Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA6960

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 2000/435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis 31 augustus 2000

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van

1. Z

en

2. V,

beiden wonende te D,

eisers in conventie bij exploot van dagvaarding

van 8 augustus 2000,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. J.C.M. Bonnier

te Groesbeek,

advocaat mr. J.W.J. Hopmans

te Groesbeek

Rolnummer: KG 2000/435 tegen

B,

wonende te D,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek

te Nijmegen,

advocaat mr. C.W. Houtman

te Nijmegen.

1. Het verloop van de procedure

Eisers in conventie, verder samen te noemen A, hebben gedaagde in conventie, verder te noemen B, ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

B heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. Hij heeft tevens een eis in voorwaardelijke reconventie ingesteld, zoals neergelegd in zijn daartoe strekkende conclusie.

Z heeft tegen die vordering verweer gevoerd.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit, overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

Tenslotte hebben partijen de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de producties - alles voorzover niet dan wel onvoldoende weersproken - staat voorshands het navolgende vast.

a. Op of omstreeks 28 mei 1999 heeft Z met de besloten vennootschap

Aannemersbedrijf C, verder te noemen de B.V., een koop-/aannemingsovereenkomst gesloten tot bouw en levering van een object (woning) in de gemeente D voor een bedrag van in totaal ¦ 391.000,--.

b. Artikel 7 van die overeenkomst houdt onder meer het volgende in:

"7.1 Deze overeenkomst wordt aangegaan onder de bij niet-vervulling ontbindende voorwaarden:

a. dat de verkrijger binnen zes weken na diens ondertekening van deze akte voor de financiering van de woning een hypothecaire geldlening verkrijgt onder bij de grote geldverstrekkende instellingen normaal geldende voorwaarden en bepalingen.

.....

7.3 Indien één dezer voorwaarden niet wordt vervuld heeft de verkrijger het recht bij brief met bericht van ontvangst of telefaxbericht met verzendbevestiging te verzenden aan de ondernemer uiterlijk binnen acht dagen na afloop van de voor de vervulling van de betreffende voorwaarden geldende termijn de ontbinding van de Koop-/aannemingsovereenkomst in te roepen, waardoor de overeenkomst tussen partijen van rechtswege ontbonden zal zijn.

.....

7.6 Partijen verplichten zich over en weer al het nodige te doen, dat tot vervulling van de in de leden 1 en 2 van dit artikel vermelde voorwaarde(n) kan leiden en na te laten wat de vervulling zou kunnen verhinderen. Indien aan het inroepen van ontbinding als bedoeld in lid 3 van dit artikel het niet nakomen van de hiervoor vermelde verplichtingen ten grondslag ligt, zal de Koop-/aannemingsovereenkomst van rechtswege zijn ontbonden en zal de in gebreke zijnde partij aan de ander als boete een bedrag verschuldigd zijn ter grootte van 10% van de koop-/aanneemsom. Het inroepen van de ontbinding zal geschieden bij brief met bericht van ontvangst of telefaxbericht met verzendbevestiging."

c. Bij brief van 14 augustus 1999 heeft Z aan de B.V. meegedeeld dat het hem niet is gelukt een hypotheek te verkrijgen voor de (te bouwen) woning.

d. In reactie daarop heeft de B.V. op 14 september 1999 aan Z onder meer het volgende geschreven:

"Op 17 augustus 1999 hebben wij in goede orde aangetekend ontvangen Uw schrijven dd 14 augustus 1999, waarin U melding maakt van het feit dat U de koop-/aannemersovereenkomst voor de bouw van een woonhuis ..... te D wilt ontbinden.

Deze koop-aannemingsovereenkomst is door U ondertekend op 28 mei 1999 met een ontbindende voorwaarde ..... van 6 weken, derhalve tot 10 juli 1999, waarin de financiering geregeld kon worden.

Gezien het feit dat Uw schrijven enkele weken na laatstgenoemde datum is gelegen kunnen wij U houden aan Uw verplichtingen om het door U gekochte af te nemen.

Wij zijn echter bereid om van onze zijde eveneens de koop-aannemingsovereenkomst te ontbinden als U de kosten welke reeds gemaakt zijn aan ons voldoet.

De totale kosten in deze bedragen ¦ 8.100,-- .....

Mocht op 15 september 1999 het verschuldigde bedrag niet bij ons binnen zijn, zullen wij genoodzaakt zijn U aan Uw verplichtingen te houden, welke resulteren uit de koop-aannemingsovereenkomst dd 28 mei 1999."

e. Bij brief van 14 september 1999 heeft Z (nogmaals) aan de B.V. gemeld dat hij er niet in is geslaagd de financiering rond te krijgen en heeft aangeboden een bedrag van ¦ 2.225,-- aan kosten te voldoen. Daarop is op 23 september 1999 een onderhoud gevolgd tussen Z en de directeur van de B.V.

f. Op 7 oktober 1999 heeft de advocaat van de B.V. aan Z een brief met onder meer de volgende inhoud geschreven:

"Met haar brief van 8 september jl. heeft cliënte jegens u coulance willen betrachten.

Contractueel bent u echter gehouden tot betaling van 10% van de koop/aanneemsom.

Namens cliënte wil ik u nog éénmaal gelegenheid geven om haar aanbod als vervat in de brief van 8 september jl. te accepteren en wel binnen één week na heden. Binnen dezelfde termijn dient u het uit dien hoofde verschuldigde van ¦ 8.100,-- inclusief BTW te voldoen .....

Na ommekomst van de gestelde termijn kunt u daarop - ook in rechte - geen beroep meer doen en zal cliënte zich vrij achten om u aan te spreken op betaling van de ex artikel 7.6 van de koop/aannemingsovereenkomst verschuldigde boete."

g. Bij brief van 20 oktober 1999 heeft Z aan de B.V. laten weten dat hij niet akkoord gaat met het in de brieven van 8 september 1999 en 7 oktober 1999 gedane voorstel tot betaling van ¦ 8.100,--, dat de overeenkomst dus van kracht blijft en dat het gekochte zal worden afgenomen.

h. De B.V. heeft Z daarop doen weten dat de overeenkomst reeds is ontbonden en dat Z als zodanig geen rechten uit de overeenkomst meer kan uitoefenen.

i. Bij brief van 8 december 1999 is namens Z de B.V. gesommeerd de overeenkomst na te komen. De B.V. heeft aan die sommatie niet voldaan en ook niet kunnen voldoen, omdat het betreffende object, nadat met betrekking daartoe op 25 september 1999 (nieuwe) koop-/aannemingsovereenkomst was gesloten, op 12 november 1999 is geleverd aan een derde, te weten B.

A is de zoon van een van de directeuren van de B.V.

3. De vorderingen in conventie en in voorwaardelijke reconventie

3.1. Z vordert in conventie, samengevat, B te veroordelen om op verbeurte van een dwangsom mee te werken aan de feitelijke en juridische levering aan Z van het onderhavige object tegen een prijs waarvoor Z dit object van de B.V. heeft gekocht, met bepaling dat, indien B ook na veertien dagen na betekening van het vonnis in gebreke blijft aan de leveringsakte mee te werken, het vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte en de in het vonnis opgenomen uitspraak in de plaats treedt van de akte.

3.2. Aan zijn vordering legt Z het volgende ten grondslag. De B.V. heeft zich ten onrechte beroepen op de ontbinding van de koop-/aannemingsovereenkomst. Deze overeenkomst is onverminderd in stand gebleven. De B.V. heeft vervolgens wanprestatie gepleegd tegenover Z door het door Z gekochte object nogmaals te verkopen en thans ook te leveren aan B. B moet, als zoon van een van de directeuren van de B.V. en ook werkzaam voor de B.V., geweten hebben dat het object was verkocht aan Z en dat er problemen waren gerezen over de nakoming van de overeenkomst. Door onder die omstandigheden een koop-/aannemingsovereenkomst aan te gaan met betrekking tot het object en zich vervolgens dat object te laten leveren, wetende dat Z zich inmiddels heeft beroepen op de nakoming van de overeenkomst, maakt B misbruik van de wanprestatie van de B.V. en handelt hij aldus onrechtmatig jegens Z. Dit brengt mee dat van B gevorderd kan worden dat hij het object aan Z (door)levert.

3.3. B heeft de stellingen van Z en het door hem gevorderde gemotiveerd betwist. Kort gezegd voert hij achtereenvolgens aan dat Z geen spoedeisend belang heeft

bij zijn vordering, dat de overeenkomst tussen de B.V. en Z is ontbonden, zodat er geen sprake is van wanprestatie door de B.V. en dus ook niet van een onrechtmatige daad van zijn kant, en tenslotte dat, gelet op de in het geding zijnde belangen, een vordering als de onderhavige niet in een kort geding-procedure behoort te worden beslist.

3.4. Indien nochtans zou worden beslist dat het door Z gevorderde voor toewijzing vatbaar is, vordert B in reconventie, samengevat, Z te veroordelen om voor het (door) te leveren object aan hem, B, een in het vrije verkeer geldende prijs te betalen, die door een NVM-makelaar wordt vastgesteld, en deze prijs tijdig onder de notaris te storten en voorts Zegers te verplichten voortvarend aan de levering mee te werken.

3.5. Z heeft tegen toewijzing van de vordering van B bezwaren ingebracht.

4. De motivering van de beslissing

in conventie

4.1. Het spoedeisend belang van Z bij de gevorderde voorziening staat in voldoende mate vast. Weliswaar heeft hij enige tijd laten verlopen alvorens (juridische) stappen te ondernemen nadat hij had vernomen dat de B.V. weigerde de overeenkomst na te komen respectievelijk nadat hem was gebleken dat het object (inmiddels) aan B was geleverd, maar dit brengt niet mee dat de spoedeisendheid aan zijn vordering is komen te ontvallen.

Dat Z, zoals B stelt, na de levering niet zelf de woning zou willen betrekken, maar deze zou willen vervreemden om daarmee financieel gewin te behalen, is bij uitdrukkelijke betwisting daarvan door Z niet aannemelijk geworden.

4.2. Voor een beslissing in deze zaak is in de eerste plaats van belang te beoordelen wat rechtens is ten aanzien van de tussen de B.V. en Z gesloten koop-/aannemingsovereenkomst. B stelt dat die overeenkomst is ontbonden, Z ontkent dat.

Uitgangspunt in deze dient te zijn dat Z met zijn brief van 14 augustus 1999 de overeenkomst buitengerechtelijk heeft willen ontbinden. Dit kan worden afgeleid uit het feit, dat hij in die brief meedeelt geen hypotheek te kunnen verkrijgen, daarmee refererend aan de ontbindende voorwaarde in artikel 7.1 onder a. van de overeenkomst. De B.V. heeft die brief ook opgevat als een buitengerechtelijke ontbinding, hetgeen blijkt uit haar brief van 8 september 1999. Hoewel uit laatstgenoemde brief niet zonder meer volgt dat de B.V. de ontbinding accepteert, kan deze niet anders worden uitgelegd dan dat de B.V. verklaart bereid te zijn Z niet aan de overeenkomst te zullen houden indien hij de reeds gemaakte kosten ad ¦ 8.100,-- voldoet. Dit betekent, gelet op de inhoud van artikel 7.6 van de overeenkomst, dat niet de contractuele boete van 10% van de koop-/aanneemsom zal worden gevorderd. In ieder geval mocht Z uit de brief van de B.V. niet afleiden dat deze was bedoeld om hem alsnog te dwingen het object af te nemen, nu op dat moment, ook voor de B.V., immers vaststond dat Z geen hypotheek kon verkrijgen, zodat een vordering tot nakoming van de overeenkomst weinig zinvol zou zijn geweest. Nadien hebben de B.V. en Z, naar de B.V. onbetwist heeft aangevoerd, nog slechts gediscussieerd over (de hoogte van) de door Z te betalen vergoeding en niet meer over een afnameverplichting van

Z. In dat verband wordt verwezen naar de brieven van Z van 14 september 1999 en van de advocaat van de B.V. van 7 oktober 1999, alsmede naar de door B overgelegde - en door Z niet betwiste - brief van R. Uit deze laatste brief volgt tevens dat Z tijdens het onderhoud op 23 september 1999 met de directeur van de B.V. aan de ontbinding van de overeenkomst bleef vasthouden. Dat de B.V. zich daartegen niet verzette blijkt impliciet nog uit de hiervoor genoemde brief van haar advocaat, waar deze met zoveel woorden verwijst naar artikel 7.6 van de overeenkomst, welk artikel uitgaat van een ontbonden overeenkomst.

Uit het hiervoor overwogene moet voorshands worden afgeleid dat Z wenste dat niet langer uitvoering zou worden gegeven aan de koop-/aannemingsovereenkomst, dat de B.V. zich daartegen niet verzette en dat die overeenkomst daarom - in ieder geval vanaf 23 september 1999 - als ontbonden moet worden beschouwd. De conclusie van Z in zijn brief van 20 oktober 1999 dat de overeenkomst van kracht is gebleven, is mitsdien onjuist en zonder betekenis.

4.3. Het voorgaande brengt mee dat het de B.V. in elk geval vanaf 23 september 1999 vrij stond met een ander dan Z een nieuwe koop-/aannemingsovereenkomst met betrekking tot het onderhavige object aan te gaan en dit vervolgens ook aan die ander te leveren. De stelling van Z dat daarmee sprake zou zijn van een toerekenbaar tekortschieten door de B.V in de nakoming van haar verplichtingen jegens Z dient dan ook te worden verworpen.

4.4. Maar zelfs indien zou mogen worden aangenomen dat de overeenkomst niet was ontbonden en dat Z er van uit mocht gaan dat deze haar geldigheid had blijven behouden, had hij in dit geval de B.V. niet aan de overeenkomst kunnen houden. Niet gebleken is namelijk dat Z op enig moment na het sluiten van de overeenkomst daaraan zelf uitvoering heeft (willen) geven. Zo is niet komen vast te staan dat hij ooit een termijn van de koop-/aanneemsom heeft voldaan of ter betaling heeft aangeboden, waartoe hij krachtens de overeenkomst wel was gehouden. In verband daarmee moet Z, in elk geval vanaf 25 september 1999, de dag waarop de B.V. de overeenkomst met B sloot, worden geacht zelf in verzuim te zijn geweest. Dit betekent dat hij vanaf die datum geen nakoming van de B.V. kon verlangen en dus de B.V. niet kan tegenwerpen dat zij met B heeft gecontracteerd.

4.5. Nu niet is gebleken van enig toerekenbaar tekortschieten van de B.V. jegens Z toen zij de overeenkomst met B sloot respectievelijk het object aan hem leverde, kan laatstgenoemde reeds om die reden niet worden verweten dat hij misbruik heeft gemaakt van wanprestatie en dat hij dus onrechtmatig tegenover Z heeft gehandeld. Dit leidt tot de slotsom dat de vordering tegen B niet kan slagen en de gevorderde voorziening daarom moet worden afgewezen.

Z zal als de in het ongelijk gestelde partij dienen te worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

in voorwaardelijke reconventie

4.6. Aangezien de vordering in conventie wordt afgewezen behoeft op de eis in voorwaardelijke reconventie niet te worden beslist.

5. De beslissing

De president

5.1. weigert de door Z gevorderde voorziening,

5.2. veroordeelt Z in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van B bepaald op ¦ 1.550,-- voor salaris van de procureur en op ¦ 400,-- voor verschotten,

Dit vonnis is gewezen door de president mr. D.J. van Dijk en in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.G.W. Oor in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2000.

de griffier de rechter