Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:ZF1012

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2000
Datum publicatie
18-03-2002
Zaaknummer
96/4426
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 125, geldigheid: 2000-02-01
Gemeentewet 136, geldigheid: 2000-02-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te ArnhemEnkelvoudige Kamer Bestuursrecht

Reg.nr.: 96/4426

UITSPRAAK

in het geding tussen:

Stichting Beheer Evangeliegemeente "De Deur" Arnhem te Arnhem, eiseres, en het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Besluit van verweerder van 19 november 1996, kenbaar gemaakt bij brief van 28 november 1996.

2. Feiten en procesverloop.

Bij besluit van 9 juli 1996 heeft verweerder eiseres op straffe van verbeurte van een dwangsom van f.1000,-- per week, met een maximum van f. 25.000,--, aangeschreven om binnen drie maanden na de dag van verzending van dit besluit het gebruik van het pand Conradweg 2 te Arnhem als ruimte voor het houden van evangelische diensten te beëindigen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij schrijven van 19 augustus 1996 een bezwaarschrift ingediend.

Op 18 oktober 1996 heeft eiseres het bezwaarschrift toegelicht ten overstaan van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften, waarop deze commissie op 29 oktober daaropvolgend aan verweerder advies heeft uitgebracht.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder met overneming van het advies van de commissie de bezwaren van eiseres gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en de termijn in de aanschrijving verlengd tot 1 april 1997.

Bij brief van 18 december 1996 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij brief van 30 september 1997 aan de rechtbank toegezonden.

Verweerder heeft desverzocht bij schrijven van 31 oktober 1997 een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 26 november 1997 heeft de president van de rechtbank het bestreden besluit, zoals nadien gewijzigd bij besluit van 26 juli 1997, geschorst tot zes weken na de dag van verzending daarvan. Een nadien bij schrijven van 26 mei 1998 ingediend verzoek aan de president tot verlenging van de schorsing van het bestreden is bij uitspraak van 8 juni 1998 afgewezen.

Bij schrijven van 3 januari 2000 heeft eiseres nog een aantal nadere stukken in het geding gebracht.

Het beroep is behandeld ter zitting van 14 januari 2000, waar eiseres is verschenen bij haar pastor A.H. Kooiker, bijgestaan door mr. W.J.E.

Hendriks, advocaat te Arnhem. Verweerder is verschenen bij gemachtigde G. Weenink, ambtenaar der gemeente.

3. Overwegingen.

In dit geding moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Eiseres heeft voor de duur van vijf jaar een gebouw aan de Conradweg 2 te Arnhem gehuurd teneinde aldaar kerkdiensten en enige andere activiteiten te doen plaatsvinden. Verweerder heeft eiseres bij het primaire besluit op straffe van een dwangsom aangeschreven het gebruik van het pand als evangelieruimte te beëindigen, omdat zulks in strijd is met het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan "Industrieterrein". Dit besluit is in zoverre bij het bestreden besluit gehandhaafd.

Voor de beoordeling van het onderhavige geding gaat de rechtbank uit van de bepalingen van de Gemeentewet zoals deze golden ten tijde voor dit geding van belang.

Ingevolge het bepaalde in artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet heeft het gemeentebestuur ter uitvoering van wetten, algemene maatregelen van bestuur en van provinciale en gemeentelijke verordeningen de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang, welke bevoegdheid omvat het doen wegnemen, beletten, in de vorige toestand herstellen of verrichten van hetgeen in strijd met die regels of met ingevolge die regels gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Op grond van artikel 136, eerste lid, van de Gemeentewet kan het orgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, indien het gelaedeerde belang zich daartegen niet verzet, bepalen dat de overtreder een door het orgaan vastgestelde dwangsom verbeurt. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het orgaan de dwangsom als bedoeld in het eerste lid, hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding vaststellen. In de laatste twee gevallen bepaalt het orgaan tevens het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het gelaedeerde belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden besluit wat betreft de hoogte van de dwangsommen in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 136 van de Gemeentewet, zodat dit aspect verder onbesproken zal worden gelaten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ter plaatse geldt als bestemmingsplan het uitbreidingsplan in onderdelen "Industrieterrein", vastgesteld in 1962 en goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten van Gelderland van 29 juli 1963.

Op grond van artikel 5 van de krachtens dit plan geldende bebouwingsvoorschriften heeft het betreffende perceel de bestemming "Handel en Nijverheid". Ingevolge dit artikel zijn de daarvoor aangewezen gronden uitsluitend bestemd als zodanig.

In artikel 12, eerste lid, van de voorschriften - welk artikel op 3 december 1973 aan de bebouwingsvoorschriften is toegevoegd - is bepaald dat het verboden is gronden of opstallen of delen daarvan te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming.

Anders dan eiseres meent is de rechtbank van oordeel dat laatstgenoemd artikel verbindende kracht toekomt, nu het op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en niet op basis van artikel 168 van de (voormalige) Gemeentewet aan de voorschriften is toegevoegd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overwegingen van de president in zijn uitspraak van 9 december 1997, welke overwegingen de rechtbank tot de zijnde maakt.

Uit het voorgaande volgt dat het gebruik van het pand Conradweg 2 voor kerkdiensten en aanverwante bijeenkomsten in strijd is met de op het perceel rustende bestemming "handel en nijverheid", zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in beginsel de bevoegdheid toekomt toepassing te geven aan artikel 125, in verbinding met artikel 136, van de Gemeentewet (oud).

Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State kan, indien legalisatie niet mogelijk is, slechts in zeer bijzondere omstandigheden van handhaving van wettelijke voorschriften worden afgezien.

De rechtbank heeft in de omstandigheden van onderhavig geval geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen.

Legalisatie van het gewraakte gebruik ligt geenszins in de rede, nu vrijstellingsbepalingen in het bestemmingsplan ontbreken, terwijl geen voorbereidingsbesluit van kracht is en ook overigens geen voornemens bestaan voor een herziening of wijziging van dat plan. Verweerder heeft in dit verband nog aangevoerd dat projecten gaande zijn ter revitalisering van het bedrijventerrein, zodat het niet in de rede ligt de bestemming van bepaalde percelen te wijzigen, dan wel gebruiksmogelijkheden als door eiseres beoogd te verwezenlijken.

Hantering van de zogeheten toverformule is blijkens vaste jurisprudentie in casu evenmin mogelijk, nu een gebruik conform de bestemming objectief beschouwd nog alleszins tot de mogelijkheden behoort.

Namens eiseres is betoogd dat het bestreden besluit in strijd komt met de in de Grondwet verankerde vrijheid van godsdienst, alsmede met het bepaalde in artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen ook deze grieven niet slagen.

Uit de jurisprudentie volgt dat de uitoefening van een grondrecht niet met zich brengt dat de voorschriften van een bestemmingsplan hun betekenis zouden verliezen (vgl. Vz ARRS 16 feb. 1989, BR 1989/757).

Verweerders gemeente kent honderden bestemmingsplannen en als vaststaand moet worden aangenomen dat de door eiseres gewenste activiteiten krachtens in diverse plannen opgenomen bestemmingen en voorschriften zijn toegestaan. Het bestreden besluit heeft mitsdien niet tot gevolg dat een ontoelaatbare beperking teweeg wordt gebracht in de uitoefening van de in de Grondwet verankerde godsdienstvrijheid.

Artikel 9, lid 2, van het EVRM bepaalt dat de vrijheid van godsdienst aan geen andere beperkingen kan worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor (onder meer) de bescherming van de openbare orde.

Het vaststellen van regels tot inrichting van de openbare ruimte behoort tot het terrein van de openbare orde als vorenbedoeld. Deze regels zijn gegeven bij en krachtens de WRO, een wet in formele zin, en zijn naar het oordeel van de rechtbank in een democratische samenleving noodzakelijk uit een oogpunt van behoorlijke inrichting en bescherming van het grondgebied waarop die samenleving zich manifesteert. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de krachtens het onderhavige bestemmingsplan gestelde voorschriften ongeschikt zouden zijn ter verwezenlijking van die doelstelling, noch dat zij daarmede niet in redelijke verhouding zouden staan. Hieruit volgt mitsdien dat ook deze grieven van eiseres geen doel treffen.

De rechtbank acht evenmin grond aanwezig voor vernietiging van het bestreden besluit door de omstandigheid dat verweerder heeft nagelaten eiseres elders een passende ruimte aan te bieden. Het zoeken en vinden van een in planologisch opzicht passende locatie voor het houden van religieuze diensten kan niet geacht worden te behoren tot de verantwoordelijkheid van verweerder als gemeentelijk orgaan. Voor enige vorm van bestuurscompensatie is zou hooguit plaats kunnen zijn indien eiseres het onderhavige gebouw rechtmatig in gebruik had genomen, doch hiervan is in casu geen sprake. Overigens is de rechtbank niet gebleken dat bij verweerder geen bereidheid zou bestaan om voor de onderhavige problematiek een oplossing te zoeken. De omstandigheid evenwel dat potentieel in aanmerking komende locaties voor eiseres te kostbaar of anderszins ongeschikt zijn dient voor haar rekening te blijven.

Het door eiseres gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel dient reeds hierom te falen, omdat niet is gebleken dat verweerder gelijke gevallen ongelijk heeft behandeld. De door eiseres genoemde voorbeelden kunnen een vergelijking met de situatie van eiseres niet doorstaan en de rechtbank volstaat in dit verband met verwijzing naar hetgeen verweerder daaromtrent in het bestreden besluit en ter zitting heeft opgemerkt.

Ook in de door eiseres nader in geding gebrachte stukken heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder een willekeurig handhavingsbeleid zou voeren, dan wel dat hij in de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Hetgeen voor het overige namens eiseres nog is aangevoerd kan er evenmin toe leiden dat ten aanzien van eiseres een bijzondere omstandigheid aanwezig moet worden geacht, die verweerder had moeten doen besluiten van bestuursdwang af te zien.

Nu het bestreden besluit ook overigens niet is in strijd is met regels van geschreven of ongeschreven recht, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Geen termen bestaan een der partijen met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing.

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter en door hem in het openbaar uitgesproken op in tegenwoordigheid van W.J. Bosveld als griffier.

De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto artikel 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's- Gravenhage.

Afschrift verzonden op: