Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA8819

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2000
Datum publicatie
28-01-2002
Zaaknummer
Awb 00/2052
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een videotheek kan worden gebracht onder het in het bestemmingsplan vermelde begrip "detailhandel".

Weigering binnenplanse vrijstelling voor vestiging van videotheek. Bestemming "handel en industrie"".

Ingevolge art. 4 aanhef van de planvoorschriften wordt onder handel geen detailhandel verstaan.

Art. 4.1 verwijst naar een viertal bijlagen waarin staat vermeld voor welke bedrijven de als "handel en industrie" bestemde gronden en opstallen uitsluitend mogen worden gebruikt.

In art. 4.4 wordt een uitzondering toegestaan voor detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteiten van nijverheid en industrie in ter plaatse vervaardigde, bewerkte en/of verwerkte goederen.

Art. 4.6 bepaalt dat voor een bedrijf dat niet op de lijsten als bedoeld in art. 4.1 is vermeld, vrijstelling kan worden verleend, mits daardoor de functie van het industriegebied niet wordt belemmerd en mits daardoor geen gevolgen dan wel uitsluitend gunstige gevolgen voor de functie van het omringende woongebied ontstaan.

President: een videotheek kan worden gebracht onder het in het bestemmingsplan vermelde begrip "detailhandel". Bij het exploiteren van een videotheek is weliswaar naar de letter geen sprake van het ten verkoop aanbieden van goederen, doch bestaat er in planologisch opzicht geen verschil met de uitoefening van detailhandel. Art. 4.4 is i.c. echter niet van toepassing. Gelet op tekst en strekking van art. 4.6 planvoorschriften heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren de onderhavige videotheek als bedrijf te doen opnemen in genoemde bijlage. De ruimtelijke uitstraling van een videotheek, alsmede de publieksaantrekkende werking hiervan, onderscheidt zich zodanig van een bedrijf of groothandel dat in redelijkheid kan worden geoordeeld dat door de vestiging van een videotheek de functie van industriegebied wordt belemmerd.

Wijst het verzoek af.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar, verweerder.

mr. F.H. de Vries (president)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM

Reg.nr.: Awb 00/2052

UITSPRAAK

van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geschil tussen:

VERZOEKER wonende te Zevenaar, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar, verweerder.

I. FEITEN EN PROCESVERLOOP

Bij brief van 27 september 2000 heeft verweerder afwijzend gereageerd op het verzoek van verzoeker om een videotheek te vestigen op het perceel Hengelder 28 in Zevenaar. Verweerder heeft daarbij aangegeven wel medewerking te willen verlenen aan de vestiging van de overige ondernemingen van verzoeker op voornoemd perceel.

Tegen dit besluit is namens verzoeker bij brief van 13 oktober 2000 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 3 november 2000, heeft verweerder op de daarin vermelde gronden meegedeeld dat de vestiging van een videotheek op een bedrijventerrein niet mogelijk is en dat geen vrijstelling van de bestemmingsplanvoorschriften zal worden verleend.

Tegen dit besluit is namens verzoeker bij brief van 3 november 2000 beroep ingesteld.

Bij brief van gelijke datum is tevens de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 16 november 2000, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Kastein, advocaat te Arnhem, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Th. M. de Jong, ambtenaar van de gemeente, en mr. J. Steenhuis, juridisch adviseur te Doetinchem.

II. MOTIVERING

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De president zal zich allereerst uitlaten over de ontvanke-lijkheid van het verzoek, zulks gezien verweerders standpunt dat geen sprake is van een door hem genomen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder in de brief van 27 september 2000 verzoeker heeft meegedeeld dat de vestiging van een videotheek niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan en dat aan de gemeenteraad van Zevenaar geen voorstel tot wijziging van het bestemmingsplan zal worden gedaan.

In de brief van 3 november 2000 heeft verweerder verzoeker eveneens meegedeeld dat de videotheek ter plaatse niet is toegestaan, waaraan is toegevoegd dat vrijstelling op grond van de bestemmingsplanbepalingen niet tot de mogelijkheden behoort.

Het bezwaar van verzoeker is gericht tegen de uitleg van het bestemmingsplan door verweerder. In dat licht bezien dient de brief van verweerder van 3 november 2000 te worden opgevat als een weigering om vrijstelling te verlenen en dientengevolge als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Verweerders brief van 3 november 2000 moet daarbij worden beschouwd als het primaire besluit, zodat artikel 8:1 juncto 7:1 van de Awb van toepassing is. De door verzoeker als beroepschrift ingezonden brief van 3 november 2000 wordt door de president opgevat als een bezwaarschrift waarop door verweerder nog een besluit dient te worden genomen.

Vaststaat dat verzoeker meerdere ondernemingen, waaronder een videotheek, verspreid gevestigd heeft in huurpanden. Verzoeker heeft verweerder verzocht of vestiging van zijn bedrijven op het perceel X te Zevenaar mogelijk is binnen het vigerende bestemmingsplan, althans om medewerking te verlenen aan vestiging ter plaatse. De huurovereenkomst voor de videotheek gevestigd aan de Y te Zevenaar loopt op 18 november 2000 af.

Op het perceel Z rust krachtens het bestemmingsplan "Industrieterrein Hengelder" (verder: het bestemmingsplan) de bestemming "handel en industrie". Ingevolge artikel 4 aanhef van de planvoorschriften wordt onder handel geen detailhandel verstaan. Artikel 4, eerste lid, verwijst naar een viertal bijlagen waarin staat vermeld voor welke bedrijven de als "handel en industrie" bestemde gronden en opstallen uitsluitend mogen worden gebruikt.

In artikel 4, vierde lid, wordt een uitzondering gemaakt voor detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van nijverheid en industrie in ter plaatse vervaardigde, bewerkte en/of verwerkte goederen.

Artikel 4, zesde lid, bepaalt dat voor een bedrijf dat niet op de lijsten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, is vermeld, vrijstelling kan worden verleend, mits daardoor de functie van het industriegebied niet wordt belemmerd en mits daardoor geen gevolgen dan wel uitsluitend gunstige gevolgen voor de functie van het omringende woongebied ontstaan.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een videotheek valt onder de baliefuncties van publieksverzorgende voorzieningen. Veel-publiek-aantrekkende functies horen op een industrieterrein niet thuis, aldus verweerder. Verweerder is van mening dat een industieterrein in zijn algemeenheid niet voor een dergelijke vestiging in aanmerking dient te komen. Verweerder stelt de ruimtelijke effecten van een videotheek op één lijn met detailhandel. Vrijstelling op grond van het bestemmingsplan komt volgens verweerder niet in aanmerking aangezien deze alleen voor de hand ligt voor bedrijven die ter plaatse producten vervaardigen, verwerken of bewerken.

Verzoeker stelt zich - met verwijzing naar enige jurisprudentie - op het standpunt dat een videotheek geen detailhandel vormt. Subsidiair stelt verzoeker dat zelfs indien het verhuren van videobanden moet worden aangemerkt als detailhandel, het bestemmingsplan die activiteit niet uitsluit. Krachtens artikel 4, vierde lid, van de plan-voorschriften, is detailhandel immers toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit. Daarvan is hier sprake, aldus verzoeker. Uiterst subsidiair stelt verzoeker dat verweerder in redelijkheid niet kan weigeren om vrijstelling te verlenen krachtens artikel 4, zesde lid, van het bestemmingsplan. Tot slot doet verzoeker een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

De president overweegt hieromtrent als volgt.

De vraag is aan de orde of een videotheek kan worden gebracht onder het in het bestemmingsplan vermelde begrip "detailhandel". Daarbij sluit de president voorshands aan bij de door verweerder gereleveerde uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 15 juli 1987 (Gemeentestem 6852, 10). De president is voorshands van oordeel dat bij het exploiteren van een videotheek weliswaar naar de letter geen sprake is van het ten verkoop aanbieden van goederen, doch dat er in planologisch opzicht geen verschil bestaat met de uitoefening van detailhandel.

De president ziet in dit verband onvoldoende aanleiding aan te sluiten bij de door verzoeker aangedragen uitspraak van 21 november 1997 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Gemeentestem 7081,7) aangezien in deze uitspraak centraal stond of een videotheek met vertoning van films strijdig was met de bestemming "winkels", terwijl het in casu gaat om de vraag of een videotheek kan vallen onder de bestemming "detailhandel".

De uitzonderingsbepaling van artikel 4, vierde lid, van het bestemmingsplan is naar het voorlopig oordeel van de president niet van toepassing, daar het in het onderhavige geval niet gaat om een ondergeschikte nevenactiviteit van nijverheid en

industrie in ter plaatse vervaardigde, bewerkte en/of verwerkte goederen. Het namens verzoeker gestelde dat de videobanden nog van stickers worden voorzien, kan naar het oordeel van de president niet onder deze omschrijving worden gebracht.

Rest de vraag of verweerder naar voorlopig oordeel van de president in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken van zijn vrijstellingsbevoegdheid in het zesde lid van artikel 4 van het bestemmingsplan.

De president stelt in dit verband voorop dat genoemde vrijstellingsbevoegdheid niet (rechtstreeks) ziet op de mogelijkheid tot vestiging van detailhandel, maar op de vestiging van bedrijven die niet voorkomen op de in artikel 4, eerste lid, van het bestemmingsplan bedoelde bijlage.

Naar ter zitting is gebleken heeft verzoeker met zijn verzoek om vrijstelling kennelijk beoogd de onderhavige videotheek als bedrijf te doen opnemen in genoemde bijlage, waarna zonodig met toepassing van het vierde lid de gewraakte detailhandelsactiviteiten zouden kunnen worden uitgeoefend.

Naar voorlopig oordeel van de president heeft verweerder, gelet op de tekst en de strekking van artikel 4, zesde lid, van het bestemmingsplan in redelijkheid kunnen weigeren van deze bevoegdheid gebruik te maken. Ook de president is voorshands van oordeel dat de ruimtelijke uitstraling van een videotheek, alsmede de publieksaantrekkende werking hiervan, zich zodanig van een bedrijf of groothandel onderscheidt dat in redelijkheid geoordeeld kan worden dat door de vestiging van een videotheek de functie van het industriegebied wordt belemmerd.

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel tenslotte is de president vooralsnog van oordeel dat de door verzoeker genoemde activiteiten die wel zijn toegestaan op het industrieterrein zoals de exploitatie van een kringloopwinkel en van de 'Baby-inn', niet vergelijkbaar zijn met de exploitatie van een videotheek. De kringloopwinkel betreft in hoofdzaak reparatie-werkzaamheden met als ondergeschikte nevenactiviteit de verkoop van goederen. De 'Baby-inn'verkoopt in hoofdzaak grotere goederen en kan bovendien een beroep doen op het overgangsrecht.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

III. BESLISSING

De president,

wijst het verzoek ex artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gewezen door mr. F.H. de Vries, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. C.M.E. de Man als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2000 in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.