Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AB0868

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/524
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht

Reg.nr.: 00/524

UITSPRAAK

in het geding tussen:

de besloten vennootschap [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 3 februari 2000, verzonden 9 februari 2000.

2. Feiten en procesverloop

Bij brief van 26 oktober 1998 is namens eiseres aan verweerder verzocht om een vrijstelling van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1971" voor de vestiging van grootschalige detailhandel in een nieuw te realiseren meubeltoonzaal op het perceel aan de [adres] te [vestigingsplaats] ([bedrijventerrein]).

Bij besluit van 27 januari 1999 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Dit besluit is op 1 februari 1999 mondeling aan eiseres bekendgemaakt.

Bij brief van 24 februari 1999 heeft eiseres haar verzoek nader toegelicht en is verweerder verzocht zijn besluit in heroverweging te nemen.

Bij besluit van 8 juli 1999 heeft verweerder het verzoek (nogmaals) afgewezen.

Namens eiseres is hiertegen bij brief van 30 juli 1999 bezwaar gemaakt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar, overeenkomstig een ambtelijk voorstel van 18 januari 2000, ongegrond verklaard.

Namens eiseres is hiertegen bij brief van 20 maart 2000 beroep ingesteld. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief met bijlagen van 19 april 2000 de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft op 12 mei 2000 een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 15 november 2000 heeft eiseres nog enige stukken in het geding gebracht.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 november 2000, waar voor eiseres is verschenen haar directeur [directeur eiseres], bijgestaan door mr. R.D. Boesveld, advocaat te Arnhem, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. van der Voet, ambtenaar der gemeente.

3. Overwegingen

Eiseres is eigenares en exploitante van detailhandelszaken, genaamd "[handelsnaam]". Ze heeft filialen in [4 plaatsnamen]. Het filiaal in [vestigingsplaats] is gevestigd aan [straat] in de dorpskern van de gemeente. Eiseres ziet zich - naar zij heeft gesteld - om redenen van continuïteit van haar bedrijfsvoering genoodzaakt een gedeelte van haar activiteiten aldaar, te weten de verkoop van volumineuze meubelen, te verplaatsen naar een meer ruimte biedende locatie. Naar de mening van eiseres is het haar eveneens in eigendom toebehorende perceel aan de [adres] (op het bedrijventerrein [bedrijventerrein]) uitermate geschikt voor de vestiging van de door haar voorgestane meubeldetailhandel. Met het oog hierop heeft eiseres aan verweerder verzocht om vrijstelling van de bestemmingsplanvoorschriften, zoals deze gelden voor het terrein [bedrijventerrein], teneinde de vestiging van genoemde meubeltoonzaal mogelijk te maken. Dit verzoek is bij het besluit van 8 juli 1999 afgewezen, welk besluit bij het thans bestreden besluit is gehandhaafd.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte kan stand houden.

De rechtbank merkt allereerst op dat het besluit van verweerder van 27 januari 1999 blijkens de stukken op 1 februari 1999 - mondeling - aan eiseres bekend is gemaakt. Gelet op het ingevolge artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde vereiste van schriftelijkheid, kan dit besluit niet als een besluit in de zin van de Awb worden beschouwd. Het besluit van 8 juli 1999 is door verweerder derhalve terecht als het (eerste) primaire besluit, waartegen bezwaar kon worden gemaakt, aangemerkt.

Aan het bestreden besluit ligt - kort samengevat - ten grondslag dat verweerder in zijn gemeente het beleid voert om grootschalige detailhandel op perifere plaatsen, waaronder het terrein [bedrijventerrein], te weren. Hiertoe is enerzijds aangevoerd dat dit terrein geen ruimtelijke relatie heeft met het kernwinkelgebied - waardoor er door vestiging van detailhandel aldaar geen versterking van het dorpscentrum kan worden bereikt - en anderzijds dat verweerder genoemd terrein naar ligging, aard en inrichting niet voor grootschalige detailhandel geschikt acht. Verweerder is verder van mening dat het algemeen belang bij een goed vestigingsbeleid in dit geval zwaarder dient te wegen dan de belangen van eiser bij een optimale bedrijfsvoering.

Namens eiseres is - kort samengevat - onder meer gesteld dat verweerder de (bedrijfseconomische) belangen van eiseres onvoldoende bij zijn besluitvorming heeft meegewogen. Het beleid van verweerder inzake de vestiging van grootschalige detailhandel was voorts ten tijde van het onderhavige verzoek nog niet kenbaar (gemaakt) en heeft overigens blijkens onderzoek in de praktijk nimmer gefunctioneerd. Voorts is er namens eiseres op gewezen dat verweerders beleid de vrijstellingsmogelijkheid die het bestemmingsplan biedt frustreert en dat op het terrein [bedrijventerrein] diverse vormen van detailhandel plaatsvinden, welke kennelijk door verweerder wel worden getolereerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Krachtens het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1971" rust op het onderhavig perceel de bestemming "Handel en Nijverheid II". Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de bij dit bestemmingsplan behorende voorschriften zijn de als zodanig op de plankaart aangewezen gronden bestemd voor nijverheids-, handels-, niet zijnde detailhandels-, en dienstverlenende bedrijven.

In artikel 7.2, tweede lid aanhef en onder g, van de voorschriften is bepaald dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen voor detailhandel in andere dan huishoudelijke artikelen en levensmiddelen.

Niet in geschil is en ook voor de rechtbank staat vast dat verweerder in dit geval bevoegd was een vrijstelling te verlenen. Zulks betreft echter een discretionaire bevoegdheid van verweerder, die door rechter terughoudend dient te worden getoetst. Ter beoordeling staat slechts of verweerder na afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot de onderhavige weigering heft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met het geschreven of ongeschreven recht.

Verweerder heeft zich bij zijn afwijzend besluit met name gebaseerd op de "Nota toelatingsbeleid Detailhandel op perifere plaatsen" van 18 juni 1999, waarin het beleid met betrekking tot de detailhandel voor de komende jaren is uiteengezet. Dit beleid is blijkens de stukken op 29 juni 1999 vastgesteld en op 1 juli 1999 in afschrift aan eiseres overhandigd.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank genoegzaam gebleken dat genoemde nota - anders dan namens eiseres is betoogd - geenszins een (abrupte) wijziging betekende van het tot dan toe door verweerder gevoerde beleid inzake de vestiging van detailhandelsbedrijven op perifere locaties. Uit de stukken komt naar voren dat reeds vanaf medio 1998 tussen eiseres en verweerder gesprekken zijn gevoerd en correspondentie heeft plaatsgevonden omtrent een gedeeltelijke verplaatsing van de vestiging van eiseres naar [bedrijventerrein]. Hierbij is zijdens verweerder steeds naar voren gebracht dat de vestiging van een meubeltoonzaal op de beoogde locatie uit planologisch oogpunt op bezwaren stuitte. Door verweerder zijn daarbij geen wezenlijk andere argumenten tegen zodanige vestiging gebezigd, dan welke thans in meergenoemde nota - zij het in uitvoeriger vorm en ingebed in een breder kader - tot uitdrukking worden gebracht. Eiseres is van verweerders opvatting dienaangaande ook reeds bij het mondeling meegedeelde besluit van 27 januari 1999 in kennis gesteld.

Op grond hiervan ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de in genoemde nota tot uitdrukking gebrachte uitgangspunten met betrekking tot het vestigingsbeleid inzake detailhandel op bedrijventerreinen niet aan het bestreden besluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

In deze nota is het ruimtelijk beleid inzake detailhandel weergegeven, waarbij op basis van het zogenoemde "driestappenmodel" tot uitdrukking is gebracht dat het handhaven van de winkelfunctie van het centrumgebied het primaire uitgangspunt van beleid is. In eerste instantie dient te worden gezocht naar een geschikte locatie binnen de traditionele winkelgebieden in het centrum en in tweede instantie mag worden uitgeweken naar een locatie dicht in de buurt daarvan (de zogenaamde aanloopgebieden). Pas in laatste instantie kan toevlucht worden gezocht op een zogeheten perifere locatie, casu quo een bedrijventerrein.

Ten aanzien van de drie in aanmerking komende bedrijventerreinen in verweerders gemeente is in de nota een gedifferentieerd beleid neergelegd. Met betrekking tot het terrein [bedrijventerrein] is omtrent (de onwenselijkheid van) het toestaan van detailhandel aldaar onder meer het volgende aangegeven:

"1. Allereerst biedt de ligging van [bedrijventerrein] juist goede perspectieven voor bedrijven die gezien hun aard primair op een industrieterrein een plaats dienen te hebben. Zo is [bedrijventerrein] onder andere gunstig gelegen ten opzichte van de snelwegen A1 en A30 en, met het oog op eventuele overlast, ten opzichte van woongebieden. Aangezien ook op [bedrijventerrein] ruimte een schaars goed is, dient de op [bedrijventerrein] beschikbare ruimte gereserveerd te worden voor bedrijven welke gezien hun aard primair een plaats op het industrieterrein dienen te hebben.

2. Hiernaast heeft [bedrijventerrein] een perifere ligging ten opzichte van woongebieden. De ligging van[bedrijventerrein] is dermate perifeer dat er geen enkele relatie bestaat met de bestaande kernen. Het toestaan van detailhandel op zo'n perifeer gelegen locatie zal tot gevolg hebben dat veel consumenten het industrieterrein met de auto zullen gaan bezoeken. Dit is niet alleen onwenselijk vanuit de gedachte van het terugdringen van de automobiliteit, maar tevens zal dit autoverkeer overlast veroorzaken voor de reeds op [bedrijventerrein] gevestigde bedrijven welke gezien hun aard wel primair op dit industrieterrein een plaats dienen te hebben. Deze overlast zal niet alleen bestaan uit hinder voor vrachtverkeer maar tevens uit parkeeroverlast;

Concreet houdt dit in dat ook in de toekomst geen actief vrijstellingsbeleid ten aanzien van het toestaan van detailhandel op [bedrijventerrein] gevoerd dient te worden."

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het verlenen van vrijstelling aan eiseres een ongewenste precedentwerking zal hebben, nu de kans dat meerdere soortgelijke bedrijven zich alsdan op een industrieterrein willen gaan vestigen niet denkbeeldig is, waardoor het voorzieningenniveau in het kernwinkelgebied ernstig kan worden aangetast.

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het door verweerder aldus gehanteerde - en inmiddels geformaliseerde - beleid ten aanzien van eiseres zodanig onredelijk is dat het in het kader van het onderhavige vrijstellingsverzoek buiten toepassing had moeten blijven. Verweerder heeft ter zake een belangenafweging verricht en heeft genoegzaam onderbouwd dat naar zijn oordeel de situatie van eiseres niet dermate bijzonder is, dat het algemene belang bij het weren van meubeldetailhandel op [bedrijventerrein] zou moeten wijken voor het bedrijfseconomische belang van eiseres. De rechtbank volstaat in dit verband met een verwijzing naar het uitvoerig gemotiveerde bestreden besluit en naar hetgeen verweerder dienaangaande in het verweerschrift en ter zitting naar voren heeft gebracht. Hieraan kan niet afdoen dat een andere - voor eiseres gunstiger - uitkomst van bedoelde belangenafweging alleszins denkbaar ware geweest. Het is evenwel niet de taak van de rechter zijn eigen afweging in de plaats te stellen van die van verweerder.

De rechtbank heeft evenmin tot het oordeel kunnen komen dat de onderhavige weigering om vrijstelling te verlenen in wezen een categorische uitsluiting van iedere vorm van detailhandel op [bedrijventerrein] inhoudt, waardoor de in het bestemmingsplan gegeven vrijstellingsbepaling in feite een dode letter zou zijn. Verweerder heeft in dit verband gemotiveerd aannemelijk gemaakt dat zekere vormen van (volumineuze) detailhandel in voorkomende gevallen ter plaatse kunnen worden toegestaan. Daarbij gaat het dan om bedrijven, waarbij de detailhandelsverkoop zich beperkt tot ter plaatse vervaardigde producten, alsmede om bedrijven die gezien de aard van de verkochte en te leveren goederen niet in het kernwinkelgebied thuis horen, geen grote verkeeraantrekkende werking hebben en de automobiliteit niet onnodig bevorderen. De omstandigheid dat sedert 25 januari 2000 voor het gebied [bedrijventerrein] een voorbereidingsbesluit van kracht is leidt niet tot een ander oordeel, omdat met dat besluit geen wijziging van het beleid op dit punt is beoogd.

De rechtbank is ten slotte niet gebleken dat verweerder ten aanzien van wel op [bedrijventerrein] gevestigde bedrijven, die vergelijkbaar zijn met dat van eiseres, van zijn bevoegdheid tot vrijstelling gebruik heeft gemaakt. Voor zover eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan, kan dit derhalve niet slagen.

Hetgeen voor het overige namens eiseres nog is aangevoerd kan er evenmin toe leiden dat het bestreden besluit de hiervoor omschreven beperkte toetsing niet kan doorstaan. Het beroep is mitsdien ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb (proceskostenveroordeling).

Het vorenstaande leidt tot de slotsom, dat beslist dient te worden als hierna is aangegeven.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. K.F. Hoekstra als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto artikel 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 11 december 2000