Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA8227

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 2000/623
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2002, 5924 met annotatie van J.G. Kuhlmann
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis 3 november 2000

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van

1. de vennootschap naar Belgisch recht

International Financial Promotion World Wide N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Bazel, België,

2. de vennootschap naar Belgisch recht

Gislenus Bats & Co,

gevestigd en kantoorhoudende te Sint Niklaas,

België,

eiseressen bij exploot van dagvaarding

van 11 oktober 2000,

procureur mr. J.M.J. Huver

te Arnhem,

advocaat mr. R.D. Rischen

te Rotterdam.

Rolnummer: KG 2000/623 tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VK Finance B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Verzekerd Keur B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem,

gedaagden,

advocaat mr. P.P. Engelman

te Rotterdam.

1. Het verloop van de procedure

Eiseressen, verder ook te noemen Interprom respectievelijk Bats, hebben gedaagden, verder ook te noemen VK Finance respectievelijk Verzekerd Keur, ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

De advocaat van eiseressen heeft de vorderingen toegelicht, overeenkomstig zijn pleitnotities.

VK Finance heeft voor alle weren opgeworpen dat de Nederlandse rechter en met name de president te Arnhem niet bevoegd is van de vordering jegens haar kennis te nemen. Op dat verweer is door de president ter terechtzitting beslist als hierna onder 4. te melden.

Vervolgens heeft de advocaat van gedaagden aan de hand van zijn pleitnotities nader verweer gevoerd en geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

Over en weer zijn producties in het geding gebracht.

Na verder debat hebben partijen tenslotte de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de producties - alles voorzover niet dan wel onvoldoende weersproken - staat voorshands het navolgende vast.

a. Interprom en VK Finance houden zich gezamenlijk bezig met het in opdracht en voor rekening van retailers (detaillisten) verzorgen van zogenaamde cash back-acties. Bij deze acties kunnen klanten, die bij een retailer een product hebben gekocht, de koopprijs van dat product na een aantal jaren van VK Finance terugontvangen indien aan bepaalde eisen wordt voldaan. De retailers betalen voor de actie een deelnamevergoeding aan VK Finance.

b. Interprom bemiddelt ten behoeve van VK Finance bij het tot stand brengen van cash back-acties en ontvangt daarvoor van VK Finance een vergoeding. Bij facturen van 22 juni 2000, 1 augustus 2000 (2X) en 25 augustus 2000 heeft Interprom aan VK Finance bedragen van respectievelijk ¦ 152.216,47, ¦ 144.362,43, ¦ 31.549,42 en ¦ 128.998,24 gedeclareerd wegens "Consulting and management fee Dutch Market". De facturen vermelden telkens een betalingstermijn van 8 dagen.

c. Naar aanleiding van een door de Economische Controle Dienst ingesteld onderzoek is bij VK Finance een bedrag van ¦ 3.000.000,-- in (strafrechtelijk) beslag genomen. Daarvan maakt deel uit een bedrag van ¦ 600.000,-- dat wegens fee aan Interprom toekomt. Met betrekking tot dit laatste bedrag is door VK Finance alsnog een bedrag van ¦ 300.000,-- aan Interprom uitgekeerd. VK Finance heeft nadien bij brief van 8 september 2000 Interprom laten weten dat andere betalingen worden opgeschort totdat de gelden worden vrijgegeven.

d. Bats heeft bij (herinnerings)facturen van 4 maart 1999, 8 april 1999, 6 september 1999 en 10 april 2000 aan Verzekerd Keur een bedrag van BEF 103.189,-- gedeclareerd wegens verrichte accountantswerkzaamheden.

3. De vorderingen

3.1. Interprom vordert in dit geding VK Finance te veroordelen tot betaling van een bedrag van ¦ 440.740,97, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding. Zij stelt daartoe dat VK Finance zonder goede grond de hiervoor onder 2.b. genoemde facturen, op een bedrag van ¦ 16.385,59 na, onbetaald heeft gelaten.

3.2. Baks vordert in dit geding Verzekerd Keur te veroordelen tot betaling van een bedrag van BEF 103.000,--, althans het Nederlandse equivalent, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding. Ook aan deze vordering wordt ten grondslag gelegd dat het gefactureerde bedrag ten onrechte niet wordt voldaan.

3.3. Zowel VK Finance als Verzekerd Keur hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen het gevorderde.

4. De beoordeling van het beroep op onbevoegdheid

4.1. VK Finance voert in de eerste plaats aan dat de Nederlandse rechter, onder wie de

president in kort geding te Arnhem, onbevoegd is van de vordering op haar door Interprom kennis te nemen. VK Finance wijst daarvoor op het feit dat op de aan haar verzonden facturen van Interprom als voorwaarde staat vermeld: "Bij eventuele betwistingen zijn uitsluitend de Rechtbanken van Antwerpen (België) bevoegd". Omdat van haar kant tegen die voorwaarde nimmer bezwaren zijn geuit en partijen op het punt van de rechterlijke competentie nooit andersluidende afspraken hebben gemaakt is VK Finance van mening dat de vordering van Interprom aan de rechter te Antwerpen had moeten worden voorgelegd.

4.2. Dienaangaande wordt het volgende overwogen. Interprom en VK Finance zijn gevestigd op het grondgebied van Staten (te weten België respectievelijk Nederland) die partij zijn bij het EEG-Executieverdrag (EEX). Voor het antwoord op de vraag of in het tussen hen aanhangige kort geding de Arnhemse president bevoegd is, zijn de bepalingen van het EEX van toepassing. Op grond van art. 2 EEX is uitgangspunt dat de rechter van de woonplaats van VK Finance bevoegd is. Daarop dient, in aanmerking genomen art. 17 eerste alinea EEX, een uitzondering te worden gemaakt indien partijen, zoals in dit geval, een forumkeuze zijn overeengekomen. Dit zou betekenen dat alleen de rechter in Antwerpen bevoegd is van het geschil kennis te nemen, waarbij er van wordt uitgegaan dat, nu Interprom zich daarop niet heeft beroepen, de forumkeuze niet slechts is gemaakt ten behoeve van Interprom zelf, zoals bedoeld in de vierde alinea van dat artikel. Nochtans kan de kort gedingrechter ook zijn bevoegdheid ontlenen aan art. 24 EEX. Dit artikel moet aldus worden uitgelegd dat de toepassing ervan met name afhankelijk is van de voorwaarde, dat er een reële band bestaat tussen het voorwerp van de gevorderde maatregel en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de verdragsluitende staat van de aangezochte rechter. Van een zodanige reële band is in dit geval sprake, nu VK Finance in dit arrondissement is gevestigd en haar vermogensbestanddelen alhier moeten worden uitgewonnen. Voorts moet worden geoordeeld dat de betaling van een voorschot op een contractuele tegenprestatie geen voorlopige maatregel is in de zin van art. 24 EEX, tenzij gegarandeerd is dat het toegewezen bedrag aan de verweerder wordt terugbetaald indien de eiser in het bodemgeschil in het ongelijk mocht worden gesteld, en de gevorderde maatregel slechts betrekking heeft op bepaalde vermogensbestanddelen van de verweerder die zich in de territoriale bevoegdheidssfeer van de aangezochte rechter (zullen) bevinden. Van dit laatste is, zoals overwogen, in voldoende mate gebleken, terwijl, voorzover aan Interprom enig bedrag zal worden toegewezen, daaraan de voorwaarde zal worden verbonden tot het verstrekken van een deugdelijke bankgarantie.

Uit het voorgaande volgt dat de president van de rechtbank te Arnhem bevoegd is van de vordering van Interprom tegen VK Finance kennis te nemen.

5. De beoordeling van de vordering van Interprom

5.1. De vordering vloeit voort uit een internationale overeenkomst tot dienstverlening. In de eerste plaats moet daarom worden beoordeeld welk recht de verhouding tussen Interprom en VK Finance beheerst.

Zowel België als Nederland waren op het moment van de litigieuze overeenkomst aangesloten bij het Verdrag van de EEG inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980 (Trb. 1980, 156 en 1991, 109). Daar niet is gebleken van enige keuze bij partijen omtrent het op hun verhouding van toepassing zijnde recht dient er op grond van art. 4 lid 1 van dat verdrag van te worden uitgegaan dat de overeenkomst tussen hen wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is.

Uit lid 2 van dat artikel volgt dat dit het land is waar de partij die de kenmerkende prestatie moest verrichten op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats of, ingeval van een rechtspersoon, haar hoofdbestuur had. In het onderhavige geval moet worden geoordeeld dat Interprom de partij is die de kenmerkende prestatie, te weten het ten behoeve van VK Finance tot stand brengen van cash back-acties, heeft moeten verrichten zodat, nu (onbetwist het hoofdbestuur van) Interprom in België is gevestigd, Belgisch recht op de verhouding tussen partijen van toepassing is. Dit recht zal in deze zaak, gezien het feit dat het hier gaat om de vraag of sprake is van wanprestatie, niet wezenlijk verschillen van het Nederlandse recht.

5.2. De vordering van Interprom ziet op de betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is voorwaarde dat die vordering voldoende aannemelijk is geworden. Daarnaast dient te blijken dat de eisende partij een spoedeisend belang heeft bij toewijzing, terwijl voorts het restitutierisico in aanmerking moet worden genomen.

5.3. Interprom vordert betaling van facturen voor door haar verleende diensten tot een totaalbedrag van ¦ 440.740,97. VK Finance stelt daartegenover, onder andere door overlegging van een bankafschrift van 2 augustus 2000, dat op genoemde facturen verschillende bedragen zijn voldaan en dat op die facturen niet meer dan een bedrag van ¦ 117.521,66 onbetaald is gebleven. Hoewel dus sprake is van een gemotiveerde betwisting, moet ook worden geconcludeerd dat VK Finance laatstgenoemd bedrag - in beginsel - als verschuldigd erkent. VK Finance is niettemin van mening dat zij op dit moment geen enkel bedrag aan Interprom behoeft te voldoen en voert daartoe het volgende aan.

5.4. In de eerste plaats betoogt VK Finance met Interprom te hebben afgesproken dat de vorderingen van Interprom niet eerder opeisbaar zijn dan na 30 dagen nadat de retailers VK Finance hebben betaald. Dit verweer wordt gepasseerd. Uitgangspunt is dat op de facturen van Interprom telkens met zoveel woorden staat aangegeven wanneer deze dienen te zijn voldaan, te weten 8 dagen na factuurdatum, waarbij tevens wordt vermeld de dag waarop het bedrag verschuldigd is. Interprom ontkent met VK Finance andersluidende afspraken te hebben gemaakt, op één incidenteel geval in het verleden na. Nu voorts, ook naar eigen zeggen van VK Finance, van de door haar gepretendeerde afspraak niets schriftelijk is vastgelegd en de juistheid daarvan in een kort geding-procedure niet kan worden vastgesteld, moet aan de stelling van VK Finance worden voorbijgegaan. Hierbij komt nog dat niet is gesteld of gebleken dat VK Finance niet reeds door de retailers is betaald, zodat, ook in de visie van VK Finance, de bedragen inmiddels verschuldigd zijn. In dat verband wordt er op gewezen dat de stelling van Interprom in haar brief van 11 september 2000 aan VK Finance, dat door VK Finance zou zijn meegedeeld dat tot en met juli 2000 alle betalingen van de retailers zijn ontvangen, door laatstgenoemde niet althans onvoldoende wordt betwist. Voorts wordt gewezen op het door VK Finance zelf aangedragen en hierboven onder 2 sub c. als vaststaand aangenomen feit, dat nog ¦ 300.000,-- van het onder VK Finance strafrechtelijk in beslag genomen geld aan Interprom toekomt.

5.5. Ook het tweede verweer van VK Finance dat geen sprake kan zijn van verschuldigdheid en opeisbaarheid van de restantvordering, omdat Interprom in gebreke is gebleven essentiële werkzaamheden te verrichten, treft geen doel. Weliswaar voert VK Finance, onder verwijzing naar door haar overgelegde brieven aan Interprom, een aantal bezwaren aan tegen de werkwijze van Interprom en haar informatievoorziening, maar deze bezwaren (indien zij al juist zijn, Interprom ontkent zulks) rechtvaardigen voorshands niet een beroep op opschorting door VK Finance van haar betalingsverplichting.

5.6. VK Finance stelt verder dat zij van het onder het beslag liggend fee van Interprom van ¦ 600.000,-- onverplicht een bedrag van ¦ 300.000,-- aan Interprom heeft voldaan en dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat zolang het beslag voortduurt Interprom dient af te zien van het vorderen van betaling van de openstaande bedragen. In de visie van VK Finance zijn beide partijen verantwoordelijk voor het cash back-systeem en dienen zij beiden de risico's daarvan te dragen.

Deze stellingname gaat niet op. Het (strafrechtelijk) beslag betreft VK Finance en is onder haar gelegd. Een dergelijk beslag kan niet afdoen aan de betalingsverplichtingen die VK Finance ten opzichte van derden, zoals Interprom, heeft. De omstandigheid dat VK Finance bij betaling aan Interprom in liquiditeitsproblemen kan geraken maakt dit niet anders. Voorzover VK Finance stelt dat is afgesproken dat zij zal betalen nadat het beslag is opgeheven, wordt overwogen dat, nu Interprom deze afspraak betwist en daarvan niet uit enig stuk van de zijde van Interprom blijkt, die stelling moet worden verworpen.

5.7. Tenslotte werpt VK Finance nog op dat zij een aantal tegenvorderingen heeft op Interprom. Zo zou Interprom ten onrechte hebben gefactureerd en betaald hebben gekregen voor verplichtingen die rusten op het overgenomen bedrijf Intervest en zou Interprom een te hoge commissie hebben ontvangen terzake van de Stichting Fiets Aktie. VK Finance begroot deze tegenvorderingen op ruim ¦ 700.000,--.

Interprom ontkent op voormelde gronden enig bedrag verschuldigd te zijn en VK Finance heeft de vorderingen volstrekt onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft VK Finance ter zitting moeten erkennen dat onderdelen van de gepretendeerde vorderingen niet aan haar, maar aan andere (aan haar gelieerde) rechtspersonen zouden toekomen. Met deze tegenvorderingen kan daarom geen rekening worden gehouden.

5.8. Uit het vooroverwogene volgt dat de vordering van Interprom tot een bedrag van ¦ 117.521,66 is komen vast te staan. Dit bedrag is toewijsbaar, nu ook van het spoedeisend belang van Interprom bij die toewijzing in voldoende mate is gebleken. De gegrondheid van haar eis tot voormeld bedrag sluit namelijk in het belang om op korte termijn over dat bedrag te kunnen beschikken. Dat sprake is van enig restitutierisico aan de zijde van Interprom is noch gesteld noch aannemelijk geworden.

In aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 4.2. is overwogen zal, ter verzekering van een mogelijke terugbetaling, aan de veroordeling van VK Finance tot betaling van genoemd bedrag, de voorwaarde worden verbonden tot het verstrekken door Interprom van een deugdelijke bankgarantie.

6. De beoordeling van de vordering van Bats

6.1. Op de verhouding tussen Bats en Verzekerd Keur is eveneens Belgisch recht van toepassing. Ter onderbouwing van deze constatering wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.1. terzake van de verhouding tussen Interprom en VK Finance, welke overwegingen - mutatis mutandis - ook hier geldigheid hebben. Als kenmerkende prestatie moet worden beschouwd de accountantswerkzaamheden van Bats.

6.2. Ook Bats eist betaling van een geldsom. Dit betekent dat haar vordering, wil deze toewijsbaar zijn, eveneens dient te voldoen aan de hiervoor onder 5.2. genoemde voorwaarden.

Het betreft hier blijkbaar facturen voor controlewerkzaamheden die Bats zegt in opdracht van Verzekerd Keur bij Interprom te hebben verricht.

Verzekerd Keur ontkent uitdrukkelijk dat zij Bats opdracht heeft gegeven tot het doen van dergelijke werkzaamheden en dus enig bedrag aan haar verschuldigd te zijn. Zij stelt dat Interprom degene is geweest die Bats heeft ingeschakeld en wijst daarvoor op de door haar overgelegde brief van 27 oktober 1998 waarin Interprom verklaart de kosten van Bats desnoods zelf te willen betalen. Verzekerd Keur zegt verder op de aanmaningsfacturen van Bats telefonisch te hebben gereageerd met de mededeling dat Bats haar declaratie aan Interprom diende te sturen. Nu Verzekerd Keur de geldvordering gemotiveerd betwist, is deze vooralsnog niet voldoende aannemelijk geworden om in kort geding te kunnen worden toegewezen. De gevorderde betaling moet daarom worden afgewezen. Hierbij kan in het midden worden gelaten het verweer van Verzekerd Keur dat niet zij, maar de besloten vennootschap Ronald van Keulen Holding B.V., als rechtsopvolgster van de (oude) besloten vennootschap Verzekerd Keur B.V., had moeten worden gedagvaard.

7. De motivering van de beslissing ten aanzien van de proceskosten

Gelet op de onderlinge betrekkingen tussen partijen, met name die tussen VK Finance en Verzekerd Keur enerzijds en Interprom en Bats anderzijds, en vervolgens in aanmerking genomen dat Interprom en VK Finance over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, bestaat er aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

8. De beslissing

De president

ten aanzien van de vordering van Interprom ten opzichte van VK Finance

8.1. veroordeelt VK Finance om tegen behoorlijke kwijting aan Interprom te betalen een bedrag van ¦ 117.521,66 (honderd zeventienduizend vijfhonderd eenentwintig gulden en zesenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening, op voorwaarde dat Interprom aan VK Finance een deugdelijke bankgarantie zal verstrekken ten bedrage van voormeld bedrag vermeerderd met genoemde rente, af te geven door een in het (internationaal) handelsverkeer te goeder naam en faam bekend staande bank,

8.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.3. weigert het anders of meer gevorderde,

ten aanzien van de vordering van Bats op Verzekerd Keur

8.4. weigert de gevorderde voorziening,

ten aanzien van beide vorderingen voorts

8.5. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door de vice-president mr. N.W. Huijgen en in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.G.W. Oor in het openbaar uitgesproken op 3 november 2000.