Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2001:AA9656

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
05/072638-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 05/072638-99

Vonnis van de meervoudige strafkamer van de arrondissementsrechtbank te Arnhem, uitgesproken op 26 januari 2001 inzake de verdachte H.N.A. Z., burgemeester.

De kern van het verwijt aan verdachte is dat hij in zijn hoedanigheid van burgemeester, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen, er voor zorg heeft gedragen dat dhr. B. op 2 december 1997 op het politiebureau, tegen zijn wil, is vastgehouden om de RIAGG in de gelegenheid te stellen hem te horen omtrent zijn geestesgesteldheid.

Daarbij is de redenering dat, waar dit horen door de RIAGG niet heeft plaatsgevonden in het kader van het strafrechtelijk onderzoek, dhr. B. mede door toedoen van verdachte langer van zijn vrijheid beroofd is geweest dan voor het strafrechtelijk onderzoek nodig is geweest (feit 1) en verdachte daardoor misbruik van zijn gezag als burgemeester heeft gemaakt (feit 2).

De rechtbank heeft in het vonnis voor zover van belang voor dit persbericht het navolgende overwogen:

Verdachte is burgemeester van de gemeente Beuningen. Tevens is hij tot juni 1998 vice-voorzitter van de raad van commissarissen geweest van het bedrijf Afvalverwerking Regio Nijmegen (ARN), tussen welk bedrijf en dhr. B. een reeds jaren voortslepend conflict bestond. In het kader van dit conflict hebben zich geregeld incidenten voorgedaan, waaronder een telefoongesprek tussen dhr. B. en de directeur van ARN, dhr. Van Gorkum, op 30 oktober 1997, welk telefoongesprek op band is opgenomen. De inhoud van dit gesprek is voor dhr. Van Gorkum aanleiding geweest om bij de politie aangifte van bedreiging te doen jegens dhr. B.. Naar aanleiding van deze aangifte is dhr. B. op 2 december 1997 in de ochtenduren aangehouden en vervolgens om 14.55 uur die dag inverzekeringgesteld, waarna hij om 17.45 uur is heengezonden. Tijdens zijn verblijf op het bureau is dhr. B. bezocht door medewerkers van de RIAGG, die hem hebben gehoord in het kader van een onderzoek naar zijn geestesgesteldheid. Ten behoeve van dit horen is het strafrechtelijk onderzoek in het kader van de beweerdelijk gepleegde bedreiging onderbroken geweest. De verklaringen omtrent de duur van deze onderbreking variëren van 5 minuten tot een half uur à drie kwartier.

Vaststaat dat verdachte naar aanleiding van het afluisteren van het bandje met daarop opgenomen het telefoongesprek telefonisch contact heeft opgenomen met een medewerkster van de RIAGG en deze heeft uitgenodigd aanwezig te zijn bij een overleg op het stadhuis in Nijmegen om daar het probleem met dhr. B. te bespreken. Bij dat overleg waren naast anderen ook de officier van justitie, dhr. Van Gorkum en de loco-burgemeester van Beuningen aanwezig. Deze laatste trad in dat overleg op als burgemeester, terwijl verdachte aan dat overleg deelnam als commissaris van ARN. De in deze gehoorde getuigen spreken elkaar tegen over hetgeen de uitkomst van dit overleg is geweest. Verdachte heeft daarover verklaard dat voor hem op basis van dit overleg duidelijk was dat dhr. Van Gorkum aangifte zou doen, dat dhr. B. vervolgens naar aanleiding van die aangifte op het bureau zou worden gehoord en dat de RIAGG daarbij/daardoor in de gelegenheid zou worden gesteld om dhr. B. op het bureau te zien. Uit de stukken blijkt niet dat tussen verdachte en het Openbaar Ministerie na dat overleg nog contact is geweest tot aan het moment van aanhouding van dhr. B.. Wel is er in die tussenliggende periode, aldus verdachte, contact geweest tussen hem en de

RIAGG, waarbij hij van de zijde van de RIAGG het verzoek kreeg bij de politie te bepleiten dat zij in de gelegenheid zouden worden gesteld dhr. B. op het bureau te zien. Dit heeft verdachte ook gedaan, en wel daags voor de aanhouding.

Naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van het vorenstaande vast dat tot aanhouding en inverzekeringstelling van dhr. B. is besloten door de officier van justitie respectievelijk door één zijner hulpofficieren en dat dit is gebeurd naar aanleiding van een op basis van de inhoud van de bandopname reële verdenking ter zake het plegen van een strafbaar feit. Niet, althans onvoldoende, is gebleken dat deze dwangmiddelen zijn toegepast voor andere dan strafrechtelijke doeleinden en, in het bijzonder, dat de inverzekeringstelling noodzakelijk is geweest alleen vanwege de eerdere (korte) onderbreking van het strafrechtelijk onderzoek voor het doen horen door de RIAGG. In zoverre is de vrijheidsbeneming van dhr. B. derhalve rechtmatig geweest en is er van wederrechtelijke vrijheidsberoving als onder 1 tenlastegelegd geen sprake.

Voorts is niet, althans onvoldoende, gebleken dat verdachte op het toepassen van deze dwangmiddelen enige invloed heeft uitgeoefend, zodat niet gezegd kan worden dat het verblijf op het bureau in zoverre mede door verdachte is afgedwongen, hetgeen vereist is voor bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.

Vervolgens rijst de vraag of voor de duur van het horen door de RIAGG sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving en of verdachte daarop invloed heeft uitgeoefend. De officier van justitie heeft gesteld dat daarvan geen sprake is geweest, nu dhr. B. vrijwillig heeft ingestemd met het horen door de medewerkers van de RIAGG.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of al dan niet van instemming sprake is geweest. Immers, ingeval al geoordeeld moet worden dat dhr. B. met zijn ophouding op het bureau, voor de duur van het horen door de medewerkers van de RIAGG, niet geacht moet worden te hebben ingestemd, zulks mede gezien de situatie waarin hij zich op dat moment bevond, en er in zoverre sprake mocht zijn geweest van wederrechtelijke vrijheidsbeneming, dient voor bewezenverklaring van feit 1 vast te staan dat, zo verdachte op het gedwongen verblijf op het bureau voor uitsluitend de duur van dit RIAGG-verhoor al enige invloed heeft uitgeoefend, de opzet van verdachte erop gericht is geweest dit horen te doen plaatsvinden tegen de wil van dhr. B.. Alleen in die situatie kan mogelijk sprake zijn van deelneming aan een eventuele wederrechtelijke vrijheidsbeneming.

Dat deze opzet bij verdachte heeft bestaan blijkt niet althans onvoldoende uit de stukken. Zoals hiervoor overwogen spreken de getuigen elkaar tegen voor wat betreft het resultaat van het overleg op het stadhuis. Verdachte heeft voor zichzelf uit dat overleg de conclusie getrokken dat na het doen van aangifte dhr. B. op het bureau gehoord zou worden waarbij/waardoor dan de RIAGG de gelegenheid zou hebben hem te zien. Dit is onvoldoende om tot het bestaan van opzet in voormelde zin bij verdachte te concluderen. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij na dit overleg tijdens een telefoongesprek met de politie op 1 december 1997 begreep dat de RIAGG dhr. B. slechts zou kunnen bezoeken op basis van vrijwilligheid en dat deze niet langer zou kunnen worden vastgehouden dan de daarvoor geldende wettelijke termijn. Daarop zou verdachte, naar zijn zeggen, hebben medegedeeld dat de politie zich uiteraard aan de wet diende te houden, maar dat hij het op prijs zou stellen indien het toch lukte. De verbalisant, met wie verdachte heeft gesproken, heeft zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten.

Ofschoon de rechtbank van oordeel is dat deze handelwijze van verdachte onwenselijk is geweest, zulks gezien de daarmee gewekte schijn van belangenverstrengeling, vindt zij hierin onvoldoende steun voor het oordeel dat verdachte er bij de politie op heeft aangedrongen het horen door de RIAGG desnoods tegen de wil van dhr. B. te doen plaatsvinden, zodat het voor bewezenverklaring van deelneming aan wederrechtelijke vrijheidsbeneming vereiste opzet niet vaststaat. Verdachte zal derhalve van het onder 1 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Gezien het vorenstaande is evenmin wettig en overtuigend bewezen dat mede door toedoen van verdachte dhr. B. is gedwongen om voor de duur van het horen door medewerkers van de RIAGG tegen zijn wil op het bureau te verblijven, zodat, waar volgens de steller van de tenlastelegging het misbruik van gezag daaruit zou hebben bestaan, verdachte ook voor het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten sub 1 en 2.