Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA8371

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
05/079014-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM

VIJFDE STRAFKAMER

VERKORT STRAFVONNIS

In de zaak van:

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

verdachte,

Advocaat mr. drs. P. Bergkamp, advocaat te Nijmegen.

Parketnummer : 05/079014-00

Zittingsdatum : 6 november 2000 (TEGENSPRAAK)

Uitspraak : 20 november 2000

1. DE INHOUD VAN DE TENLASTELEGGING

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van de dagvaarding is hierna opgenomen als bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

2. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De zaak is op 6 november 2000 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte werd bijgestaan door haar raadsman mr. drs. P. Bergkamp, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden met een proeftijd van 2 jaren en een onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 140 (éénhonderd veertig) uren, ter vervanging van 3 (drie) maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk.

Verdachte en haar raadsman hebben het woord tot verdediging gevoerd.

3. DE BESLISSING INZAKE HET BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen primair is tenlastegelegd heeft begaan voor zover niet doorgestreept of gewijzigd in de bijlage II.

Hetgeen verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

Door de raadsman is - kort samengevat - het navolgende aangevoerd:

a. Het beademingssysteem (concha-systeem en verbindingsstuk (airway-connector)) zoals dat in het UMC St Radboud werd toegepast voldoet niet aan de wettelijke eisen, neergelegd in de Wet Medische Hulpmiddelen, het Besluit Medische Hulpmiddelen en de daarbij behorende bijlagen. Deze wettelijke bepalingen zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat medische hulpmiddelen optimaal beveiligd moeten zijn om de risico’s voor patiënten en zorgverleners te minimaliseren.

b. De voor een bewezenverklaring vereiste mate van schuld is niet aanwezig. Verdachte heeft op 25 januari 2000 een fout gemaakt, maar haar fout is in de gegeven omstandigheden geen ernstige fout omdat het toegepaste beademingssysteem intrinsiek onveilig is. Op grond hiervan kan niet gesproken worden van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid dan wel nalatigheid. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.

c. Verdachte dient subsidiair te worden vrijgesproken omdat een voldoende causaal verband tussen haar fout en het zwaar lichamelijk letsel ontbreekt tengevolge van het intrinsiek onveilige beademingssysteem en het gevolg was niet te voorzien geweest.

d. De ten laste gelegde dood door schuld kan in geen geval worden bewezen omdat causaal verband tussen de fout van verdachte en het overlijden van het slachtoffer ontbreekt. Als er aanwijsbaar een andere oorzaak is die tot de dood heeft geleid, dan kan die dood niet aan de fout van verdachte worden toegerekend. De oorzaak van de dood van het slachtoffer is uiteindelijk geweest de beslissing die in overleg met de ouders en alle overige betrokkenen is genomen om ieder medische behandeling te staken, terwijl het slachtoffer zich op dat moment niet in een levensbedreigende toestand bevond. De dood van het slachtoffer was niet te voorzien.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het door de raadsman aangevoerde het navolgende:

ad a. Het Concha-systeem en de zogenaamde airway-connector voldoen niet aan de wettelijke eisen.

In het UMC St Radboud werd het Conchapacksysteem in combinatie met de zogenaamde airway-connector ook wel swivel connector genoemd, gebruikt. De door de raadsman aangevoerde wetgeving richt zich in algemene zin met name op de fabrikanten, die hulpmiddelen vervaardigen die in de gezondheidszorg worden gebruikt. Nergens blijkt uit en is ook door de raadsman niet gesteld, dat zowel het Conchapacksysteem als de airway-connector ieder op zich niet voldeden aan de wettelijke vereisten.

ad b. Het ontbreken van schuld bij verdachte wegens de intrinsieke onveiligheid van het toegepaste beademingssysteem.

Voorop staat in dit verband dat verdachte zelf heeft verklaard dat zij de werking van het systeem kende en dat zij wist dat bij de onderhavige toepassing het dopje moest worden verwijderd.

Daarbij komt dat de dubbele toepassingsmogelijkheid van het systeem weliswaar niet zonder gevaar voor verwarring is maar dat het hier een onderkend risico betreft.

In het gebruiksprotocol dat in de behandelruimte aanwezig was werd met nadruk gewezen op de noodzaak het dopje te verwijderen.

Voorts geldt dat het systeem wordt gebruikt binnen een professioneel werkende organisatie door personen die door hun opleiding en de aard van hun werkzaamheden geacht mogen worden over de capaciteit te beschikken om op adequate en verantwoorde wijze met deze apparatuur om te gaan.

Door te handelen als zij heeft gedaan, afgezet tegen de hiervoor vermelde omstandigheden, is verdachte te verwijten dat zij zich aanmerkelijk onachtzaam en nalatig heeft gedragen in de uitoefening van haar beroep als verpleegkundige.

ad c. en d. Het ontbreken van oorzakelijk verband tussen de gemaakte fout en het letsel en/of het overlijden van het slachtoffer.

Gebleken is dat door het handelen van verdachte het slachtoffer aanstonds twee klaplongen, hartstilstand, hersenschade en hersenstamschade heeft bekomen. Door reanimatie is de hartfunctie en ademhaling hersteld. De ernstige hersenschade en hersenstamschade leidden tot een uiterst slechte prognose. Het behandelend interdisciplinaire team kwam na het inwinnen van een second opinion tot de conclusie dat de prognose voor het slachtoffer ten aanzien van de mentale en psychomotore ontwikkeling heel somber, zo niet kansloos was. Waarschijnlijk zou op korte termijn daadwerkelijk moeten worden afgezien van verdere medische behandeling. Uiteindelijk is men, na overleg met alle daarbij betrokkenen, tot de conclusie gekomen dat medisch handelen, waaronder ook te rekenen viel kunstmatige beademing en kunstmatige toediening van vocht en voedsel, zinloos was geworden. Vervolgens is besloten de medisch zinloos geworden behandeling te staken, waarna het slachtoffer op 22 februari 2000 is overleden.

Weliswaar heeft het overlijden van het slachtoffer een kleine maand na de handeling van verdachte plaatsgevonden, maar de rechtbank is van oordeel dat de lichamelijke gevolgen voor de patiënt na het handelen van verdachte rechtstreeks hebben geleid tot de dood van het slachtoffer. De door het handelen ontstane letsels zijn direct opgetreden met als gevolg een uitzichtloze lichamelijke toestand, waarover geoordeeld werd dat ieder medisch handelen zinloos was. Het feit dat een niet natuurlijke doodsoorzaak is opgegeven doet aan dit oordeel niet af. Na een zeer zorgvuldige afweging van alle daarbij betrokkenen is besloten de medische behandeling te staken. Onder die omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat het slachtoffer aan de gevolgen van de bekomen letsels is overleden, welk gevolg in redelijkheid aan verdachte als ervaren verpleegkundige moet worden toegerekend.

4. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Het bewezenverklaarde levert op:

"aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn gepleegd in de uitoefening van enig beroep",

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 307 juncto artikel 309 van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit is strafbaar.

5. DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is, gelet op hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen, ook overigens geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. DE MOTIVERING VAN DE SANCTIE(S)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

a. de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en met de omstandigheden waaronder dit is begaan;

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de dader, waarbij is gelet op:

een uittreksel betreffende verdachte uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 9 maart 2000, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest;

een voorlichtingsrapport betreffende verdachte, uitgebracht door de Reclassering Nederland, Unit Nijmegen te Nijmegen, gedateerd 9 juni 2000.

Het betreft een door verdachte begaan culpoos delict. Verdachte heeft blijk gegeven van het inzicht in de fout die zij heeft begaan en haar verantwoordelijkheid in deze aanvaard. Hoewel de disfunctionaliteit van het hulpstuk waarmee de fout werd begaan (als gevolg van dubbele toepassingsmogelijkheid) haar niet disculpeert speelt deze omstandigheid bij de straftoemeting wel een matigende rol. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest en heeft als verpleegkundige, werkzaam in een bij uitstek dienstverlenend beroep, een onberispelijke staat van dienst. De aard van haar werkzaamheden brengt mee dat een fout al snel tot ernstige gevolgen kan leiden. Het feit heeft haar emotioneel zeer aangegrepen en is ook voor haar een traumatische ervaring. Zij lijdt nog steeds geestelijk aan de gevolgen en is ondanks haar wil daartoe nog niet in staat op de oude voet haar werkzaamheden op te nemen. Zij is door haar werkgever disciplinair berispt. De strafrechtelijke vervolging en het terechtstaan ter openbare terechtzitting met de daaraan verbonden publiciteit hebben haar eens te meer geconfronteerd met de gevolgen van haar fout. Gevaar voor recidive wordt niet aanwezig geacht.

De gegeven omstandigheden in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel, dat met het opleggen van een straf of maatregel geen strafdoeleinden meer kunnen worden gediend, zodat toepassing zal worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

7. DE TOEGEPASTE WETTELIJKE BEPALINGEN

De beslissing is gegrond op de reeds aangehaalde voorschriften.

8. DE BESLISSING

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3 heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Bepaalt dat verdachte terzake geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Aldus gewezen door:

mr. B.N. Crol, vice-president als voorzitter,

mrs. G.J.J.M. Pick en A. van Waarden, rechters,

in tegenwoordigheid van J.L. de Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2000.

Mr. Van Waarden voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.