Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA9130

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
Awb 00/1582 t/m Awb 00/1585
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM

Reg.nrs.: Awb 00/1582 (hoofdzaak)

Awb 00/1583 (vovv)

Awb 00/1584 (hoofdzaak)

Awb 00/1585 (vovv)

UITSPRAAK

van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van evengenoemde wet in het geschil tussen:

Vereniging Milieudefensie, gevestigd te Arnhem, verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

I. FEITEN EN PROCESVERLOOP

Bij besluit van 10 februari 2000 heeft verweerder aan de Sector Stadswerken van de gemeente Arnhem op grond van artikel 4.5.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem (verder: de APV) vergunning verleend voor het kappen van elf beuken en drie esdoorns op openbare grond nabij de Schelmseweg te Arnhem.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op 12 februari 2000 een voorlopig bezwaarschrift ingediend bij verweerder, hetwelk bij schrijven van 20 maart 2000 is aangevuld met de gronden.

Bij uitspraak van de president van deze rechtbank van

24 februari 2000 (reg.nrs. Awb 00/159 en Awb 00/282) is het besluit van 10 februari 2000 geschorst, zulks tot een week nadat het besluit op onder meer het bezwaarschrift van verzoekster bekend is gemaakt.

Het bezwaarschrift is op 27 april 2000 behandeld tijdens een hoorziting van de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften. Aldaar heeft verzoekster haar standpunt nader laten toelichten. De commissie heeft op 25 juli 2000 advies uitgebracht.

Bij besluit van 24 augustus 2000 (verder: bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaarschrift, conform het advies van de commissie en onder overneming van de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, ongegrond verklaard. Tevens is daarbij het besluit van 10 februari 2000 gewijzigd, in die zin dat dit besluit nog slechts ziet op acht bomen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op 28 augustus 2000 een voorlopig beroepschrift ingediend bij de rechtbank (geregistreerd onder nummer Awb 00/1582), hetwelk bij schrijven van 8 oktober 2000 is aangevuld met de gronden. Eveneens bij schrijven van 28 augustus 2000 is de president

verzocht een voorlopige voorziening te treffen (geregistreerd onder nummer Awb 00/1583).

Bij besluiten van 22 februari 2000 heeft verweerder aan de Dienst Stadsontwikkeling, Afdeling Verkeer:

- een aanlegvergunning verleend voor de aanleg van een rotonde en een toegangsweg van de rotonde naar het parkeerterrein en voor het kappen van 60 bomen zoals aangegeven op tekening

nr. V7 9906, zulks onder de voorwaarde dat bij de uitvoering van de werkzaamheden eventuele aanwijzingen van de beheerder bossen en natuurgebieden dienen te worden opgevolgd (besluit met kenmerk: SO/ro/2000/143 n);

- een aanlegvergunning verleend voor de aanleg van een linksafvak en voor het kappen van maximaal 20 bomen zoals aangegeven op tekening nr. V2-9503, zulks onder de voorwaarde dat bij de uitvoering van de werkzaamheden eventuele aanwijzingen van de beheerder bossen en natuurgebieden dienen te worden opgevolgd (besluit met kenmerk SO/ro/2000/142 n);

- een aanlegvergunning verleend voor het verbreden van de verharding van de bestaande afrit van de A50, zulks onder de voorwaarde dat bij de uitvoering van de werkzaamheden eventuele aanwijzingen van de beheerder bossen en natuurgebieden opgevolgd dienen te worden (besluit met kenmerk: SO/ro/2000/141 n).

Aan de vergunningen heeft verweerder bij voornoemde besluiten de voorwaarde verbonden dat bij de uitvoering van de werkzaamheden eventuele aanwijzingen van de beheerder bossen en natuurgebieden dienen te worden opgevolgd.

Tegen deze besluiten heeft verzoekster bij schrijven van

31 maart 2000 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Het bezwaarschrift is behandeld tijdens eerdergenoemde hoorzitting van de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften. In voormeld advies van 25 juli 2000 heeft de commissie zich tevens uitgelaten over dit bezwaarschrift.

Bij besluit van 12 augustus 2000 (verder: bestreden besluit II) heeft verweerder, conform het advies van de commissie en onder overneming van de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op 28 augustus 2000 een voorlopig beroepschrift ingediend bij de rechtbank (geregistreerd onder nummer: Awb 00/1584), hetwelk bij schrijven van 9 oktober 2000 is aangevuld met de gronden. Bij schrijven van eveneens 28 augustus 2000 is de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen (geregistreerd onder nummer Awb 00/1585).

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 21 september 2000, waar verzoekster zich heeft

laten vertegenwoordigen door mw. G.H.W.A. Klein Middelink, en waar namens verweerder zijn verschenen mw. mr. M. Veenbergen, mw. mr. M.C.J. Kasteel, mr. A.G.A.M. Meijers en J.A. Temmink, allen werkzaam in dienst van de gemeente Arnhem.

Het onderzoek ter zitting is heropend op 25 september 2000 en de behandeling ter zitting is voortgezet op 2 november 2000. Verzoekster heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door J.M.J. Bauhuis en namens verweerder zijn verschenen

mr. J. Hindriks en mw. mr. M.C.J. Kasteel.

II. MOTIVERING

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de president indien het verzoek, bedoeld in artikel 8:81, wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De president is van oordeel dat laatstbedoelde situatie zich in de onderhavige zaak voordoet.

Ten aanzien van de hoofdzaak

Beoordeeld moet worden of de bestreden besluiten de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan.

De president stelt voorop dat Jongeren Milieu Actief voor het eerst beroep heeft ingesteld tegen de bestreden besluiten in de eerdergenoemde brieven van 8 en 9 oktober 2000. Deze beroepen zijn ter zitting van 2 november 2000 ingetrokken.

Ten aanzien van de kapvergunning (bestreden besluit I)

Bij de beslissing op bezwaar is de kapvergunning gewijzigd in die zin dat deze bij het primaire besluit was verleend voor het kappen van 14 bomen nabij de Schelmseweg te Arnhem in verband met de aanleg van een rotonde ter plaatse en thans nog geldt voor 8 bomen.

De motivering van het bestreden besluit is vervat in het advies van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften (hierna: de commissie) van 15 augustus 2000.

Uit de stukken blijkt dat aan de kapvergunning ten grondslag ligt dat de bomen door de aanleg van een rotonde ter plaatse niet kunnen worden gehandhaafd.

In het primaire besluit heeft verweerder overwogen dat de ingebrachte zienswijzen hoofdzakelijk betrekking hebben op de aanleg van de rotonde en de verkeerssituatie die hierdoor ontstaat. Dit is volgens verweerder niet een belang dat met het kapverbod wordt beoogd.

De commissie heeft onder meer overwogen dat zij uit de overgelegde stukken en hetgeen verweerder ter zake heeft aangevoerd heeft begrepen dat verweerder met de herplant en de compensatie van 140% beoogt te bereiken dat de landschapsvisie voor de Schelmseweg wordt gerealiseerd. In deze visie staat voorop het behouden en versterken van de landgoederenweg, het diverse groene karakter van de weg behouden, een verdichting van de laan- en bosstructuur waar mogelijk, vergroening van de erfafscheidingen, vereenvoudiging van de inrichting en eenheid in de toepassing van straatmeubilair. De commissie ziet in de door bezwaarden aangedragen argumenten geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid kan menen dat de in de bestreden vergunningen opgenomen herplant van bomen een voldoende compensatie vormt.

Namens verzoekster is, zakelijk samengevat, het volgende naar voren gebracht.

In het advies van de commissie is nauwelijks inhoudelijk ingegaan op een zevental in het verzoekschrift nader omschreven punten, waardoor er sprake is van een motiveringsgebrek.

Voorts twijfelt verzoekster aan de onafhankelijkheid van de commissie, gelet op de zinsnede "het heroverwegingsbesluit zal in die zin worden aangepast".

Verzoekster is voorts van mening dat het onjuist is dat de gemeente alvast begonnen is met de voorbereidingen voor een rotonde hoewel noch het nieuwe Structuurplan noch het bestemmingsplan Buitengebied Arnhem Noord is vastgesteld.

Ook is van de zijde van verzoekster gesteld dat de belangen niet werkelijk zijn afgewogen voor wat betreft de rotonde.

Ten slotte is betoogd dat in de publicatie van de kapvergunning een verwijzing had moeten staan naar het ministerie van LNV, met een contactadres, zulks gelet op de inhoud van een brief van de gemeente in het kader van een melding op grond van de Boswet.

De president overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 4.5.2 eerste lid van de Algemene Politieverordening van de gemeente Arnhem (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.

Artikel 4.5.5. eerste lid bepaalt dat tot de aan de vergunning

te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant.

Vast staat dat voor de in geding zijnde 8 bomen de uitzonderingen op eerdergenoemd verbod, zoals vervat in het tweede lid van artikel 4.5.2, niet van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 4.5.5 kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van de handhaving van de natuurlijke, landschappelijke en/of recreatieve waarden, van dorps- en stadsschoon of om andere redenen van milieubeheer.

Artikel 4.5.10 derde lid bepaalt dat een kapvergunning kan worden geweigerd op de enkele grond dat de bouw- of aanlegplannen nog niet definitief zijn.

De president overweegt in de eerste plaats dat er een definitief besluit is genomen m.b.t. de aanleg van de rotonde, zodat laatstbedoelde weigeringsgrond niet van toepassing is. Ter verduidelijking merkt de president op dat bedoeld voorschrift niet de eis stelt dat de plannen rechtens onaantastbaar zijn geworden.

De president acht het aannemelijk dat de 8 bomen, mede gezien hun leeftijd, bijdragen aan de natuurlijke en landschapswaarden ter plaatse en dat door het kappen daarvan die waarden tijdelijk worden aangetast.

Gelet evenwel op het advies van het Cluster Groen en Ecologie van de gemeente Arnhem van 25 januari 2000 is de president van oordeel dat uit een opgesteld groenplan, waarbij is voorzien in herplant en herstel van de bosrand, bedoelde waarden op termijn kunnen worden hersteld.

Bovendien is van betekenis het belang van de gemeente Arnhem als aanvrager van de vergunning, welk belang hieruit bestaat dat de kapvergunning is aangevraagd met het achterliggende doel ter plaatse een rotonde aan te leggen.

Mede gelet op de inhoud van het verweerschrift van verweerder van 17 april 2000, welk stuk ook door de commissie in de afweging is meegenomen, is de rechtbank van oordeel dat de keuze voor een minirotonde bij het Nederlands Openlucht Museum op verkeerskundige gronden deugdelijk is onderbouwd en de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet overschrijdt. De rechter dient hier marginaal te toetsen. Een zeer indringende toets, welke verzoekster kennelijk voorstaat, zou in feite neerkomen op een bestuurlijke afweging door de rechter.

Gezien het vorenstaande is de president van oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in beginsel in redelijkheid de gevraagde kapvergunning heeft kunnen verlenen.

Evenwel kan die vergunning toch niet in stand blijven in verband met de herplantplicht.

De vergunning is verleend onder de voorwaarde dat na voltooiing van het project in de nabije omgeving bomen worden herplant, conform de (concept) landschapsvisie.

De president acht dat in strijd met de rechszekerheid, omdat het hier gaat om een concept en bovendien niet is vastgelegd hoeveel bomen er moeten herplant (en waar) in verband met de kap van de 8 bomen.

Overigens wil de president hier niet onvermeld laten, wellicht ter voorkoming van verdere procedures, dat een herplantverplichting uitgaande van een volledige compensatie met een kwaliteitstoeslag van 40%, zulks naar analogie van de Compensatierichtlijn in het kader van de Boswet, de rechterlijke toets kan doorstaan.

Gezien het vorenstaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

De president zal vervolgens nagaan of de grieven van verzoekster doel treffen.

De president deelt niet het standpunt van verzoekster dat het advies van de commissie onvoldoende is gemotiveerd. Weliswaar is de commissie niet op alle punten van het bezwaarschrift afzonderlijk ingegaan, maar dat laat onverlet dat het meer algemene betoog van de commissie naar het oordeel van de president op zichzelf voldoende draagkrachtig is. Bovendien moet worden vastgesteld dat de commissie ook verwijst naar de overgelegde stukken; in dat verband moet worden vastgesteld dat verweerder in het verweerschrift van 17 april 2000 een uitgebreide reactie heeft gegeven op de ingediende bezwaren.

Voorts kan uit de overweging "het heroverwegingsbesluit zal in die zin worden aangepast" geenszins worden afgeleid dat de commissie niet onafhankelijk zou zijn. Die zinsnede is opgenomen omdat de vertegenwoordiger van verweerder op de hoorzitting zulks heeft medegedeeld.

Voorts is er geen wettelijk voorschrift dat verweerder ertoe zou dwingen om de rotonde eerst aan te leggen nadat het bestemmingsplan en/of structuurplan is vastgesteld. In dit geval is de aanlegvergunning verleend op basis van een voorbereidingsbesluit, hetgeen in beginsel toelaatbaar is.

Voorts heeft de commissie geoordeeld dat de belangen van milieu en landschap voldoende zijn meegewogen. Dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden kan de president dan ook niet onderschrijven.

Verder wordt overwogen dat niet van belang is of in de publicatie van de kapvergunning een verwijzing naar het ministerie van LNV had moeten worden opgenomen. Immers, thans ligt uitsluitend de kapvergunning voor en niet een melding ingevolge de Boswet, wat daar verder ook van zij.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit uitsluitend moet worden vernietigd op grond van de wijze waarop de herplantplicht is vastgelegd.

Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling, aangezien niet is gebleken van op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

Ten aanzien van de aanlegvergunningen (bestreden besluit II)

Uit de stukken blijkt dat verzoekster, zakelijk samengevat, tegen het bestreden besluit en de gevolgde procedure de volgende bezwaren heeft.

In de eerste plaats is betoogd dat de aanlegvergunningen voorbarig zijn verleend omdat het structuurplan nog niet was vastgesteld, het bestemmingsplan Buitengebied Arnhem-Noord een voorontwerp betreft en de lange termijnvisie voor de Schelmseweg nog een concept betreft.

Voorts acht verzoekster het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

Ook is betwijfeld of er sprake was van een zodanige mate van onveiligheid op de kruising dat dit een grond zou kunnen zijn voor de aanleg van een rotonde waarbij het milieubelang onherroepelijk wordt geschaad.

Verzoekster is tevens de mening toegedaan dat het niet haar taak is om verkeerskundige alternatieven uit te werken, maar die van de gemeente.

Verzoekster heeft ook nog aangevoerd dat het volledige milieubelang niet goed is afgewogen.

De president overweegt als volgt

De aanlegvergunningen vinden hun juridische grondslag in het door de gemeenteraad van Arnhem op 7 februari 2000 genomen, en op 22 februari 2000 in werking getreden, voorbereidingsbesluit.

Daarbij is het bestemmingsplan in voorbereiding verklaard voor het buitengebied "Arnhem-Noord".

Blijkens het voorstel van het college van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad van 4 januari 2000 is één van de inhoudelijke redenen om het geldende bestemmingsplan te actualiseren als volgt omschreven:

"In 1998 heeft de gemeente Arnhem in de visie "Arnhem 2015" een nieuwe hoofdrichting voor het noordelijk buitengebied bepaald.

In plaats van het voorheen geldende passieve conserverende beleid wil Arnhem haar unieke kwaliteiten maximaal benutten; zij kiest voor een intensivering van haar ecologische potenties (ontwikkeling van corridors en een evenwichtige ontplooiing van de mogelijkheden op economisch gebied). In het buitengebied betekent het laatste met name "doorgroei" van de befaamde "trekkers" als Nederlands Openlucht Museum, Burgers' Zoo en Papendal."

Onder punt II eerste lid sub c en d van het voorbereidingsbesluit is bepaald dat het binnen het gebied waarvoor dit besluit geldt verboden is zonder aanlegvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

c. vellen, rooien of beschadigen van houtopstanden;

d. verbreden of aanleggen van verhardingen, opslagplaatsen en stortplaatsen.

Onder punt II derde lid is bepaald dat uitvoering van werken en werkzaamheden niet aanvaardbaar is indien daardoor danwel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de natuurwetenschappelijke en of landschappelijke waarden van dit gebied worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden worden of kunnen worden verkleind.

Naar het oordeel van de president kan, gelet op het positieve advies van het Cluster Groen en Ecologie van 25 januari 2000, niet worden staande gehouden dat de uitvoering van de in geding zijnde werken en werkzaamheden niet aanvaardbaar is.

Uit dit advies blijkt dat de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden ter plaatse zijn onderzocht en dat de werken zijn ingepast in de landschapsvisie voor behoud en versterking van de laanstructuur van de Schelmseweg (inclusief groenplan).

Weliswaar is de landschapsvisie nog een concept, maar dat neemt niet weg dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat herplant van de te kappen bomen zal plaatsvinden langs de Schelmseweg, met name gelet op eerdergenoemd advies.

Anders dan bij de kapvergunning waarbij de herplantplicht als voorwaarde aan die vergunning is verbonden is het in het kader van de aanlegvergunningen voldoende indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat herplant zal plaatsvinden conform de landschapsvisie.

Uit de vaststeling dat de ondergrens van "niet aanvaardbaar" niet wordt overschreden volgt nog niet dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen de aanlegvergunningen in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

In dat verband overweegt de president het volgende.

Blijkens de primaire besluiten ligt aan verweerders besluitvorming het volgende ten grondslag.

Het gemeentelijk beleid is erop gericht de verdere ontwikkeling van de aan de Schelmseweg gelegen attractieparken Burgers' Zoo en Nederlands Openlucht Museum mogelijk te maken.

Door de opening van nieuwe attracties zal het aantal bezoekers verder toenemen.

Deze bezoekersstroom heeft congestie op de Schelmseweg, de Apeldoornseweg en de A12 tot gevolg. Zonder verkeersmaatregelen kan de bezoekersstroom niet op een veilige en adequate wijze worden afgewikkeld en komt de bereikbaarheid van de aanliggende wijken in het geding.

Gezien het vorenstaande acht verweerder de werken noodzakelijk gelet op het toeristisch, economisch en verkeerskundig belang.

De Commissie heeft haar advies mede doen steunen op hetgeen door verweerder in de bezwaarprocedure naar voren is gebracht.

Om die reden kent ook de president gewicht toe aan het verweerschrift in de bezwaarprocedure van 17 april 2000.

Uit dat stuk blijkt dat er in de huidige situatie al sprake is van ernstige filevorming op de Schelmseweg, de Apeldoornseweg en soms zelfs op de A12.

Andere knelpunten zijn:

- een op piekmomenten groot tekort aan parkeerplaatsen bij burgers' Zoo en het NOM;

- onveilige verkeersituaties bij met name het NOM;

- een slechte bereikbaarheid van het NOM voor langzaam verkeer en het openbaar vervoer;

- overlast in de omliggende wijken (parkeren, sluipverkeer en slechte bereikbaarheid).

Wat betreft het verlengen van het linksafvak bij Burgers' Zoo heeft verweerder uiteengezet dat zulks een snelle verkeersafwikkeling moet bevorderen.

Met de aanleg van de minirotonde wordt beoogd: de afwikkeling van het verkeer (heen en terug) zal sterk verbeteren; de ingang van het NOM is beter herkenbaar; het kruispunt Schelmselaan/Hoeferlaan wordt veiliger; er komt een aansluiting op het vrijliggende fietspadennetwerk; fietsers en voetgangers kunnen beter en veiliger oversteken; er is minder overlast voor omliggende wijken; het NOM is beter bereikbaar voor het openbaar vervoer.

Ten slotte zal met de afrit Apeldoornseweg de afwikkeling van het verkeer aanmerkelijk worden verbeterd waarmee ook de verkeersveiligheid verhoogd zal worden.

Verweerder heeft voorts uiteengezet dat het thans gaat om maatregelen op de korte termijn. Voor de langere termijn wordt gewerkt aan een structurele, duurzame oplossing om de bereikbaarheids-, verkeersveiligheids- en leefbaarheidsproblemen in relatie tot Burgers' Zoo en het NOM op te lossen, waarbij met name gedacht wordt aan de realisatie van een Transferium.

De president is van oordeel dat uit het vorenstaande blijkt dat er zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de verkeerssituatie op en nabij de Schelmseweg en dat er grote belangen mee zijn gemoeid om de geconstateerde knelpunten op korte termijn op te lossen.

De gemaakte keuzes, uitmondend in de thans aan de orde zijnde werken en werkzaamheden, gaan de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

Dat de aanlegvergunningen voorbarig zijn verleend ziet de president niet in.

Het is eigen aan een aanlegvergunningenstelsel in een voorbereidingsbesluit dat vooruit kan worden gelopen op een toekomstige planologische ontwikkeling. Aangezien verweerder heeft uiteengezet dat de werken en werkzaamheden passen in het voorontwerp bestemmingsplan buitengebied Arnhem-Noord - dat weer mede steunt op de Visie Arnhem 2015 en de landschapsvisie Schelmseweg - faalt deze grief.

Evenmin wordt onderschreven de stelling dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.

Het advies van de Commissie is, mede gezien het eerdergenoemde verweerschrift van 17 april 2000, voldoende gemotiveerd.

Voorts heeft verweerder in het verweerschrift van 17 april 2000 uitgebreid gemotiveerd waarom de keuze op een rotonde is gevallen, waarbij aandacht is geschonken aan de verkeersveiligheid en de ontwerpuitgangspunten. Gelet hierop is sprake van een legitieme bestuurlijke keuze voor een rotonde.

Voor zover eiseres met een alternatief voorstel voor een rotonde is gekomen, is dat door verweerder gemotiveerd afgewezen, omdat het twijfelachtig is of dat alternatief werkt (handhaving noodzakelijk) en het alleen voor de afwikkeling van het autoverkeer een (mogelijke) oplossing is.

Aldus is op voldoende zorgvuldige wijze een ingebracht alternatief beoordeeld.

De president ziet niet in dat het de taak van verweerder zou zijn om bedoeld alternatief verder uit te werken, nu daartegen reeds overwegende bezwaren bestonden.

De stelling dat het milieubelang niet goed is afgewogen kan evenmin worden onderschreven. Dat belang is getoetst in het kader van punt II derde lid van het voorbereidingsbesluit.

Gezien al het vorenstaande kan naar het oordeel van de president niet worden staande gehouden dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid de aanlegvergunningen heeft kunnen verlenen.

Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt is het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening

Gegeven de hierna weer te geven beslissingen in de hoofdzaak, bestaat er in dit geval geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

In verband daarmee acht de president termen aanwezig om het door verzoekster met betrekking tot de verzoeken om voorlopige voorziening gestorte griffierecht ten bedrage van in totaal fl. 900,= aan haar te restitueren.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De president,

Ten aanzien van de hoofdzaak

Ten aanzien van bestreden besluit I:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 24 augustus 2000 en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- gelast voorts dat de gemeente Arnhem aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ad fl. 450,= vergoedt.

Ten aanzien van bestreden besluit II:

verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening

- wijst de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af;

- bepaalt dat de griffier het door verzoekster betaalde griffierecht ad in totaal fl. 900,= aan haar restitueert.

Aldus gewezen door mr. J.J. Penning, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. K.A.M. van Hoof als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2000 in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.