Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA9126

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
2000/633
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis d.d. 15 december 2000

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van:

De rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Vereniging van Eigenaars flatgebouw A,

gevestigd te Ede,

eiseres bij dagvaarding van 13 oktober 2000,

procureur: mr. N.L.J.M. Rijssenbeek te Arnhem,

Rolnummer 2000/633 tegen

X,

Y,

beide wonenden te Ede,

gedaagden,

procureur: mr. T.J. van Veen te Ede.

Procesverloop

Eiseres, hierna te noemen de Vereniging, heeft gedaagden, hierna te noemen X c.s., ter terechtzitting van 7 november 2000 in kort geding doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. X c.s. hebben geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De raadslieden hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities en de daarbij behorende produkties. Partijen zijn -op voorstel van de president en na een korte onderbreking van de behandeling ter zitting voor onderling overleg- overeengekomen dat zij ten aanzien van hun geschilpunten zullen trachten in het kader van een mediationprocedure tot overeenstemming te komen. Op 4 december 2000 heeft de procureur van de Vereniging de rechtbank bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en verzocht vonnis te wijzen in dit kort geding.

Vaststaande feiten

Bij notariële akte van 9 mei 1989 is de Vereniging opgericht. Bij genoemde akte is tevens haar splitsingsreglement (hierna: het Reglement) vastgesteld.

X c.s. hebben bij notariële akte van 31 mei 2000 geleverd gekregen het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning c.a. plaatselijk bekend Z te Ede.

Op de voet van artikel 5:125, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn X c.s. van rechtswege lid van de Vereniging en zijn zij gehouden tot naleving van het Reglement.

Artikel 20 , lid 3, van het Reglement luidt als volgt:

“Het is de eigenaar en gebruiker, die recht heeft op het gebruik van een privégedeelte, verboden de vloeren van de betreffende privé-gedeeltes te voorzien van parket en/of tegels en/of andere harde vloerafwerking tenzij een en ander ter vervanging dient van de bij de eerste oplevering aanwezige voorzieningen.”

Bij circulaire van 25 februari 1997 heeft de Vereniging -voor zover van belang- nogmaals onder de aandacht gebracht dat ter beperking van onder meer hinderlijke loopgeluiden zogenaamde harde vloerbedekking (bijvoorbeeld tegels, parket, linoleum c.a. en kurkvloeren) niet zijn toegestaan.

Door X c.s. is in juni 2000 in hun appartement een Wicanders Wood-o-Floor vloer (hierna: Wicandersvloer) met een dikte van 9 mm aangebracht. Daaronder is een ondervloer gelegd van het merk en het type Ipofelt 2000. De Wicandersvloer bestaat uit 4 mm kurk, ruim 4.5 mm MDF en een toplaagje van 0.4 mm (zacht) hout.

Bij brief van 26 juni 2000 heeft de Vereniging aan X c.s. een waarschuwing gegeven als bedoeld in artikel 28, lid 1, van het Reglement. Voorts is verzocht het aangebrachte parket te doen verwijderen, bij gebreke waarvan alle ten dienste staande middelen zullen worden aangewend om tot de afvoering van het parket te geraken.

Bij brief van 17 juli 2000 hebben de onderburen van X c.s., de heer en mevrouw B, hierna te noemen B c.s., X c.s. verzocht rekening met hen te houden en dat zij drie weken overlast ondervinden van loop- en andere stommelgeluiden.

Op 25 juli 2000 hebben B c.s. verklaard dat zij veel hinder ondervinden van X c.s. in de vorm van loop- en stommelgeluiden, vooral in de vroege ochtend en in de nachtelijke uren.

De Vereniging heeft op haar vergadering van 31 juli 2000 besloten haar bestuur op te dragen, onder verlening van de daartoe krachtens artikel 40, lid 4, van het Reglement vereiste machtiging, in rechte met bijstand van een advocaat verwijdering op zo kort mogelijke termijn te vorderen van de vloerbedekking die X c.s. in hun appartement hebben laten leggen.

Bij brief van 30 augustus 2000 heeft de raadsman van de Vereniging X c.s. nogmaals gesommeerd de harde vloerbedekking te verwijderen. X c.s. hebben tot op heden geen gevolg gegeven aan dit verzoek.

Op 23 oktober 2000 heeft de raadsman van X c.s. een verzoekschrift tot bevel van een voorlopig deskundigenonderzoek ex artikel 227 RV bij de rechtbank te Arnhem ingediend.

Op 6 november 2000 heeft de raadsman van X c.s. een verzoekschrift bij de Kantonrechter te Wageningen ingediend, strekkende tot vernietiging en schorsing ex artikel 5:130 BW van het op 31 juli 2000 door de Vereniging genomen besluit, zoals weergegeven onder overweging 2.10.

3 Het geschil

3.1 De Vereniging vordert X c.s. te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, de door hen in het appartement aan de Z te Ede gelegde harde (Wicander) vloerbedekking te verwijderen en verwijderd te houden, althans afdoende maatregelen te treffen zodanig, dat aan de bepalingen van het splitsingsreglement zal zijn voldaan en de door hen veroorzaakte contact- en geluidsoverlast achterwege zal blijven, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van X c.s. in de kosten van deze procedure. Aan deze vordering heeft de Vereniging ten grondslag gelegd dat X c.s. een zogenaamde harde vloerbedekking in hun woning hebben laten leggen en daarmee het bepaalde in artikel 20, lid 3, van het Reglement hebben overtreden. De onderburen van X c.s. ondervinden daadwerkelijk overlast in de vorm van loop- en stommelgeluiden als gevolg van de door X c.s. gelegde harde vloer, aldus de Vereniging. De Vereniging acht handhaving van artikel 20, lid 3, van het Reglement uiterst belangrijk en voorts wenst zij niet dat kopers van twee appartementsrechten die binnenkort te koop zullen worden aangeboden, zich op een gedoogsituatie met betrekking tot X c.s. kunnen beroepen.

3.2 X c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

4 De beoordeling van het geschil

4.1 Partijen verschillen van mening over de vraag of de door X c.s. gelegde Wicandersvloer moet worden aangemerkt als een harde vloerafwerking in de zin van artikel 20, lid 3, van het Reglement. X c.s. betwisten dit.

Uit de gedingstukken blijkt dat zowel het bedrijf C te Ede als het D te Rotterdam respectievelijk op 25 juli 2000 en 28 juli 2000 hebben verklaard dat een Wicandersvloer tot de categorie (akoestisch) harde vloerbedekking of afwerking dient te worden gerekend.

Gelet op deze verklaringen kan voorshands worden aangenomen dat de door X c.s. gelegde Wicander-o-Floor vloer als een harde vloerafwerking in de zin van het Reglement kan worden aangemerkt.

Het feit dat voornoemd bedrijf C bij brief van 6 november 2000 zijn ongenoegen kenbaar heeft gemaakt omtrent de omstandigheden waaronder de informatie over een Wicandersvloer is opgevraagd, kan aan vorenstaand oordeel niet afdoen. In voornoemde brief wordt immers de eerder afgegeven verklaring dat een Wicandersvloer als een harde vloerbedekking moet worden aangemerkt, niet ingetrokken.

4.2 Nu voorshands ervan uitgegaan kan worden dat X c.s. een harde vloerafwerking in hun appartement hebben aangebracht, moet worden geconcludeerd dat zij daarmee in beginsel hebben gehandeld in strijd met artikel 20, lid 3, van het Reglement.

Vaststaat dat X c.s. geen toestemming van het bestuur van de Vereniging hebben gekregen om in hun appartement een Wicandersvloer te leggen en dat het bestuur niet voornemens is die toestemming alsnog te verlenen.

4.3 Het enkele handelen in strijd met artikel 20, lid 3, van het Reglement betekent nog niet dat de vordering toewijsbaar is. Dat is pas het geval indien komt vast te staan, zoals X c.s. terecht aanvoeren, dat de door de Vereniging beweerdelijke geluidsoverlast als gevolg van het leggen van een Wicandersvloer door X c.s. als onredelijk hinderlijk moet worden aangemerkt. Daaromtrent wordt het volgende overwogen.

4.4 De Vereniging stelt dat de door X c.s. gelegde vloer in het bijzonder hinder veroorzaakt bij B c.s., de onderburen van X c.s.. Ter ondersteuning van deze stelling is een brief c.q. verklaring van B c.s. van respectievelijk 17 juli 2000 en 25 juli 2000 overgelegd waaruit blijkt dat B c.s. hinder ondervinden in de vorm van loop- en stommelgeluiden.

Andere stukken waaruit de geluidsoverlast blijkt zijn niet door de Vereniging overgelegd.

Zo heeft de Vereniging bijvoorbeeld geen rapport overgelegd, waaruit blijkt dat er een (akoestisch) onderzoek inzake de contactgeluidisolatie tussen de appartementen van X c.s. en B c.s. is uitgevoerd en waaruit de conclusie kan worden getrokken dat een vloer als de onderhavige voor onaanvaardbare geluidsoverlast zorgt.

Voorts blijkt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting dat uitsluitend B c.s. klachten omtrent geluidshinder als gevolg van de door X c.s. gelegde vloer hebben geuit. Van klachten van anderen is niet gesteld of gebleken.

Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden is voorshands onvoldoende aangetoond dat de (beweerdelijke) geluidsoverlast zodanig onredelijk hinderlijk is, dat de verwijdering van deze vloer daardoor gerechtvaardigd zou zijn. Daarvoor dient de bodemprocedure.

Reeds om deze reden liggen de vorderingen niet voor toewijzing gereed.

Daarbij is mede in aanmerking genomen dat in hetzelfde appartementencomplex in een woning parket is gelegd en dat het bestuur van de Vereniging hiervan op de hoogte is en het gedoogt. Of dat daadwerkelijk zo is, kan in de bodemprocedure aan de orde komen.

4.5 Een belangenafweging kan aan vorenstaand oordeel niet afdoen.

In verband daarmee wordt overwogen dat het belang van de Vereniging bij verwijdering van de onderhavige vloer - te weten strikte handhaving van het Reglement en het voorkomen dat er een gedoogsituatie ten aanzien van X c.s. ontstaat waarop eventuele kopers van een appartement in het onderhavige complex een beroep kunnen doen- niet van zodanige zwaarwegende betekenis wordt geacht, dat een toewijzing van de gevorderde voorzieningen, die een ingrijpend en onherroepelijk karakter hebben, gerechtvaardigd zou zijn. De beweerdelijk ondervonden geluidshinder is niet van dien aard dat een bodemprocedure (volgens het versneld regime) met betrekking tot de ernst van de hinder niet kan worden afgewacht.

4.6 Het verweer van X c.s. dat het bestuur van de Vereniging niet bevoegd is tot het instellen van dit kort geding kan in het licht van het vorenoverwogene onbesproken blijven. Bovendien is het aan de Kantonrechter om hierover een oordeel uit te spreken.

4.7 Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Vereniging in de proceskosten worden verwezen.

5 De beslissing

De president,

5.1 weigert de gevorderde voorzieningen;

5.2 veroordeelt de Vereniging in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van X c.s. begroot op f. 1.550,--- voor salaris procureur en op f. 400,-- wegens griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door de vice-president mr. J.A.Z. Hooft Graafland en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2000 in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.I.A. Hensen.