Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2001:AB1576

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
Awb 01/681, Awb 01/570
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nrs.: Awb 01/681 (hoofdzaak) en Awb 01/570 (vovv)

UITSPRAAK

van de president ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A, wonende te B, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bemmel als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gendt, verweerder,

alsmede

C, wonende te D, partij ex artikel 8:26 van de Awb.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 november 2000 (“handhavingsbeschikking”).

2. Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 1998 heeft verweerder afwijzend gereageerd op het verzoek van C voornoemd (verder te noemen: …) om op te treden tegen (voor zover hier van belang):

- het gebruik door verzoeker van het perceel … te … in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan;

- de op het perceel in afwijking van de daarvoor verleende bouwvergunning opgerichte loods;

- de op het perceel aangebrachte verharding zonder de daarvoor vereiste aanlegvergunning.

Bij besluit van 1 december 1998 heeft verweerder het tegen het besluit van

2 juni 1998 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder aanpassing van de motivering daarvan.

Bij uitspraak van 16 augustus 1999 (reg.nrs. Awb 98/2369 en Awb 99/250) heeft de president van de rechtbank, gebruikmakende van zijn in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, het door C tegen het besluit van 1 december 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat verweerder binnen twee maanden na verzending van de uitspraak een nieuw besluit dient te nemen.

Bij besluit van 16 december 1999 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van C opnieuw ongegrond is verklaard.

Bij uitspraak van 11 september 2000 (nr. 199902374/1/G5I) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) het door C tegen de uitspraak van de president van de rechtbank van 16 augustus 1999 ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de president vernietigd, het besluit van verweerder van 16 december 1999 vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken na de verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.

Bij uitspraak van 13 november 2000 (reg.nr. Awb 00/1977) heeft de rechtbank het door C tegen het uitblijven van een nieuw besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en verweerder gelast om voor uiterlijk 1 december 2000 alsnog een nieuw besluit te nemen, zulks op straffe van verbeurte van dwangsommen.

Bij besluit van 28 november 2000 (“beslissing op bezwaar”) heeft verweerder het bezwaar van C deels gegrond verklaard en daaropvolgend bij het hiervóór aangeduide besluit van gelijke datum (verder: bestreden besluit) verzoeker gelast om binnen acht weken na verzending van het besluit, dat is

30 november 2000, de volgende maatregelen te treffen:

a. “Het beëindigen van de werkzaamheden met de door u gebruikte zware machines, in zoverre dat alleen van een vrachtwagen en heftruck gebruik mag worden gemaakt, voor zover dat voor de bedrijfsvoering binnen de bestemming “tuincentrum” gebruikelijk is, te weten in verband met bevoorrading, opslag en verkoop aan particulieren. Het gebruik van de vrachtwagens, de shovel, de graafmachine en de machines voor aanleg van bestrating dient gestaakt te worden en deze dienen van het perceel … verwijderd te worden.”

b. “Het beëindigen van de opslag van de sierkeien en het zand (alsmede potgrond, vijvermateriaal en overige tuinartikelen) op een wijze die niet past binnen het gebruik volgens de toekomstige bestemming en voor een tuincentrum als door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State omschreven gebruikelijk (detailhandelszaak in koopwaar die verband houdt met de inrichting, verfraaiing en het gebruik van een tuin). Dat betekent dat zand en grond en andere materialen en tuinartikelen die zich daarvoor lenen dienen te worden aangeboden op de voor tuincentra gebruikelijke wijze en dat het perceel ook overigens wordt gebruikt en ingericht als hiervoor aangegeven.”

Een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van fl. 500,= per overtreding, in beide gevallen tezamen met een maximum van fl. 50.000,=.

Tegen dit besluit (verder: bestreden besluit) heeft mr. J. Breeuwer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, namens verzoeker op 5 januari 2001 een voorlopig bezwaarschrift ingediend bij verweerder, hetwelk bij schrijven van

23 maart 2001 is aangevuld met de gronden. Bij schrijven van gelijke datum is tevens de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Bij schrijven van 12 april 2001 heeft verweerders gemachtigde overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:15, eerste lid, van de Awb op verzoek van de griffier van de rechtbank het bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank ter behandeling als beroepschrift. Daarbij is tevens medegedeeld, zulks eveneens op verzoek van de griffier van de rechtbank, dat de werking van het dwangsombesluit wordt opgeschort totdat de president uitspraak heeft gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 april 2001. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Breeuwer voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heren C.J. Fledderus en H. Lentjes, ambtenaren van de gemeente, bijgestaan door mw. mr. H. Zeilmaker, advocaat te Nijmegen. Eveneens is ter zitting verschenen C, bijgestaan door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen. Zoals vooraf schriftelijk aangekondigd, heeft verzoeker een getuige meegebracht, te weten dhr. J.P.R.M. Hendrikx, wonende te Gendt, die als wethouder deel heeft uitgemaakt van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gendt en die thans als wethouder deel uitmaakt van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bemmel. Alle partijen hebben vragen gesteld aan genoemde getuige. De president heeft afgezien van het horen van de getuige.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de president indien het verzoek, bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De president is van oordeel dat laatstbedoelde situatie zich in de onderhavige zaak voordoet.

Ten aanzien van de hoofdzaak

Ter toelichting op de dezerzijds noodzakelijk geachte doorzending van het tegen het bestreden besluit gerichte bezwaarschrift van verzoeker ter behandeling als beroepschrift wordt vooraf opgemerkt dat tussen het aan C gerichte besluit van 28 november 2000 (“beslissing op bezwaar”) en het bestreden besluit een onverbrekelijke samenhang bestaat. De betreffende besluiten dienen te worden opgevat als de samenstellende bestanddelen van de in de heroverweging gegeven beslissing op het bezwaarschrift van C. Daarbij treedt de handhavingsbeschikking in de plaats van het aanvankelijke, na heroverweging deels onjuist geoordeelde besluit waarbij was geweigerd om handhavend op te treden. Hieruit volgt dat tegen het bestreden besluit de beroepsprocedure open staat. In dit verband wordt gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 1995, AB 1995/416.

Ter beoordeling staat de vraag of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Gebleken is als volgt.

Verzoeker exploiteert van oudsher een grondverzet- en grondopslagbedrijf op

de lokatie … te …. Vanaf in ieder geval 1994 vinden er onder meer opslagactiviteiten plaats op het thans in geding zijnde perceel aan

de … te …. Op dit perceel rust ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Buitengebied 1989” de bestemming “Agrarisch gebied (A)”.

Vast staat, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat het gebruik dat thans door verzoeker van het perceel in kwestie wordt gemaakt, hoe ook gekwalificeerd, zich niet verdraagt met voornoemde bestemming. Nu derhalve, gelet op het in de voorschriften van voormeld bestemmingsplan opgenomen gebruiksverbod, sprake is van een illegale situatie is verweerder naar het oordeel van de president in beginsel bevoegd aan verzoeker op grond van artikel 125 van de Gemeentewet juncto artikel 5:32, eerste lid, van de Awb een last onder dwangsom op te leggen.

Indien door een belanghebbende derde, als ook in casu, uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan van handhavend optreden alleen in bijzondere gevallen worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich voordoen wanneer concreet zicht bestaat op legalisatie van de illegale situatie. Dienaangaande overweegt de president als volgt.

Op 30 juni 2000 is het voorontwerp-bestemmingsplan “Buitengebied herziening tuincentrum …” ter visie gelegd. In dit bestemmingsplan, waarvan tot op heden nog geen ontwerp ter visie is gelegd, wordt aan het in geding zijnde perceel de bestemming “Tuincentrum” toegekend.

In voormelde uitspraak van 11 september 2000 heeft de Afdeling overwogen dat naar normaal spraakgebruik onder het woord “tuincentrum” valt te verstaan een detailhandelszaak in koopwaar die verband houdt met de inrichting, verfraaiing en het gebruik van een tuin. Dat het voorontwerp-bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid van “de opslag en verkoop van tuinmaterialen” vormt geen grond om aan het woord “tuincentrum” een andere betekenis toe te kennen, aldus de Afdeling. Vervolgens heeft de Afdeling vastgesteld dat de inrichting en het gebruik van het perceel met de bestemming “tuincentrum” niet in overstemming zijn en daaraan de conclusie verbonden dat het voorontwerp-bestemmingsplan geen basis biedt voor het oordeel dat concreet zicht bestaat op legalisatie van de bedrijfsactiviteiten.

Wat betreft de inrichting en het gebruik van het perceel heeft de Afdeling op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting aangenomen dat het perceel in hoofdzaak is ingericht voor de opslag in bulk van verschillende soorten zand, zwarte grond, grind, puingranulaat en bestratingsmaterialen. Voorts heeft de Afdeling geconstateerd dat frequent gebruik wordt gemaakt van een shovel, heftruck en vrachtwagens.

Zoals verzoeker ter zitting desgevraagd heeft bevestigd en zoals ook kan worden opgemaakt uit de door C overgelegde foto’s en het eveneens door C ingebrachte videomateriaal is de inrichting en het gebruik van het perceel tot op heden onveranderd gebleven. Gelet hierop, en nu de president geen aanleiding ziet het woord “tuincentrum” ruimer te definiëren dan door de Afdeling is gedaan, geldt ook thans nog onverkort dat het voorontwerp-bestemmingsplan, anders dan verzoeker meent, geen basis biedt voor het oordeel dat concreet zicht bestaat op legalisatie van de illegale situatie. Dat de Afdeling inmiddels in de uitspraak van 19 december 2000 (nr. E03.99.0200) heeft vastgesteld “dat niet aannemelijk is dat geen sprake is van een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor het verkopen of verhuren aan particulieren van onroerende zaken” - in haar uitspraak van 11 september 2000 heeft de Afdeling dit met zoveel woorden in twijfel getrokken -, maakt zulks niet anders. De enkele omstandigheid dat sprake is van een detailhandelszaak betekent naar het oordeel van de president immers niet dat ook voor het overige sprake is van bedrijfsactiviteiten die onder de bestemming “tuincentrum” te brengen zijn.

In dit verband verdient tot slot opmerking dat de ter zitting gebleken omstandigheid dat het voorontwerp-bestemmingsplan - na advisering door een stedenbouwkundig bureau - wellicht in voor verzoeker gunstige zin zal worden aangepast dan wel dat een geheel ander voorontwerp-bestemmingsplan zal worden opgesteld, bij gebreke van concreetheid niet maakt dat alsnog van zicht op legalisatie zou kunnen worden gesproken.

Ook overigens is de president niet gebleken van bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten vormen van handhavend optreden af te zien.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel heeft verzoeker een verklaring van de voormalig burgemeester van de gemeente Gendt van 12 april 2001 in het geding gebracht en heeft hij ter zitting eerdergenoemde getuige gehoord. Wat er van de inhoud van de door hen afgelegde verklaringen ook zij - de president wenst hier niet onvermeld te laten dat (delen van) deze verklaringen hem in het licht van het genomen bestreden besluit op zijn minst onbegrijpelijk voorkomen -, feit blijft dat de door verzoeker ontplooide bedrijfsactiviteiten tot op heden in het geheel niet planologisch inpasbaar/legaliseerbaar zijn gebleken. Gelet hierop dient het belang van C, ook indien zou moeten worden aangenomen dat sprake is van gewekt vertrouwen - hetgeen geenszins ondenkbaar is -, zwaarder te wegen dan het belang van verzoeker bij het ongewijzigd kunnen voortzetten van de bedrijfsactiviteiten. Zoals ook de Afdeling heeft vastgesteld in de uitspraak van 11 september 2000 wordt C immers door de ernst en langdurigheid van de inbreuk op het ter plaatse geldende planologische regime ernstig in haar woongenot getroffen.

Het zijn ook bedoelde ernst en langdurigheid die maken, aldus de Afdeling in de uitspraak van 11 september 2000, dat de omstandigheid dat verzoeker met instemming van verweerder is aangevangen met de ontwikkeling van zijn bedrijfsactiviteiten evenmin kan worden gezien als zodanig bijzonder dat verweerder van handhavend optreden had dienen af te zien. De president sluit zich hierbij aan.

Het voorgaande leidt de president tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, bij het bestreden besluit aan verzoeker een last onder dwangsom heeft kunnen opleggen. Desalniettemin kan het bestreden besluit om de hiernavolgende redenen niet in stand blijven.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dient een in een dwangsomaanschrijving vervatte last, gezien de daaraan verbonden vérstrekkende gevolgen, zodanig duidelijk en concreet te zijn dat degene tot wie de aanschrijving is gericht niet in het duister tast omtrent hetgeen moet worden gedaan of nagelaten om te voorkomen dat dwangsommen worden verbeurd. Aan verzoeker kan worden toegegeven dat de in het bestreden besluit vervatte last hierin te kort schiet, nu deze in te algemene bewoordingen is gesteld.

Zo is niet duidelijk of slechts van één dan wel van meerdere vrachtwagens en heftrucks gebruik mag worden gemaakt. Evenmin is duidelijk op welke wijze zand, grond en andere materialen en tuinartikelen dienen te worden aangeboden zodanig dat nog sprake is van “de voor tuincentra gebruikelijke wijze”.

Gelet hierop is sprake van een gegrond beroep. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en, anders dan te doen gebruikelijk, zal verweerder niet worden opgedragen een nieuw besluit te nemen. De verplichting hiertoe vloeit immers reeds voort uit de uitspraak van de rechtbank van eveneens 9 mei 2001

(reg.nr. Awb 01/45) op het door C tegen het besluit van

28 november 2000 (“beslissing op bezwaar”) ingediende beroepschrift.

De president acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75, eerste lid, van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze zijn onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) begroot op fl. 1.420,= aan kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de president niet gebleken.

De president ziet geen aanleiding om verweerder, zoals verzocht, tevens te veroordelen in de door C gemaakte proceskosten.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening

Gegeven de hierna weer te geven beslissing in de hoofdzaak, bestaat er in dit geval geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

In verband daarmee acht de president termen aanwezig te bepalen dat het door verzoeker met betrekking tot het verzoek om voorlopige voorziening gestorte griffierecht ten bedrage van fl. 225,= aan hem wordt gerestitueerd.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De president,

Ten aanzien van de hoofdzaak

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 28 november 2000 (“handhavingsbeschikking”);

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ad

fl. 1.420,= en wijst de gemeente Bemmel aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden;

- bepaalt voorts dat de gemeente Bemmel aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ad fl. 225,= dient te vergoeden.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat de griffier het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 225,= aan hem restitueert.

Aldus gegeven door mr. W.F. Bijloo, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2001 in tegenwoordigheid van mr. K.A.M. van Hoof als griffier.

De president, De griffier,

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft de hoofdzaak, staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in de artikelen 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2500 EA, ’s-Gravenhage.

Hoger beroep staat niet open voor zover is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening.

Verzonden op: