Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA8366

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 2000/599
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis 9 november 2000

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van

de besloten vennootschap

B.V. Transportnet Zuid-Holland,

gevestigd te Voorburg,

eiseres,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal te Arnhem,

advocaat mr. M.W.F. Oosterhuis te Rotterdam

Rolnummer: KG 2000/599 tegen

de besloten vennootschap

Tennet B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal te Arnhem,

advocaat mr. M.E.H.G. Tillij te 's-Gravenhage.

1. Het verloop van de procedure

Partijen zijn ter terechtzitting van 25 oktober 2000 vrijwillig voor de president, rechtdoende in kort geding, verschenen.

Eiseres, verder te noemen TZH, heeft bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als is weergegeven in het concept-exploot van dagvaarding.

Gedaagde, verder te noemen TenneT, heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit, overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij hebben zij over en weer producties in het geding gebracht.

Tenslotte hebben partijen de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de producties - alles voorzover niet dan wel onvoldoende weersproken - staat voorshands het navolgende vast.

a. TenneT is de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet als bedoeld in art. 10 lid 2 van de Elektriciteitswet 1999 (de Wet). In die hoedanigheid beheert zij onder andere het aan TZH in eigendom toebehorende netonderdeel 380 kV, dat loopt van de Maasvlakte naar Bleiswijk en dat deel uitmaakt van het landelijk hoogspanningsnet.

b. In art. 16 van de Wet wordt onder meer bepaald:

"1. De netbeheerder heeft in het kader van het beheer van de netten in het voor hem krachtens artikel 36 vastgestelde gebied tot taak:

a. de door hem beheerde netten in werking te hebben en te onderhouden;

b. de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en van het transport van elektriciteit over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen;

c. de netten aan te leggen, te herstellen, te vernieuwen of uit te breiden;

(....)

2. In aanvulling op de taken, bedoeld in het eerste lid, heeft de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet tevens tot taak:

a. technische voorzieningen te treffen en systeemdiensten uit te voeren die nodig zijn om het transport van elektriciteit over alle netten op een veilige en doelmatige wijze te waarborgen;

b. mede ten behoeve van de andere netbeheerders de technische voorzieningen en systeemdiensten, bedoeld onder a, te benutten;

(....)

3. Het is anderen dan de desbetreffende netbeheerder verboden een taak uit te voeren als bedoeld in het eerste of tweede lid (....).

(....)

c. Teneinde TenneT in staat te stellen haar wettelijke taken als landelijk netbeheerder naar behoren te vervullen, zijn de neteigenaren, waaronder TZH, zogenaamde Verklaringen met TenneT overeengekomen.

d. De in februari 1999 tussen TZH en TenneT overeengekomen Verklaring houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:

"4.1 Gezien de ingang van het Landelijk Netbeheer op 1 januari 1999, beogen Partijen en spannen zij zich ertoe in om vóór die datum een beheerovereenkomst te sluiten op basis van de in de artikelen 1 en 2 van deze Verklaring neergelegde uitgangspunten. Ter uitwerking van die uitgangspunten zullen onder meer worden geregeld de zeggenschap van de LNB over investeringen en onderhoud, alsmede de door de LNB voor het recht van Beheer en gebruik, bedoeld in artikel 2.1, aan de Neteigenaar verschuldigde vergoeding. Voorts zal worden geregeld hoe wordt omgegaan met investeringen in en onderhoud aan het Netonderdeel, waartoe TenneT besluit of voornemens is te besluiten, gegeven het eigenaarschap van de Neteigenaar.

4.2 Voorts zullen partijen zich inspannen om te komen tot dienstverleningsovereenkomsten met betrekking tot onderwerpen als de uitvoering van werkzaamheden en diensten betreffende het Netonderdeel, waarbij als randvoorwaarde zal geleden, dat genoemde dienstverleningsovereenkomsten de LNB niet zullen beperken in de uitvoering van de aan de LNB bij Wet opgedragen taken en verplichtingen.

Bij het opstellen van genoemde dienstverleningsovereenkomsten zal de LNB er naar vermogen voor zorgen dat bij de Neteigenaar opgebouwde expertise met betrekking tot het Netonderdeel zoveel mogelijk wordt benut."

e. Na het sluiten van de Verklaringen tussen de neteigenaren en TenneT is aan art. 16 van de Wet lid 6 toegevoegd, dat, voorzover hier van belang, luidt:

"(....) Indien een ander dan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet een recht van gebruik heeft van een net dat op grond van artikel 10, eerste lid, behoort tot het landelijk hoogspanningsnet, is hij verplicht aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet alle medewerking te verlenen opdat deze zijn taken op grond van het eerste en tweede lid kan uitvoeren."

f. Partijen hebben onderhandeld over het sluiten van een beheersovereenkomst en van dienstverleningsovereenkomsten. Met ingang van 1 januari 2000 hebben zij een driejarige raamovereenkomst (dienstverleningsovereenkomst) gesloten voor het onderhoud en de storingsdienst wat betreft de stations van TZH. Over een beheersovereenkomst en een dienstverleningsovereenkomst met betrekking tot het onderhoud en de inspectie van de lijnen van TZH zijn partijen tot nu toe niet tot overeenstemming gekomen. Wel hebben zij voor het jaar 2000 een afzonderlijke en eenmalige overeenkomst gesloten met betrekking tot de (onderhouds)werkzaamheden aan de lijnen van TZH.

g. TenneT heeft aangekondigd voor de jaren 2001 en volgende een (EU-) aanbestedingsprocedure te willen volgen wat betreft het onderhoud van alle bij haar in beheer zijnde lijnen, waaronder die van TZH. Daartoe zijn uitnodigingen gestuurd aan alle potentiële leveranciers, waaronder neteigenaren, zoals TZH.

h. Teneinde te kunnen meedingen naar gunning heeft TenneT onder andere het volgende uitgangspunt geformuleerd:

Om een evenwichtige verdeling van monteurs voor VNB onderhoud en calamiteitenherstel (16 monteurs) in stand te houden, en toch een aantrekkelijk pakket aan te bieden, is er voor gekozen Nederland in drie kavels te verdelen. Een aannemer die een kavel toegewezen krijgt dient permanent 16 gekwalificeerde monteurs op de been te brengen.

i. TZH heeft op het bestek ingeschreven, hoewel zij niet de beschikking heeft over 16 gekwalificeerde monteurs.

3. De vorderingen

3.1. TZH stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat TenneT weigert haar contractuele verplichtingen, zoals die zijn neergelegd in de Verklaring, na te komen. TZH voert in verband daarmee het volgende aan. TenneT weigert te voldoen aan haar verplichtingen genoemd in de artikelen 4.1 en 4.2 van de Verklaring zich in te spannen om te komen tot een beheersovereenkomst en tot dienstverleningsovereenkomsten wat betreft de werkzaamheden aan de lijnen van het TZH Netonderdeel. Door die werkzaamheden openbaar aan te besteden en te gunnen aan een derde verhindert TenneT dat nog dienstverleningsovereenkomsten met TZH worden gesloten over het onderhoud van de lijnen van TZH. Het gevolg hiervan zal zijn dat TZH een wezenlijk deel van haar dienstverlening met betrekking tot haar Netonderdeel met ingang van 1 januari 2001 voor een periode van twee à drie jaar dreigt te gaan missen waardoor zij aanzienlijke schade zal lijden. TZH vordert om die reden TenneT, op straffe van verbeurte van een dwangsom, te bevelen tot nakoming van de Verklaring, en meer in het bijzonder tot naleving van de inspanningsverplichting als bedoeld in artikel 4.1 en 4.2 van de Verklaring om:

a. een beheersovereenkomst tot stand te brengen terzake van het beheer door TenneT van het aan TZH toebehorende net dat onderdeel uitmaakt van het landelijk hoogspanningsnet;

b. een dienstverleningsovereenkomst tot stand te brengen terzake van de uitvoering van door TenneT als landelijk netbeheerder te bepalen onderhouds- en inspectiewerkzaamheden aan het aan TZH toebehorende Netonderdeel als hiervoor onder a. bedoeld;

c. daartoe de onderhandelingen met TZH binnen vijf werkdagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis te hervatten;

d. zich te onthouden van gedragingen die de totstandkoming van een dienstverleningsovereenkomst als hiervoor onder b. bedoeld beletten of belemmeren;

e. het (verlenen van alle medewerking aan het) ongedaan maken van (de gevolgen van) de openbare aanbesteding van de werkzaamheden voorzover het werkzaamheden betreffen die verband houden met de onderhouds- en inspectiewerkzaamheden als hiervoor onder b. bedoeld.

3.2. TenneT heeft de vorderingen van TZH gemotiveerd weersproken. Op haar verweer, voorzover relevant, zal hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling van de vorderingen

4.1. TenneT betoogt in deze procedure in de eerste plaats dat zij niet langer kan worden gehouden aan de Verklaring, omdat deze zou zijn achterhaald. In haar visie is de Verklaring uitdrukkelijk bedoeld als overgangsregeling om de onderhandelingen over de door de Wet verlangde overdracht van het netbeheer aan TenneT uit het slop te halen. In dat verband wijst zij op het feit dat in de Verklaring - op verzoek van TZH - een opzegmogelijkheid met als peildatum 1 mei 1999 is opgenomen. Ook de omstandigheid dat inmiddels in art. 16 lid 6 van de Wet een wettelijke basis is gecreëerd voor de verplichting van de neteigenaren om alle medewerking aan de landelijk netbeheerder te verlenen opdat deze zijn wettelijke taken kan uitvoeren, brengt volgens TenneT mee dat de Verklaring haar betekenis heeft verloren.

4.2. Anders dan TenneT stelt valt, voorlopig geoordeeld, uit de Verklaring zelf vooralsnog niet af te leiden dat zij als tijdelijk is bedoeld. In ieder geval bestaat onvoldoende aanleiding partijen niet meer gebonden te achten aan de uit de Verklaring voortspruitende verplichting zich in te spannen tot het aangaan van een beheersovereenkomst en van dienstverleningsovereenkomsten. In zoverre kan genoemd verweer van TenneT dan ook niet slagen.

4.3. TZH is van mening dat TenneT zich onvoldoende heeft ingespannen een beheersovereenkomst met haar te sluiten. TenneT ontkent dit en voert aan dat partijen geruime tijd hebben onderhandeld over een dergelijke overeenkomst. De reden dat die onderhandelingen niet tot resultaat hebben geleid is volgens TenneT terug te voeren op het feit dat TZH in de overeenkomst opgenomen wilde zien dat TenneT het beheer van het netonderdeel en de beslissingen over investeringen in overleg en samenwerking met TZH zou uitvoeren. Bovendien wenste TZH naar zeggen van TenneT dat in de beheersovereenkomst zou worden vastgelegd dat met het sluiten van die overeenkomst een dienstverleningsovereenkomst zou worden gesloten. TenneT acht bedoelde eisen van TZH, gelet op de Wet, onaanvaardbaar.

4.4. TZH ontkent niet dat partijen reeds langere tijd hebben onderhandeld over het sluiten van een beheersovereenkomst, waarbij ook verschillende concepten de revue zijn gepasseerd. Door TZH wordt evenmin betwist dat zij in de beheersovereenkomst wenst te zien neergelegd dat TenneT het beheer van het netonderdeel en de beslissingen aangaande investeringen zal uitvoeren in overleg en in samenwerking met TZH. Zoals TenneT terecht aanvoert, zou, indien aan de wensen van TZH wordt tegemoet gekomen, dit betekenen dat TZH medezeggenschap krijgt in de uitvoering van de taken, genoemd in art. 16 lid 1 en 2 van de Wet, die, met uitsluiting van anderen, krachtens art. 16 lid 3 van de Wet (behoudens uitzonderingen die zich in dit geval niet voordoen) aan TenneT zijn opgedragen. Begrijpelijk en gerechtvaardigd is dat TenneT, teneinde niet in strijd met de Wet te handelen, niet op grond van genoemde voorwaarden van TZH met haar tot een beheersovereenkomst wilde komen. In aanmerking genomen de hiervoor vermelde omstandigheden kan, voorlopig geoordeeld, niet worden gezegd dat TenneT zich onvoldoende heeft ingespannen een beheersovereenkomst met TZH tot stand te brengen. De vordering strekkende tot nakoming van de inspanningsverplichting tot het aangaan van een zodanige overeenkomst moet dan ook worden afgewezen.

4.5. Vervolgens dient te worden beoordeeld of TenneT heeft voldaan aan haar verplichting zich in te spannen om dienstverleningsovereenkomsten met TZH tot stand te brengen inzake de inspectie en het onderhoud van het aan TZH toebehorende net. TZH stelt dat dit niet het geval is geweest. TenneT bestrijdt dat. Met betrekking hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.6. Vaststaat dat partijen met ingang van 1 januari 2000 een driejarige dienstverleningsovereenkomst hebben gesloten voor het onderhoud van de stations van het TZH Netonderdeel. Voorts is gebleken dat zij voor het jaar 2000 hebben gecontracteerd over het verrichten van bepaalde (onderhouds)werkzaamheden door TZH aan de lijnen van haar net. Hieruit volgt dat TenneT, in ieder geval gedeeltelijk, aan enige inspanningsverplichting heeft voldaan.

In augustus 2000 is TenneT een procedure gestart tot het openbaar aanbesteden van het onderhoud van alle bij haar in beheer zijnde lijnen voor de jaren na 2000. Op grond van efficiencyoverwegingen wil TenneT slechts kavels toewijzen van een bepaalde schaalgrootte en stelt daarbij onder andere de eis dat het bedrijf dat het onderhoud zal gaan uitvoeren over minimaal 16 gekwalificeerde monteurs kan beschikken. Deze door TenneT gehanteerde opzet en voorwaarde worden, bij marginale toetsing, niet op voorhand als onredelijk aangemerkt, mede gelet op de door de wetgever voorgestane liberalisering van de elektriciteitsmarkt en de (internationale) ontwikkelingen op die markt, welke tenderen naar een toenemende commercialisering.

4.7. Dit uitgangspunt leidt er toe dat de inspanningsverplichting tot het sluiten van een dienstverleningsovereenkomst met betrekking tot de hoogspanningslijnen van karakter is veranderd ten opzichte van hetgeen in de Verklaring was voorzien. Zag de dienstverleningsovereenkomst aanvankelijk slechts op de eigen hoogspanningslijn van TZH, thans heeft zij betrekking op de hoogspanningslijnen in de door TenneT vastgestelde kavels. Derhalve dient beoordeeld te worden of TenneT zich voldoende heeft ingespannen om met TZH tot een dienstverleningsovereenkomst ten aanzien van een of meer kavels te komen. Voorshands moet worden geoordeeld dat dit het geval is geweest. TenneT heeft TZH in de gelegenheid gesteld naar gunning mee te dingen en TZH heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt. De omstandigheid dat TenneT waarschijnlijk niet met TZH zal contracteren, nu TZH niet kan beschikken over 16 gekwalificeerde monteurs, kan niet afdoen aan de constatering dat aan de inspanningsverplichting is voldaan.

TZH heeft nog betoogd dat TenneT de hoogspanningslijn van TZH uit het kavel had kunnen lichten, maar met TenneT moet worden geoordeeld dat de hiervoor genoemde efficiencyoverwegingen zich daartegen verzetten.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat in voldoende mate is gebleken dat TenneT haar inspanningsverplichting ten aanzien van het tot stand brengen van dienstverleningsovereenkomsten is nagekomen. Er bestaat dan ook geen grond TenneT in dit geding alsnog tot die nakoming te bevelen. De daartoe strekkende vordering wordt afgewezen. Dit betekent tevens dat voor TZH het belang is komen te ontvallen aan de overige vorderingen, zoals die hiervoor onder 3.1.c, d. en e. zijn omschreven. Deze zullen dus eveneens worden afgewezen.

4.9. Nu TZH in het ongelijk wordt gesteld, dient zij te worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De president

weigert de gevorderde voorzieningen en veroordeelt TZH in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Tennet bepaald op ¦ 1.550,-- voor salaris van de procureur en op ¦ 400,-- voor verschotten.

Dit vonnis is gewezen door de vice-president mr. J.A.Z. Hooft Graafland en in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.G.W. Oor in het openbaar uitgesproken op 9 november 2000.

de griffier de rechter