Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA9543

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/3736 AWB 00/8980
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdigheid van per fax verzonden bezwaarschrift niet vast te stellen op basis van fax-rapporten van verweerder, nu nummer verzendende fax niet bekend is.

Besluit van 13 oktober 1999 tot gehele weigering van WW-uitkering onder de overweging dat eisers ontslag wegens werkweigering grotendeels aan hem zelf is aan te rekenen. Bezwaarschrift d.d. 22 oktober 2000 is niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Als datum van ontvangst van het bezwaarschrift wordt 21 februari 2000 aangemerkt, aangezien eerder van eiser geen bezwaarschrift is ontvangen.

Naar aanleiding van een door eiser bij zijn aanvullend beroepschrift overgelegde kopie van het verzendrapport van 22 oktober 1999 om 9:52 uur, heeft de Rechtbank eiser verzocht aan te geven van welk faxnummer de fax van 22 oktober 1999 verzonden is, aangezien dit niet blijkt uit de door eiser toegezonden kopie van het verzendrapport.

Eiser heeft hierop niet binnen de gestelde termijn gereageerd, noch na een herinneringsbrief. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende vast is komen te staan dat eiser op 22 oktober 1999 om 9:52 uur zijn bezwaarschrift aan verweerder gefaxt heeft. Eén en ander is via de fax-rapporten van verweerder niet na te gaan nu eiser niet heeft aangegeven vanaf welk nummer hij het bezwaarschrift per fax verzonden heeft.

Bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 00/3736

AWB 00/8980

UITSPRAAK ex artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: Sociaal Fonds Bouwnijverheid te Amsterdam), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Het fictief besluit van verweerder inhoudende een weigering om te beslissen op het door eiser ingediende bezwaarschrift d.d. 22 oktober 1999, en het besluit van 27 maart 2000, inhoudende niet-ontvankelijk verklaring van voornoemd bezwaar wegens termijnoverschrijding.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij besluit van 13 oktober 1999 heeft verweerder besloten eiser met ingang van 14 juni 1999 uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (verder te noemen: de WW) blijvend geheel te weigeren, onder de overweging dat eisers ontslag wegens werkweigering grotendeels aan hem zelf is aan te rekenen. Tevens is overwogen dat eiser in onvoldoende mate tegen het ontslag heeft geprotesteerd.

Bij schrijven van 16 februari 2000, verzonden per fax, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 22 oktober 1999.

Verweerder heeft eiser verzocht een kopie van zijn bezwaarschrift van 22 oktober 1999 in te zenden. Eiser heeft op 18 februari 2000 zijn bezwaarschrift aan verweerder gefaxt.

Op 27 maart 2000 heeft verweerder eisers fax van 16 februari 2000 aan de rechtbank gezonden als zijnde een beroep tegen een fictieve weigering te beslissen op het bezwaarschrift.

Bij het bestreden besluit van 27 maart 2000 heeft verweerder het bezwaar van 22 oktober 1999 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

De rechtbank heeft het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift mede gericht geacht tegen het besluit van 27 maart 2000, waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.

Eiser heeft bij schrijven van 6 augustus 2000 zijn gronden voor het beroep aangevuld.

Op 21 september 2000 heeft de rechtbank eiser een vraag gesteld, welke vraag tot op heden niet door eiser is beantwoord.

3. Motivering

Het beroep d.d. 16 februari 2000 van eiser richt zich blijkens het beroepschrift tegen het met een besluit gelijk te stellen uitblijven van een besluit - artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - op zijn bezwaarschrift van 22 oktober 1999.

Inmiddels is gebleken dat verweerder bij besluit van 27 maart 2000 een beslissing heeft genomen op dat bezwaarschrift van eiser. Daarmee is voldaan aan hetgeen eiser met zijn beroep wenst te bereiken, te weten: een besluit van verweerder op zijn bezwaarschrift. Eiser heeft thans geen procesbelang meer bij behandeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Het beroep is in zoverre niet ontvankelijk.

Voor teruggave van het griffierecht is in dit geval geen aanleiding, nu uit het hiernavolgende slechts kan worden geconcludeerd, dat verweerder op 21 februari 2000 het bezwaarschrift heeft ontvangen. Overschrijding van de beslistermijn en het ten onrechte uitblijven van een besluit is in dezen dus niet komen vast te staan.

Bij besluit d.d. 27 maart 2000 heeft verweerder alsnog beslist op eisers bezwaarschrift d.d. 22 oktober 2000.

Verweerder heeft daarbij het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Verweerder heeft hierbij overwogen dat 21 februari 2000 als datum van ontvangst van het bezwaarschrift wordt aangemerkt, aangezien eerder van eiser geen bezwaarschrift is ontvangen.

Daarnaast heeft eiser volgens verweerder onvoldoende aangetoond dat hij op 22 oktober 1999 een bezwaarschrift heeft ingediend.

Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat hij in het bezit is van een kopie van een fax verzendbewijs van zijn tijdig in oktober 1999 ingezonden bezwaar aan verweerder. Derhalve moet geconcludeerd worden dat het bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn bij verweerder is binnengekomen.

Naar aanleiding van een door eiser bij zijn aanvullend beroepschrift overgelegde kopie van het verzendrapport van 22 oktober 1999 om 9:52 uur, heeft de rechtbank eiser bij schrijven van 21 september 2000 verzocht aan te geven van welk faxnummer eiser de fax van 22 oktober 1999 verzonden heeft, aangezien dit niet blijkt uit de door eiser toegezonden kopie van het verzendrapport.

Eiser heeft niet binnen de gestelde termijn, noch na een herinneringsbrief van 9 oktober 2000, op de brief van de rechtbank gereageerd.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende vast is komen te staan dat eiser op 22 oktober 1999 om 9:52 uur zijn bezwaarschrift aan verweerder gefaxt heeft. Eén en ander is via de fax-rapporten van verweerder niet na te gaan nu eiser niet heeft aangegeven vanaf welk nummer hij het bezwaarschrift per fax verzonden heeft.

Hieruit volgt dat verweerder, naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden tot het besluit heeft kunnen komen het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk te verklaren wegens overschrijding van de in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift.

Eisers beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring is mitsdien kennelijk ongegrond te achten. Voortzetting van het onderzoek is niet nodig. Het onderzoek wordt gesloten.

De rechtbank acht geen termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep tegen de fictieve weigering van verweerder te beslissen op het bezwaarschrift van 22 oktober 1999 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen het besluit van 27 maart 2000 ongegrond.

Gewezen door mw. mr. L.E.C. van Rijckevorsel - Besier en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2000 in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan - van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de rechtbank. Dit verzet dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een verzetschrift bij de rechtbank, sector bestuursrecht, in te dienen. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

afschrift verzonden op