Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2001:AB1942

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
05/079443-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

VERKORT STRAFVONNIS

In de zaak van:

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

Verdachte (vader),

thans verblijvende in het Huis van Bewaring.

Raadsman: aanvankelijk mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te Uden, vanaf 13 februari

2001 mr. H.E. Brink, advocaat te Amsterdam.

Parketnummer : 05/079443-99

Zittingsdata : 16 november 1999, 18 januari 2000, 28 maart 2000, 20 juni 2000,

12 september 2000, 5 december 2000, 13 februari 2001, 8 mei

2001 en 22 mei 2001 (tegenspraak).

Uitspraak : 5 juni 2001

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van de dagvaarding is hierna opgenomen als bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 22 mei 2001 gewijzigd conform de door de officier van justitie ingediende vordering wijziging tenlastelegging. Van deze vordering is hierna een kopie opgenomen als bijlage Ia en de inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 16 november 1999, 18 januari 2000, 28 maart 2000, 20 juni 2000, 12 september 2000, 5 december 2000, 13 februari 2001, 8 mei 2001 en laatstelijk op 22 mei 2001 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is verschenen op de terechtzittingen d.d. 18 januari 2000, 28 maart 2000, 20 juni 2000, 13 februari 2001 en 22 mei 2001. Verdachte is aanvankelijk bijgestaan door mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te Uden en vanaf 13 februari 2001 door mr. H.E. Brink, advocaat te Amsterdam.

Als benadeelde partijen hebben zich de navolgende personen schriftelijk in het geding gevoegd.

Zij vorderen dat verdachte wordt veroordeeld aan hen te betalen de hierna te vermelden bedragen aan schadevergoeding:

- de nabestaande van slachtoffer 1, ƒ 22.500,00 (feit 1);

- slachtoffer 2, ƒ 63.664,00 (feit 2).

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte terzake van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft verder geëist dat de benadeelde partij de nabestaande van slachtoffer 1 niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering nu deze vordering op geen enkele wijze is onderbouwd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij slachtoffer 2 heeft de officier van justitie geëist dat deze gedeeltelijk wordt toegewezen, te weten post 2) ad ƒ 400,00, post 3) ad

ƒ 3.500,00 en post 4) ad ƒ 5.000,00. De vordering terzake post 7) dient te worden afgewezen nu deze reeds op andere wijze is vergoed. In zijn overige vorderingen, te weten posten 1), 5) en 6), dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord tot verdediging gevoerd.

3. Beslissing inzake het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan voor zover niet doorgestreept in bijlage II.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Voor zover meer feiten zijn ten laste gelegd, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

Het medeplegen van moord,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2 primair:

Het medeplegen van poging tot moord,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289, junctis artikel 45 en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De feiten zijn strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Over verdachte is door T.A. Wouters, psychiater, in samenwerking met A.J. de Groot, psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum (PBC), Psychiatrische Observatieklikiek te Utrecht, een rapport opgemaakt, gedateerd 7 februari 2001, waarin wordt geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in verminderde mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen. Verdachte was ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens dat deze feiten hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich met die conclusie en maakt die tot de hare. Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is.

Door de raadsman van verdachte is een beroep gedaan op psychische overmacht. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten niet in een psychische overmachtssituatie heeft verkeerd. Niet is gebleken van een zodanige psychische dwang dat van verdachte redelijkerwijs niet kon worden verlangd om daartegen weerstand te bieden. De rechtbank acht het weliswaar aannemelijk dat verdachte onder grote psychische druk heeft verkeerd tengevolge van de gebeurtenissen op 7 augustus 1999 en eventueel op 8 augustus 1999, maar is van oordeel dat deze druk niet meebracht dat verdachte moest handelen zoals hij op 9 augustus 1999 heeft gehandeld.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

a. de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij is gelet op:

een uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 12 april 2001;

het hiervoor reeds aangehaalde rapport van het PBC;

een voorlichtingsrapport van De Reclassering Nederland betreffende verdachte, gedateerd 28 oktober 1999.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de soort en het gewicht van de op te leggen straf het navolgende:

Voor de afdoening van de feiten komt in beginsel geen andere straf in aanmerking dan een langdurige gevangenisstraf. Verdachte heeft met zijn zoon, tevens medeverdachte voor dezelfde feiten, zodanige afspraken gemaakt en uitgebreide voorbereidingshandelingen getroffen dat sprake is van een vooropgezet plan van beiden om samen slachtoffer 1 en slachtoffer 2 van het leven te beroven. Dat zou dan gaan gebeuren op klaarlichte dag in een druk bezocht wegrestaurant waar (ook) op het voor de ontmoeting met slachtoffer 1 afgesproken tijdstip veel mensen aanwezig zouden zijn. Deze mensen, die volstrekt niets te maken hadden met de problemen die er tussen verdachte en zijn zoon aan de ene kant en slachtoffer 1 en de zijnen aan de andere kant speelden, zouden daarbij een groot risico lopen en hebben dat ook gelopen maar dat heeft verdachten er niet van weerhouden om daar en toen dat drukke restaurant te betreden en direct op slachtoffer 1 en slachtoffer 2 te gaan schieten. Daarbij heeft verdachte om en nabij de dertig schoten afgegeven met een automatisch wapen dat snelvuur gaf. Het gevolg daarvan of van de schietpartij die verdachten zijn begonnen is dat slachtoffer 1 is gedood en slachtoffer 2 zwaargewond geraakt.

De volstrekt onverwachte confrontatie met dit door verdachten in gang gezette en zeker voor buitenstaanders als zij volstrekt onbegrijpelijke geweld leidde onder de bezoekers van De Lucht tot paniek en emotionele schade. Ook dit voorspelbare gevolg weerhield verdachten er niet van om voor deze 'oplossing' te kiezen in hun conflict met slachtoffer 1.

In voormelde rapportage van het PBC is bij verdachte enige scheefgroei in zijn persoonlijkheid geconstateerd, bestaande uit een opportunistische instelling die wordt gecorrigeerd door zijn afhankelijkheid van zelfbevestiging die verdachte onder meer vindt in zijn relatie met zijn zoon. Tussen verdachte en zijn zoon is er sprake van een zogenaamde collusie, waarin verdachte ten opzichte van zijn zoon een overwegend leidende, aanzuigende rol speelt. Verdachte lijkt zijn zoon daarbij vooral instrumenteel te benutten. Dit laatste vindt bevestiging in hetgeen de rechtbank uit de bewijsmiddelen is gebleken omtrent de aanloop tot en het verloop van de schietpartij. Vanwege het verschil in de mate van verantwoordelijkheid die vader en zoon dragen voor de onderwerpelijke gebeurtenissen in De Lucht, acht de rechtbank het aangewezen om aan verdachte een gevangenisstraf van langere duur op te leggen dan aan zijn zoon.

6a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging

van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen de nabestaande van slachtoffer 1 (feit 1) en slachtoffer 2 (feit 2) hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van hun vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De rechtbank acht de vorderingen van beide benadeelde partijen niet van eenvoudige aard.

De vordering van de benadeelde partij de nabestaande van slachtoffer 1 is onvoldoende onderbouwd door middel van nota’s en wat betreft de vordering van de benadeelde partij slachtoffer 2 is niet eenvoudig vast te stellen of er sprake is van medeschuld en zo ja, in welke mate dat daarom dient door te werken. De benadeelde partijen zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 10, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

EEN GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN TWAALF (12) JAREN.

Beveelt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, dat de tijd door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering moet worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partijen.

Verklaart beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering.

Verstaat dat de vorderingen slechts kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Aldus gewezen door:

mrs. B.P.J.A.M. van der Pol, als voorzitter,

J.H.M. Westenbroek en M. Barels rechters,

in tegenwoordigheid van M.H.J. Materman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juni 2001.