Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2001:AB2113

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
01/842 en 01/16115
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

Reg.nr.: Awb 01/842 en 01/16115

UITSPRAAK

van de president ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen:

A en B te C, verzoekers,

en

het bestuur van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers te Rijswijk, verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekers, van Turkse nationaliteit, hebben op 6 maart 2001 een aanvraag tot toelating als vluchteling ingediend.

Op 11 april 2001 heeft mr. J. Schoofs, advocaat te Arnhem, namens verzoekers een verzoek tot opvang in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997) ingediend.

Mr. Schoofs voornoemd heeft namens verzoekers bij brief van 19 april 2001 bezwaar gemaakt tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om opvang. Verzoekers hebben het niet tijdig beslissen op hun verzoek beschouwd als een weigering hen opvang te verlenen.

Bij brief van gelijke datum heeft mr. Schoofs namens verzoekers de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat verweerder wordt geboden hen opvang te verlenen op basis van de Wet COA/de Rva 1997 tot onherroepelijk op het door verzoekers ingediende asielverzoek is beslist.

Bij brief van 4 mei 2001 is een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 9 mei 2001. Namens verzoekers is

A verschenen, bijgestaan door mr. Schoofs. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Tardjopawiro.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover in deze procedure het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 6:2 van de Awb worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld:

a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en

b. het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb is het bezwaar niet aan een termijn gebonden indien het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en kan het worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

Blijkens artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, of bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (Wet COA) is het COA belast met het plaatsen van asielzoekers in opvangcentra.

Ingevolge artikel 12 van de Wet COA is de Minister (lees: de staatssecretaris) van Justitie bevoegd regels te stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen. Van die bevoegdheid is gebruik gemaakt door de vaststelling van de Rva 1997.

Vanaf 1 april 2001 bepaalt artikel 2a van de Rva 1997 -voor zover van belang- dat deze regeling niet van toepassing is op een asielzoeker ten aanzien van wie de minister overweegt de aanvraag af te wijzen op grond van artikel 30, onder a, van de Vw 2000. In artikel 30, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ‘asiel’ wordt afgewezen als -kort gezegd- een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Artikel 2a van de Rva 1997 ziet met name op asielzoekers ten aanzien van wie de Minister van Justitie een verzoek tot overdracht heeft gericht of zal richten aan een andere staat, partij bij de Overeenkomst betreffende de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen is ingediend (Dublin, 15 juni 1990).

Ingevolge artikel 1 van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand (Trb. 1991,82)(verder: EVSMB) verbindt ieder der Verdragsluitende Partijen zich te waarborgen, dat onderdanen van de andere Verdragsluitende Partijen, die zich rechtmatig ophouden in enig deel van haar grondgebied, waarop dit Verdrag van toepassing is, en niet beschikken over voldoende middelen, gelijkelijk en onder dezelfde voorwaarden als haar eigen onderdanen recht kunnen doen gelden op sociale en medische bijstand, zoals deze is geregeld door de geldende wetgeving in dat deel van haar grondgebied.

Ingevolge artikel 11, onder a, van het EVSMB wordt het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen als rechtmatig in de zin van dit Verdrag beschouwd zolang te zijnen aanzien een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning van kracht is, welke op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) genieten vreemdelingen in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist.

Standpunten van partijen

Verzoekers stellen dat verweerder gehouden is om hen opvang te verlenen. Zij beroepen zich daarbij op het EVSMB onder verwijzing naar de uitspraak van de president van deze rechtbank van 23 januari 2001 (Awb 00/2352). Tevens doen verzoekers een beroep op opvang vanwege de schrijnende humanitaire omstandigheden waarin zij stellen te verkeren.

Verweerder stelt zich volgens het verweerschrift op het standpunt dat met het rechtmatig verblijf van verzoekers in Nederland nog niet gezegd kan worden dat zij over een soortgelijke vergunning als bedoeld in artikel 11 van het EVSMB beschikken. Voorts stelt verweerder dat een Dublinclaimant slechts in uitzonderingsgevallen oftewel wanneer sprake is van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden, in aanmerking kan komen voor opvang. Verweerder stelt dat daarvan in dit geval geen sprake is.

De beoordeling - niet tijdig beslissen

De president laat zich allereerst uit over verzoekers grief dat door verweerder niet tijdig een besluit op het verzoek om opvang is genomen.

Voor het nemen van een besluit op een verzoek om opvang als hier aan de orde geldt niet een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, zodat binnen een redelijke termijn een besluit moet worden genomen.

Namens verzoekers is op 11 april 2001 een verzoek om opvang ingediend. Op 19 april 2001 is namens verzoekers vervolgens bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek. Het is de president ambtshalve bekend dat op een verzoek om opvang in de regel binnen één week een schriftelijke beslissing kan worden genomen. Dit in aanmerking genomen, alsmede gelet op het elementaire karakter van opvang, neemt de president aan dat op 19 april 2001 de redelijke termijn reeds was verstreken. Mitsdien is sprake van het niet tijdig nemen van een besluit.

De omstandigheid dat verweerder ook thans nog geen schriftelijke beslissing op verzoekers aanvraag om opvang heeft genomen, acht de president reeds voldoende aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verweerder zal worden opgedragen binnen een week na verzending van deze uitspraak een voor beroep vatbaar besluit te nemen ter zake van de opvang van verzoekers.

Ten aanzien van verzoekers verzoek om te bepalen dat verweerder hen opvang verleent oordeelt de president dat een voorlopige voorziening bij het uitblijven van een besluit zich in de regel beperkt tot de opdracht aan het bestuursorgaan binnen een bepaalde termijn te beslissen. Aan een inhoudelijk oordeel over het te nemen besluit wordt niet toegekomen.

Blijkens de inhoud van het bezwaarschrift interpreteren verzoekers het niet tijdig beslissen op de aanvraag als een weigering om opvang te verlenen. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting inhoudelijk verweer gevoerd en het standpunt ingenomen dat verzoekers geen recht op opvang hebben. Gezien de

inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de president aanleiding om in de onderhavige situatie uit te gaan van een fictieve weigering opvang te verlenen.

De beoordeling - het EVSMB

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekers een verblijfsvergunning asiel hebben aangevraagd en dat de Staatssecretaris van Justitie ten behoeve van verzoekers bij de Duitse autoriteiten een zogenaamde Dublinclaim heeft gelegd, hetgeen inhoudt dat uit hoofde van voormelde Overeenkomst van Dublin aan Duitsland een verzoek tot overdracht is voorgelegd. Voornoemd verzoek is op 9 april 2001 gehonoreerd. Hieruit volgt dat zich in het geval van verzoekers de situatie voordoet die is omschreven in artikel 2a van de Rva 1997. Zij hebben mitsdien geen aanspraak op de verstrekkingen die in de Rva 1997 aan asielzoekers zijn toegekend. Dit is slechts anders indien verweerder op grond van het EVSMB gehouden zou zijn hen, als onderdanen van een land dat partij is bij genoemd verdrag, die verstrekkingen toe te kennen. Het geding spitst zich toe op de vraag of verzoekers onder de personele werkingssfeer van het EVSMB vallen en meer in het bijzonder of “rechtmatig verblijf” in de zin van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 op één lijn kan worden gesteld met een “permit or such other permission” als bedoeld in artikel 11 van het EVSMB

Verzoekers verblijven in Nederland in afwachting van de beslissing op hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Dientengevolge is naar het oordeel van de president het bepaalde in artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 op verzoekers van toepassing en verblijven verzoekers in ieder geval rechtmatig in Nederland totdat op hun aanvraag is beslist. Op grond van artikel 3.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt aan deze categorie personen het zogeheten W-document verstrekt, waaruit hun rechtmatig verblijf blijkt.

De president is vooralsnog van oordeel dat een rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 gelijk moet worden gesteld aan een rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 1 juncto artikel 11 van het EVSMB, omdat niet valt in te zien dat de verblijfstitel van verzoekers niet dient te worden aangemerkt als verblijf op grond van een “andere soortgelijke vergunning” als bedoeld in artikel 11, onder a, van het EVSMB.

Artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 verleent aan de aldaar omschreven personen immers een verblijfsrecht in Nederland, welk verblijf dan ook naar nationaal recht rechtmatig is. De omstandigheid dat er sprake is van een zwakke verblijfstitel acht de president voorshands niet van belang bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een soortgelijke vergunning in de zin van artikel 11, onder a, van het EVSMB. De president kan zich verenigen met het vonnis van de president van de Rechtbank Den Haag van 7 oktober 1998 (KG 1998/301; AB 1998/428).

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het geval van verzoekers niet gesproken kan worden van verblijf in Nederland waarvoor positieve instemming is gegeven. De president deelt dit standpunt niet, aangezien de positieve instemming direct uit de wet volgt. Evenmin kan worden gesteld dat sprake is van het gedogen van vreemdelingen die in afwachting zijn van de beslissing op hun asielaanvraag.

Het EVSMB heeft als doel een grotere eenheid tussen de leden van de Raad van Europa tot stand te brengen, in het bijzonder om hun sociale vooruitgang te bevorderen. Het verdrag bevestigt het beginsel van gelijkheid van behandeling van de verdragsonderdanen ten aanzien van de sociale zekerheidswetgeving.

Eén van de grondbeginselen van het verdrag is een discriminatieverbod naar nationaliteit als gevolg waarvan verdragsonderdanen in het gastland bij rechtmatig verblijf toegang tot sociale en medische bijstand hebben conform de eigen onderdanen.

De Engelse tekst van artikel 11, onder a, van het EVSMB luidt als volgt:

“Residence by an alien in the territory of any of the Contracting Parties shall be considered lawful within the meaning of this Convention so long as there is in force in his case a permit or such other permission as is required by the laws and regulations of the country concerned to reside therein.”.

Bij het EVSMB is een Bijlage III gevoegd. Deze bijlage heeft als titel “List of Documents recognised as affording proof of residence, referred to in Article 11 of the Convention.”

Uit de publicatie van deze bijlage in Tractatenblad 1991, nr. 82, blijkt dat voor Nederland in deze bijlage de volgende bewijsstukken zijn opgenomen:

“a. Temporary residence permit.

b. Residence card issued to nationals of EEC member States.

c. Permanent residence permit.

d. Residence permit issued indefinitely ex art. 10, para 2 of the Aliens Act.”

Verweerder heeft dienaangaande een beroep gedaan op de uitspraak van 27 maart 2001 van de Arrondissementsrechtbank Den Haag, kenmerk 00/11800 ABW, waarin -samengevat- is overwogen dat onder rechtmatig verblijf in de zin van artikel 11 van het ESVMB dient te worden verstaan verblijf op grond van de documenten die in Bijlage III zijn genoemd; het betreft -kort gezegd- verblijf op grond van de artikelen 9 en 10 van de Vw (oud). Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij ook in het gebruik van de zinsnede “or such other permission” geen grond ziet voor een ruimere uitleg van artikel 11, onder a, van het EVSMB.

De president daarentegen ziet geen aanknopingspunten voor een beperking van het rechtmatig verblijf tot de in Bijlage III genoemde gevallen. Het betreft hier naar het oordeel van de president bewijsregels waarvan niet expliciet blijkt dat zij limitatief bedoeld zijn. De president heeft daarbij in aanmerking genomen dat voormelde doelstellingen en grondbeginselen van het EVSMB zich minder goed verdragen met een limitatieve uitleg van het verdrag wat betreft de personele werkingssfeer.

Daarnaast is van belang dat genoemde bijlage meldt dat wordt ‘referred to article 11’, terwijl dat artikel geen verwijzing bevat naar een bijlage. In artikel 12 van het EVSMB wordt echter wel verwezen naar bijlage III. In artikel 12 is bepaald dat het aanvangstijdstip van het tijdvak van verblijf, vermeld in artikel 7, behoudens bewijs van het tegendeel, wordt vastgesteld aan de hand van bewijsmateriaal verkregen door officieel onderzoek of van de in Bijlage III vermelde bewijsstukken of van alle bewijsstukken, die door de wetten en regelingen van het land worden erkend als bewijs van verblijf. De verwijzing in Bijlage III naar artikel 11 berust dan ook op een kennelijke misslag. De president vermag op grond van het voorgaande niet in te zien dat de in Bijlage III genoemde vergunningen aangemerkt dienen te worden als een limitatieve opsomming van verblijfsrechten die dienen te worden beschouwd als een ‘permit or such other permission as is required bij the laws and regulations of the country concerned to reside therein’.

De president volgt verweerder voorts niet in zijn beroep op het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 januari 2000 (JV 2000/461; RSV 2000/81; JABW 2000/40; USZ 2000/64). In de rechtsoverwegingen 8 tot en met 10 van dat arrest, en in het bijzonder rechtsoverweging 9, valt naar het oordeel van de president niet zonder meer een stellige uitspraak te lezen ten aanzien van de uitleg van artikel 11, onder a, van het EVSMB.

De president is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het verblijf van verzoekers in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 gelijk moet worden gesteld aan een rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 1 juncto artikel 11 van het EVSMB.

Gelet op het door verweerder in de periode 7 oktober 1998 tot 8 november 2000 gevoerde beleid gaat de president er van uit dat de door verzoekers verlangde opvang aangemerkt wordt als sociale bijstand als bedoeld in artikel 1 van het EVSMB. De weigering om hen op grond van artikel 2a van de Rva 1997 opvang te verlenen is naar het oordeel van de president dan ook in strijd met artikel 1 juncto artikel 11 van het EVSMB.

Het vorenoverwogene leidt de president tot de slotsom dat het verzoek om voorlopige voorziening op de hierna vermelde wijze voor toewijzing in aanmerking komt.

Slotoverwegingen

De president acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:84, vierde lid juncto artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) begroot op fl. 1.420,= aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens dient toepassing te worden gegeven aan artikel 8:82, vierde lid, van de Awb.

De genoemde kosten dienen, aangezien verzoekers met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand hebben geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

3. Beslissing

De president,

wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

gelast verweerder verzoekers met onmiddellijke ingang opvang als bedoeld in de Rva 1997 te verlenen, zulks totdat het besluit op bezwaar aan verzoekers bekend is gemaakt;

bepaalt dat verweerder binnen een week na verzending van deze uitspraak een voor beroep vatbaar besluit neemt ter zake van de opvang van verzoekers;

veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten ten bedrage van fl. 1.420,= en wijst het COA aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden en bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank, bankrekening 19.23.25.752 ten name van DS Gerecht 533, Arrondissement Arnhem;

gelast het COA aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht ad

fl. 225,= te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J.J. Catsburg, als president, en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2001 in tegenwoordigheid van mr. C.M.E. de Man als griffier.

De griffier, De president,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzonden op: