Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA7821

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 00-587
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis 24 oktober 2000

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser bij exploot van dagvaarding

van 12 september 2000,

procureur mr. J.M. Bosnak te Arnhem,

advocaat mr. G.D. te Biesbeek te Zwolle,

Rolnummer: KG 2000/587 tegen

de coöperatie

Zuivel Coöperatie Campina Melkunie U.A.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zaltbommel,

gedaagde,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal te Arnhem,

advocaten mrs. M. van Empel en M.F.A.M. Smeets, beiden te Amsterdam.

1. Het verloop van de procedure

Eiser heeft gedaagde, verder te noemen Campina, ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Campina heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit, overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

Tenslotte hebben partijen de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de producties - alles voorzover niet dan wel onvoldoende weersproken - staat voorshands het navolgende vast.

a. Eiser is veehouder. De op zijn bedrijf geproduceerde melk wordt door Campina, althans door de aan haar gelieerde ondernemingen, afgenomen tegen betaling van een vastgestelde prijs. Eiser is lid van Campina.

b. Op 12 december 1997 is door de Nederlandse Zuivelorganisatie en de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland opgericht de stichting Stichting Keten Kwaliteit Melk, verder

te noemen de stichting KKM. Deze stichting heeft blijkens haar statuten onder meer tot doel:

"het bevorderen van preventieve kwaliteits- en imagozorg bij producenten van rauwe melk" en "het beheren en uitvoeren van een onafhankelijke erkenningsregeling die maatregelen ten behoeve van preventieve kwaliteits- en imagozorg bij producenten van rauwe melk aantoonbaar en zichtbaar maakt"

en tracht dit doel onder andere te bereiken door:

"het beoordelen wanneer wordt voldaan aan de vastgestelde beoordelingscriteria" en "de afgifte van erkenningen aan producenten van rauwe melk".

c. Een elftal melkverwerkende bedrijven in Nederland, waaronder Campina, is bij de stichting KKM aangesloten. Deze bedrijven hebben een gezamenlijk marktaandeel in Nederland van 98%.

d. De stichting KKM kent onder andere een Erkenningsreglement Veehouderijbedrijven, waarin zijn neergelegd de onderwerpen en beoordelingscriteria en overige voorwaarden voor de erkenning van bedrijven en producenten van rauwe melk, en een Reglement Aangeslotenen, waarin zijn geregeld de rechten, plichten en sancties voor de aangeslotenen met betrekking tot de uitvoering van de erkenningsregeling en de consequenties met betrekking tot melkverwerking.

e. Het Erkenningsreglement Veehouderijbedrijven is op 1 januari 2000 in werking getreden. Artikel 2 van dat reglement luidt:

"De Stichting KKM verleent de mogelijkheid aan Veehouders die aan de gestelde voorwaarden van het KKM programma voldoen, een KKM erkenning te verkrijgen.

f. Het Reglement Aangeslotenen is op 1 januari 2000 eveneens in werking getreden, met uitzondering van de artikelen 9 tot en met 12 van dat reglement, die vanaf die datum tijdelijk zijn opgeschort. Artikel 9 bepaalt onder meer:

"Indien een Aangeslotene bij de productie in Nederland van melk- en zuivelproducten bestemd voor humane consumptie Boerderijmelk aanwendt, zal deze melk uitsluitend direct of indirect afkomstig zijn van veehouderijbedrijven die door de Stichting KKM zijn erkend. ....."

g. Daaraan voorafgaande heeft de stichting KKM op 5 februari 1999 bij de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit (NMa) een verzoek ingediend tot het, op grond van artikel 17 van de Mededingingswet (Mw), verlenen van ontheffing van het verbod van artikel 6 Mw voor een kwaliteitsborgingsysteem voor boerderijmelk (rauwe melk).

h. In zijn besluit van 14 maart 2000 op dat verzoek overweegt de directeur-generaal NMa onder meer het volgende:

"4. KKM heeft ontheffing aangevraagd voor het Reglement Aangeslotenen en het Erkenningsreglement veehouderijbedrijven, waarin het kwaliteitsborgingsysteem van KKM is vervat. Dit systeem komt er op neer dat KKM op verzoek van een melkveehouder aan deze een 'certificaat van erkenning' verleent, indien deze melkveehouder voldoet aan de door KKM vastgestelde eisen. De eisen, zoals opgenomen in het Erkenningsreglement, hebben betrekking op de wijze van produceren (o.m. met betrekking tot het gebruik van diergeneesmiddelen, diergezondheid en welzijn, voer en water, melkwinning, -bewaring en -inrichting, reiniging en desinfectie, en milieu en afvalstoffen) en niet op de intrinsieke kwaliteit van de melk. De KKM-eisen gaan (voor een deel) verder dan de bestaande wettelijke eisen. De bij KKM aangesloten melkverwerkende bedrijven en KKM hebben het exclusieve gebruiksrecht op het KKM beeldmerk.

.....

12. Bij fax van 26 november 1999 heeft KKM de d-g NMa meegedeeld de artikelen 9 t/m 12 van het Reglement Aangeslotenen buiten toepassing te laten in afwachting van een nadere publiekrechtelijke regeling omtrent de productie van melk.

.....

25. Hoewel de artikelen 9 t/m 12 geen deel meer uitmaken van het Reglement Aangeslotenen (randnummer 7), hecht de d-g NMA er aan in het onderhavige geval, uit oogpunt van duidelijkheid voor de betrokken partijen, een mededingingsrechtelijk oordeel te geven over de toepasselijkheid van artikel 6 Mw indien deze artikelen nog wel zouden gelden.

26. De artikelen 9 t/m 12 van het Reglement Aangeslotenen beperken de bij de KKM aangesloten melkverwerkende bedrijven in hun vrijheid om zelf te kiezen van welke melkveehouders zij hun melk afnemen. Daarnaast wordt het melkveehouders die aan alle wettelijke eisen voldoen, maar niet door KKM erkend zijn, de facto onmogelijk gemaakt om hun melk af te zetten. Het marktaandeel van de niet bij KKM aangesloten melkverwerkende bedrijven is te klein (minder dan 2%) om een reële afzetmogelijkheid te vormen. Er is derhalve sprake van een mededingingsbeperking.

27. De bovengenoemde artikelen hebben, indien zij nog van kracht zouden zijn, een merkbaar mededingingsbeperkend effect op de Nederlandse markt voor boerderijmelk. Het gezamenlijk marktaandeel van de aangesloten melkverwerkende bedrijven van meer van 98% en het grote aantal deelnemende melkveehouders maakt de KKM-regeling immers nagenoeg marktdekkend. Dit betekent dat de mededingingsbeperking wordt getroffen door het verbod van artikel 6, lid 1, Mw.

28. De d-g NMa overweegt voorts dat het buiten toepassing laten van de artikelen 9 t/m 12 van het Reglement aangeslotenen niet automatisch betekent dat de inbreuk op artikel 6 Mw ongedaan wordt gemaakt. Dit hangt samen met het marktgedrag van de aangesloten melkverwerkende bedrijven. Indien één of meerdere melkverwerkende bedrijven hun marktgedrag, dat aanvankelijk was gebaseerd op de mededingingsbeperkende artikelen 9 t/m 12 van het Reglement Aangeslotenen, na beëindiging daarvan zouden voortzetten, vormt dit een inbreuk op het verbod van artikel 6, lid 1, Mw.

i. Op 19 mei 1999 is in de ledenraadvergadering van Campina een statutenwijziging van de coöperatie aangenomen. Aan artikel 9.2. van die statuten is onder d. een bepaling toegevoegd, zodat de tekst thans luidt:

"Alle leden zijn verplicht:

....

d. wat betreft hun bedrijf te beschikken over de erkenning van de stichting: Stichting Keten Kwaliteit Melk."

In de bij de wijziging behorende toelichting wordt vermeld dat de nieuwe verplichting geen lidmaatschapsvereiste is, maar wel dat het niet voldoen daaraan consequenties heeft voor de melkprijs.

j. Deze consequenties zijn in een brief van Campina van 21 december 1999 onder meer aldus verwoord:

- Vanaf 1 januari 2000 wordt ten aanzien van de verwerking onderscheid gemaakt tussen de boerderijmelk afkomstig van KKM erkende bedrijven en de boerderijmelk afkomstig van niet KKM erkende bedrijven. Deze laatste wordt uitsluitend verwerkt tot industriële producten;

- Voor leden en leveranciers die boerderijmelk van niet KKM erkende bedrijven aan

Campina Melkunie afleveren, zal een extra kostentoerekening van toepassing zijn. Deze toerekening is gebaseerd op de extra transportkosten die voor deze categorie door Campina Melkunie worden gemaakt;"

k. Eiser heeft principiële bezwaren tegen de KKM-certificering. Hij heeft geen KKM-erkenning aangevraagd. Zijn bedrijfsvoering voldoet overigens aan de wettelijke vereisten en aan de (overige) in de statuten van Campina neergelegde voorschriften.

l. Sinds enige tijd wordt de melk van het bedrijf van eiser door Campina afzonderlijk opgehaald en verwerkt. In verband daarmee houdt Campina vanaf 1 april 2000 een bedrag van 2 cent en vanaf 1 augustus 2000 een bedrag van 6 cent per kilogram melk in op de aan eiser uit te keren melkprijs. Campina heeft aangekondigd met ingang van 1 november 2000 die inhouding te zullen verhogen naar 10 cent per kilogram melk.

3. De vorderingen

3.1. Eiser vordert in dit geding, kort gezegd, Campina op verbeurte van een dwangsom te veroordelen om:

- de door eiser geproduceerde melk af te (doen) nemen, zonder eiser te verplichten te beschikken over een KKM-erkenning;

- aan eiser uit te betalen de prijs voor de door hem bij Campina afgezette c.q. af te zetten melk, zonder op deze prijs een inhouding toe te passen wegens het ontbreken van een KKM-erkenning;

en voorts Campina te veroordelen om de vanaf 1 april 2000 wegens het ontbreken van een KKM-certificering toegepaste inhouding op de melkprijs ongedaan te maken en het totaalbedrag van die inhouding aan eiser uit te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.

3.2. Eiser legt aan zijn vorderingen samengevat het navolgende ten grondslag. Door van haar leden te eisen dat zij beschikken over een KKM-erkenning handelt Campina in strijd met de wet. In de eerste plaats met art. 2:59 BW, omdat uit dit artikel volgt dat het Campina niet is toegestaan om door middel van een besluit wijziging te brengen in de met haar leden gesloten overeenkomsten. De eis van KKM-erkenning is een eenzijdige wijziging en daarom niet rechtsgeldig. De daaruit voortvloeiende inhouding op de melkprijs is dat om die reden eveneens. Voorts handelt Campina in strijd met het kartelverbod van artikel 6 Mw, hetgeen ook volgt uit de beslissing van de directeur-generaal NMa van 14 maart 2000, en maakt Campina misbruik van haar economische machtspositie gegeven het feit dat de gehele zuivelverwerkende industrie in Nederland een KKM-erkenning eist en het daarom voor eiser onmogelijk is om zijn melk elders (tegen een concurrerende prijs) af te zetten.

3.3. Campina heeft de stellingen van eiser en het door hem gevorderde gemotiveerd weersproken.

4. De beoordeling van de vorderingen

4.1. De vraag die in deze procedure ter beantwoording voorligt is of Campina extra kosten in rekening mag brengen voor het afzonderlijk ophalen en verwerken van melk van bedrijven die niet KKM erkend zijn.

4.2. Eiser verzet zich tegen oplegging van die kosten in de eerste plaats met een beroep op het bepaalde in art. 2:59 BW. Wat er ook zij van de juistheid van de stelling van eiser dat door het opnemen van de verplichting dat de leden over een KKM-erkenning dienen te beschikken, een wijziging in de met hem gesloten overeenkomst is aangebracht, brengt een zodanige wijziging in ieder geval niet mee dat het daartoe strekkende besluit nietig zou zijn. Wel kan in dat geval mogelijkerwijs de vernietigbaarheid van het besluit op grond van artikel 2:15 BW worden ingeroepen. Niet gebleken is evenwel dat hiervan sprake is (geweest), zodat het beroep op artikel 2:59 BW niet kan slagen. Vooralsnog moet er daarom van worden uitgegaan dat het besluit tot statutenwijziging en de daaruit voortvloeiende beslissing om de melk van niet KKM erkende bedrijven afzonderlijk op te halen en de daarmee gemoeide kosten aan die bedrijven door te berekenen rechtsgeldig zijn genomen.

4.3. Eiser betoogt vervolgens dat het doorberekenen van die kosten, in aanmerking genomen de beslissing van de directeur-generaal NMa van 14 maart 2000, in strijd is met art. 6 Mw. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Vastgesteld wordt dat in genoemde beslissing het vigerende Reglement Aangeslotenen, dus zonder de artikelen 9 t/m 12, niet als strijdig met mededingingsrechtelijke bepalingen wordt aangemerkt. Evenmin wordt in die beslissing de enkele omstandigheid dat de melkverwerkende bedrijven van haar leden verlangen dat zij dienen te beschikken over een KKM-erkenning als een inbreuk op het verbod van art. 6 Mw beschouwd.

Voorts moet worden geconstateerd dat eiser niet wordt verhinderd of onmogelijk gemaakt zijn melk af te zetten. Campina blijft bereid eisers melk op te halen. In zoverre treft geen doel het beroep dat eiser doet op het vonnis in kort geding van de president van de rechtbank Leeuwarden van 14 februari 2000. In het daar behandelde geval weigerde een zuivelverwerkend bedrijf met een verwijzing naar het ontbreken van een KKM-erkenning de melk van een veehouder af te nemen en oordeelde de president dit gedrag onrechtmatig. Van een zodanige weigering is hier geen sprake: de door eiser aangeboden melk wordt door Campina opgehaald. Dit laatste impliceert tevens dat eiser bij zijn vordering, Campina te veroordelen zijn melk ook zonder KKM-erkenning af te (doen) nemen, onvoldoende belang heeft. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

4.4. De directeur-generaal NMa sluit in zijn beslissing niet uit dat, hoewel de artikelen 9 t/m 12 buiten toepassing worden gelaten, de melkverwerkende bedrijven in strijd kunnen handelen met het verbod van art. 6 Mw door hun marktgedrag op die artikelen te baseren.

Vaststaat dat Campina haar op bedoelde artikelen gebaseerde eis, dat haar leden KKM erkend dienen te zijn om voor het afzetten van melk in aanmerking te komen, heeft laten vallen. Zij eist wel dat, wil de melk voor humane consumptie kunnen worden verwerkt, de melk aan bepaalde kwaliteitseisen, zijnde die welke ten grondslag liggen aan de KKM-erkenning, voldoen. Een zodanige eis, waarvan moet worden aangenomen dat daaraan een rechtsgeldige beslissing ten grondslag heeft gelegen, kan in beginsel worden gesteld. Inherent aan die beslissing kan worden geacht, het besluit van Campina de melk waarvan niet zeker is dat deze aan de door haar verlangde kwaliteit voldoet, te weten melk geproduceerd op niet KKM-erkende bedrijven, afzonderlijk en tegen een bijzonder tarief, op te halen. Dat Campina daarmee blijk zou geven van marktgedrag als waren de hiervoor genoemde artikelen nog van toepassing, valt voorlopig geoordeeld niet in te zien. Dit zou anders kunnen worden indien de korting, die Campina oplegt voor het ophalen van melk bij niet KKM-erkende bedrijven, niet meer in redelijke verhouding staat tot de in verband daarmee gemaakte kosten. In dat geval zou kunnen worden betoogd dat Campina door middel van het opleggen van een onredelijke korting op de melkprijs die bedrijven dwingt een KKM-erkenning te bezitten. Hiervan is tot nu toe echter onvoldoende gebleken.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden die voorshands duiden op een inbreuk door Campina op het bepaalde in art. 6 Mw, zodat een beroep daarop eiser voor zijn (overige) vorderingen niet kan baten.

4.5. Eiser beschuldigt Campina voorts nog van het maken van misbruik van haar economische machtspositie, verboden bij art. 24 Mw. Eiser stelt daartoe dat het hem onmogelijk wordt gemaakt zijn melk nog af te zetten, daar de gehele zuivelverwerkende industrie een KKM-erkenning eist.

Deze beschuldiging gaat reeds hierom niet op, omdat eiser, zoals hiervoor is overwogen, de mogelijkheid heeft en houdt zijn melk aan Campina te leveren. De omstandigheid dat dit niet voor de door eiser gewenste prijs is, maakt nog niet dat Campina handelt in strijd met art. 24 Mw.

4.6. Ten slotte wordt nog het volgende overwogen. In het bestek van een kort geding-procedure kan niet gedetailleerd worden nagegaan of een bepaald gedrag moet worden aangemerkt als zijnde strijdig met mededingingsrechtelijke bepalingen. Daartoe is een bodemprocedure noodzakelijk. Wel kan een voorlopig oordeel worden uitgesproken. In dat licht wordt geoordeeld dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat het doorberekenen van de kosten voor het afzonderlijk ophalen en verwerken van niet KKM-erkende melk een inbreuk oplevert op genoemde bepalingen. Nu voorts niet is gebleken dat eiser als gevolg van de inhouding op de melkprijs in een (financiële) noodtoestand is komen te verkeren en, naar uit de stukken volgt, te verwachten is dat binnen afzienbare tijd het Productschap voor Zuivel in een verordening de wettelijke eisen wat betreft de kwaliteit en productie van melk zal aanpassen, bestaat er thans geen grond de beslissing van Campina tot doorberekening van de kosten ongedaan te maken.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat ook de vorderingen van eiser Campina te veroordelen om op de melkprijs geen inhouding toe te passen en de reeds ingehouden bedragen terug te storten moeten worden afgewezen.

4.8. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit kort geding. Nu de onderhavige zaak gelijktijdig is behandeld met een inhoudelijk identieke zaak waarin Campina eveneens gedaagde is en in beide zaken een gelijkluidend verweer is gevoerd, zal het salaris van de procureur van Campina in beide zaken bij helfte worden gedeeld.

5. De beslissing

De president

weigert de gevorderde voorziening, en

veroordeelt eiser in de kosten van deze procedure tot aan deze uitspraak aan de zijde van Campina bepaald op ¦ 775,-- voor salaris van de procureur en op ¦ 400,-- voor verschotten.

Dit vonnis is gewezen door de vice-president en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2000.

de griffier de rechter