van verdachte over andere sleutelhouders acht de rechtbank niet aannemelijk nu dat in zijn verklaring bij de politie alleen hij en zijn neef zijn en in zijn verklaring ter zitting vijf personen.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe-zen. Verdach-te moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijs-middelen zijn vervat. Voor zover meer feiten ten laste zijn gelegd, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 tweede lid van de Opiumwet.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Poging tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 vierde lid van de Opiumwet, juncto artikelen 45 eerste lid en 47 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 vierde lid van de Opiumwet, juncto artikel 47 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 4:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 derde lid van de Opiumwet, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van de categorie III,

strafbaar gesteld bij artikel 55, tweede lid van de Wet wapens en munitie.

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie,

strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

014 pbc en 015 dp

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaar-heid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus straf-baar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de om-stan-dighe-den waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarbij is gelet op:

een uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 3 mei 2001;

een voorlichtingsrapport van de (stichting) Reclassering Nederland, d.d. 29 september 2000, betreffende verdachte.

016 ad-info

De rechtbank overweegt verder nog als volgt:

Verdachte handelde op grote schaal in cocaïne en heeft tezamen met anderen ongeveer 960 gram heroïne van Nederland naar New York (Verenigde Staten) gebracht. Daarnaast heeft verdachte samen met anderen gepoogd een hoeveelheid van 20 kilogram cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen en ruim 3½ kilogram cocaïne en een pistool met bijbehorende patronen voorhanden gehad. De door verdachte gepleegde feiten zijn ernstig. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs maatschappelijk gezien voor veel schade zorgen. De gezondheidsbelangen van anderen worden immers op het spel gezet. De mensen, die afhankelijk zijn van deze drugs veroorzaken veel overlast om deze drugs te kunnen bekostigen. Verdachte heeft door zijn handelen direct hieraan meegewerkt. De rechtbank is van oordeel dat voor afdoening van deze feiten uitsluitend een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggeven verdovende middelen, paspoorten en Berretta met demper en bijbehorende patronen, dienen te worden onttrok-ken aan het verkeer, aangezien het ongecon-troleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven weegschalen, drukpers met toebehoren, plastic bakken, mixer, lepels, zeef, geldbedragen, administratieve bescheiden, diskette, sleutel en telefoons, betreffen geldsommen en voorwerpen met betrekking tot de feiten zijn begaan. De rechtbank zal deze geldsommen en voorwerpen verbeurd verklaren.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond, behalve op de reeds aangehaalde wette-lijke voor-schriften, op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 91 van het Wetboek van Straf-recht, artikel 13 en 13a van de Opiumwet en artikel 56 van de Wet wapens en munitie.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlas-tegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt ver-dach-te daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de straf-bare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

ZES6

EEN GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN ZES (6) JAREN.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering wordt gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwer-pen, te weten:

verdovende middelen, inclusief versnijdingsmiddel;

een monster vanaf pers;

twee paspoorten;

een Beretta-pistool, met demper en 15 patronen.

039_055/WT01-WT19

Verklaart verbeurd:

drie plastic pakken + twee lepels + een zeef;

een mixer, Master;

een Pesolaweger, merk Tanita;

een drukpers, merk Facom;

vier drukbakken + een persplaat + twee gewichten;

acht persstampers;

een keukenweegschaal, merk Soehnle;

een koffer inhoudende een elektrische weegschaal;

een Motorola Start Tac;

een zwart etui, merk Motorala;

een Motorola sema 0665253564

twee mobilofoons;

een Motorola mobilofoon;

een mobilofoon, kleur blauw;

een GSM Pocket Line Saturnus mobilofoon;

een GSM Nokia mobilofoon

ƒ 600,80;

ƒ 1.085,00;

$ 100.00;

83.000 Surinaamse guldens;

een glazen spaarpot met 5 gulden muntstukken;

een diskette;

een sleutel;

diverse administratieve bescheiden, notities, pasfoto’s pasjes en een zwarte doos.

Aldus gewezen door:

mrs.

H.P.M. Kester, vice-president als voorzitter,

H. Eigenberg, rechter,

T.P.E.E. van Groeningen, rechter,

in tegenwoordigheid van J. van Elst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juni 2001.