Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AB2252

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/391 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2001/22

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht

Reg.nr.: 99/391 AW

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het College van Gedeputeerde Staten van Gelderland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 20 januari 1999.

2. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 20 mei 1998 heeft verweerder eiseres vanwege de opheffing van haar functie ingaande 1 september 1998 eervol ontslag verleend onder toekenning van wachtgeld.

Namens eiseres is op 29 juni 1998 tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is behandeld tijdens een hoorzitting van de "Bezwarencommissie personeel" op 19 november 1999, waar eiseres en haar (toenmalige) raadsman zijn verschenen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Namens eiseres heeft mr. F.J. Perquin, advocaat te Nijmegen, op 1 maart 1999 tegen dit besluit beroep ingesteld, waarna de gronden van het beroep zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift van 27 april 1999.

Verweerder heeft op 9 juni 1999 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 24 november 2000, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. F.J. Perquin voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mw.mr. H.A.E. van Soest, werkzaam bij Leeuwendaal advies bv te Rijswijk, alsmede door drs. G.F. Feij, hoofd sector bedrijfsvoering bij de provincie.

3. Overwegingen

Eiseres was sedert 1 juni 1989 werkzaam bij verweerder in de functie van hoofd van [afdeling I], onderdeel van de sector [sector A]. Genoemde sector vormde tezamen met de sectoren [sector B] en [sector C] verweerders [onderdeel]. Ingaande 29 januari 1996 is [onderdeel] gereorganiseerd, waarbij de sector [sector A] is omgevormd tot de sector [sector A nieuw] en waarbij de nieuwe afdeling [nieuwe afdeling] in het leven is geroepen. Als gevolg hiervan zijn de functies van hoofd [adfeling I] en hoofd [afdeling II] komen te vervallen. Tot hoofd van de nieuwe afdeling [nieuwe afdeling] is de [ex hoofd afdeling II], voormalig hoofd van de onderafdeling [afdeling II], benoemd.

Bij besluit van 12 januari 1996 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar functie per 29 januari 1996 wordt opgeheven en dat een zorgvuldig onderzoek naar herplaatsingsmogelijkheden zal plaatsvinden, waarover overleg reeds gaande is.

Het namens eiseres tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift - waarvan de behandeling op verzoek van eiseres is aangehouden hangende de tussen partijen lopende onderhandelingen omtrent een minnelijke regeling - is bij besluit van 21 augustus 1997 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit zijn door eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.

Nadat inmiddels een uitvoerige correspondentie tussen partijen had plaatsgevonden, welke niet tot een oplossing in der minne heeft geleid, heeft verweerder bij schrijven van 12 januari 1998 zijn voornemen kenbaar gemaakt het dienstverband met eiseres op korte termijn wegens opheffing van haar functie te beëindigen. Na enige nadere correspondentie is vervolgens door verweerder het primaire besluit van 18 mei 1998 genomen dat bij het thans bestreden besluit is gehandhaafd.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit

de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel J-6, eerste lid onder a, van het Ambtenarenreglement van de Provincie Gelderland kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend wegens opheffing van de functie. Het tweede lid van voornoemd artikel bepaalt dat ontslag slechts kan plaatsvinden, indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de provinciale diensten andere passende of geschikte werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden.

Ingevolge artikel 1.1.4 van het toepasselijke "Sociaal Statuut provincie Gelderland 1995-1999" (ingevolge artikel 1.1.3 een bijzondere regeling waarbij van de bestaande rechtspositieregelingen kan worden afgeweken) verplichten de werkgever en herplaatsingskandidaten zich om zich tot het uiterste in te spannen om ontslag te voorkomen, door gedurende een reële periode te streven naar interne of externe herplaatsing.

Het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit betreft in hoofdzaak de omstandigheid dat zij door verweerder naar haar oordeel ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor benoeming in de functie van hoofd van de nieuwe afdeling [nieuwe afdeling]. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar op onduidelijke en onjuiste gronden heeft gepasseerd voor deze functie ten gunste van [ex hoofd afdeling II].

De rechtbank is van oordeel dat deze grief niet kan slagen. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting moet worden vastgesteld dat met de ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 12 januari 1996 niet alleen de opheffing van haar functie per 29 januari 1996 een definitief karakter heeft gekregen, maar ook dat de organisatiestructuur van de nieuwe afdeling Bedrijfsvoering per genoemde datum ten aanzien van eiseres in rechte onaantastbaar is geworden. Zulks impliceert dat eiseres thans niet meer kan opkomen tegen haar niet-benoeming, casu quo tegen de benoeming van [ex hoofd afdeling II], tot hoofd van de nieuwe afdeling [nieuwe afdeling]. Hieraan kan niet afdoen dat de procedure die tot benoeming van de heer [ex hoofd afdeling II] heeft geleid weinig transparant is geweest. Gezien de met eiseres in een vroegtijdig stadium van de reorganisatie gevoerde gesprekken had het haar ten tijde van het besluit van 12 januari 1996 volstrekt duidelijk moeten zijn dat de functie van hoofd [nieuwe afdeling] niet aan haar, maar aan een ander was of zou worden toegewezen. Het had derhalve op de weg van eiseres gelegen het besluit op bezwaar van 21 augustus 1997 in rechte aan te vechten, voorzover daarbij naar haar oordeel op haar bezwaren niet of niet adequaat is beslist.

Eiseres heeft voorts tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verweerder onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn bemoeiingen om tot een interne herplaatsing van eiseres te komen. De rechtbank verstaat deze grief aldus, dat verweerder niet heeft voldaan aan de verplichting neergelegd in artikel J6, tweede lid, van het Ambtenarenreglement, in verbinding met artikel 1.1.4 van het Sociaal Statuut.

De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Uit de gedingstukken komt naar voren dat partijen reeds in 1995 in overleg zijn getreden teneinde langs minnelijke weg te bewerkstelligen dat eiseres op zo kort mogelijke termijn vervangende werkzaamheden zou kunnen gaan verrichten. Omdat de kansen op een passende of geschikte functie binnen de provinciale organisatie voor eiseres, gezien de aard en het niveau van haar functie, gering werden ingeschat, heeft verweerder (onder meer) ingestemd met het uitdrukkelijke verzoek van eiseres om zich primair op de externe arbeidsmarkt te oriënteren. Tussen partijen is begin 1996 overeengekomen dat eiseres een termijn van in beginsel twee jaren zou worden geboden om haar "eigen netwerk" uit te breiden, waarbij met name is beoogd het verkrijgen van een positie als zelfstandig organisatieadviseur. In verband hiermede heeft eiseres door verweerder aangeboden outplacement-faciliteiten van de hand gewezen, van oordeel zijnde dat zulks een negatief effect zou hebben voor een vestiging als zelfstandige in laatstbedoelde zin. Overigens heeft verweerder zich hierbij het recht voorbehouden eiseres in een passende functie te herplaatsen, indien zich intern een mogelijkheid hiervoor zou voordoen. In dit kader zijn twee concrete functies in beeld geweest, waarvan er één uiteindelijk niet passend bleek terwijl eiseres zich voor de andere heeft teruggetrokken. Aan eiseres zijn voorts nog enige financiële tegemoetkomingen aangeboden, onder meer in de vorm van een zogenoemde stimuleringspremie indien zij erin mocht slagen binnen de gestelde periode van 2 jaar aan de slag te komen.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor geschetste omstandigheden niet onmiddellijk het beeld oproepen van onzorgvuldige en tekortschietende herplaatsingsinspanningen van de zijde van verweerder. Geconstateerd moet worden dat in overeenstemming met de duidelijke bedoelingen van partijen het initiatief voor het vinden van een andere arbeidsplaats primair bij eiseres is gelegd, waarbij zij bewust heeft afgezien van een actieve bemiddelende rol van verweerder. Aan eiseres is hiertoe met behoud van bezoldiging de facto een termijn van ruim 2 1/2 jaar geboden en niet is gesteld of gebleken dat eiseres in de loop van die periode een andere gedragslijn heeft voorgestaan. Onder deze omstandigheden gaat het naar het oordeel van de rechtbank niet aan om verweerder achteraf het verwijt te maken dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om eiseres te herplaatsen. Hieraan zij nog toegevoegd dat door eiseres geen concrete of verifieerbare gegevens zijn aangedragen omtrent haar eigen activiteiten in genoemde periode, zodat niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, eiseres zelf heeft voldaan aan de ook op haar krachtens het Sociaal Statuut rustende verplichtingen.

Alles overziende kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder in zodanige mate is tekort geschoten in zijn inspanningsverplichtingen, dat het bestreden besluit deswege voor vernietiging in aanmerking zou moeten worden gebracht.

Rest nog de door eiseres opgeworpen grief dat verweerder in de gegeven omstandigheden niet heeft kunnen volstaan met het toekennen van een reguliere wachtgelduitkering. Eiseres betoogt hiermede blijkbaar dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:4, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de voor eiseres nadelige gevolgen van het ontslagbesluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit beoogde doelen. Hierbij is in aanmerking genomen dat iedere ambtenaar nu eenmaal met ontslag kan worden bedreigd indien zijn functie komt te vervallen en herplaatsing niet mogelijk is gebleken. De aan zodanig ontslag verbonden nadelige gevolgen worden gecompenseerd door een ontslaguitkering, waarvan de hoogte en de duur zijn gerelateerd aan de bezoldiging en de diensttijd van de ambtenaar. Daarmede is een regeling in het leven geroepen die in beginsel geacht moet worden de nadelige gevolgen van een ontslag als het onderhavige in redelijke verhouding te brengen met de met het ontslag beoogde doelen.

In onderhavig geval is aan eiseres een wachtgeld toegekend ter hoogte van 80% van haar bezoldiging gedurende het eerste jaar en ter hoogte van 70% tot de datum waarop zij de leeftijd van 65 jaar zal hebben bereikt. De rechtbank vermag niet in te zien dat verweerder aan eiseres in de gegeven omstandigheden een ruimere financiële compensatie had moeten verlenen, te minder nu eiseres gedurende een periode van ruim 2 1/2 jaar voorafgaande aan haar ontslag met behoud van haar bezoldiging geen werkzaamheden voor verweerder heeft hoeven verrichten.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond is.

Geen termen bestaan een der partijen met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2000, in tegenwoordigheid van J.B.M. Wassink als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 11 december 2000

Coll: