Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA6845

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/739
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Kamer II

JWG schadevergoeding

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht

Reg.nr.: 99/739

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het bestuur van de Stichting Werkgelegenheidsbevordering Ubbergen te Beek-Ubbergen, gemeente Ubbergen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 11 maart 1999.

2. Feiten en procesverloop

Op 16 februari 1997 heeft mr. T.G.M. Bekker, werkzaam bij Bekker & Corté juridisch advies en bemiddeling te Millingen aan de Rijn, namens eiser, het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ubbergen verzocht de schade die is voortgevloeid uit eisers ontslag uit de dienstbetrekking als bedoeld in de destijds van kracht zijnde Jeugdwerkgarantiewet (JWG) per 21 september 1995, te vergoeden.

Tegen het binnen de beslistermijn uitblijven van een besluit op zijn verzoek, is namens eiser door mr. Bekker voornoemd op 8 juli 1997 een bezwaarschrift ingediend bij het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ubbergen.

Het bezwaar is behandeld op 21 oktober 1997 door de Commissie Bezwaar- en Beroepschriften van de gemeente Ubbergen. Eiser is bij de behandeling verschenen. Vervolgens heeft deze commissie het College van burgemeester en wethouders geadviseerd het bezwaarschrift ter inhoudelijke beoordeling door te zenden aan verweerder, hetgeen op 3 december 1997 is geschied.

Op verzoek van de gemachtigde van eiser heeft verweerder een hoorzitting achterwege gelaten en heeft eisers gemachtigde zijn standpunt nader schriftelijk uiteengezet bij brief van 2 maart 1998.

Bij besluit van 25 maart 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiser heeft mr. Bekker voornoemd op 26 april 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Dit beroep is door de rechtbank aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen een primair besluit van verweerder en ter verdere behandeling aan verweerder overgedragen.

Het bezwaar is op 24 februari 1999 behandeld in een hoorzitting. Eiser is bij de behandeling verschenen.

Bij het hierboven aangeduide besluit van 11 maart 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiser heeft mr. Bekker voornoemd op 19 april 1999 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 7 juni 1999 een verweerschrift ingediend.

Op 23 juni 1999 heeft de rechtbank nadere stukken van eiser ontvangen. Naar de inhoud van deze stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 2 mei 2000, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. T.G.M. Bekker voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mw. mr. W.J.M. van Est, werkzaam bij de gemeente Ubbergen.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eisers dienstverband in het kader van de JWG per 21 september 1995 van rechtswege is geëindigd, doordat eiser vanaf die datum werk had geaccepteerd waardoor hij, mede gelet op zijn verdiensten, niet meer kon worden beschouwd als "jongere" in de zin van de JWG. Volgens verweerder is de beëindiging van het dienstverband hiermee rechtmatig en is hij niet aansprakelijk voor de gestelde schade.

Voorts is eisers verzoek om terugplaatsing in de JWG geweigerd op de gronden genoemd in het besluit van 13 december 1995. Tegen dat besluit heeft eiser niet tijdig administratief beroep bij het College van burgemeester en wethouders ingesteld, zodat thans van de formele rechtskracht ervan dient te worden uitgegaan.

Van vooringenomenheid bij de besluitvorming, zoals door eiser gesteld, is geen sprake en het beroep daarop is bovendien niet onderbouwd, aldus verweerder.

Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft het volgende aangevoerd.

Eiser heeft nimmer zelf ontslag uit de JWG-betrekking gevraagd. Indien hij had geweten dat door de nieuwe werkzaamheden zijn JWG-dienstverband zou zijn beëindigd, dan had hij die werkzaamheden niet geaccepteerd. Hij is daar niet op gewezen. Eiser betwist dat hem na afloop van de werkzaamheden twee JWG-dienstbetrekkingen zijn aangeboden.

Los daarvan kunnen twee weigeringen er volgens eiser niet toe leiden dat hij niet meer in een JWG-dienstbetrekking kan worden toegelaten.

Voorts is eiser ten onrechte een uitkering uit hoofde van de Algemene Bijstandswet geweigerd. Het College van burgemeester en wethouders wist immers dat verweerder zich op het standpunt stelde dat eiser onbemiddelbaar was, zodat ten onrechte de JWG als een voorliggende voorziening is beschouwd.

Ten slotte heeft eiser aangevoerd zich niet te kunnen vinden in het feit dat de contactambtenaar van Sociale Zaken als adviseur aan de hoorcommissie van verweerder is toegevoegd, mede gelet op de vriendschappelijke omgang van deze ambtenaar met een lid van het bestuur van verweerder. Bovendien komt het eiser bevreemdend voor dat een ambtenaar die op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces en de bezwaarprocedure, een beslissing op bezwaar neemt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd uitdrukkelijk aangegeven dat de grond voor eisers verzoek om schadevergoeding is gelegen in het door verweerder verleende ontslag uit de JWG-dienstbetrekking. Dit ontslag is volgens eiser onrechtmatig tot stand gekomen, waardoor eiser schade heeft geleden bestaande uit gemiste inkomsten, ten onrechte betaalde premie voor een ziektekostenverzekering, kosten van juridische bijstand en wettelijke rente.

Op 1 januari 1998 is de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) in werking getreden. In artikel 38 van die wet is onder meer bepaald dat de JWG wordt ingetrokken. Ingevolge artikel 25, aanhef en onder c, van de Wiw, voor zover hier van belang, blijft het recht zoals dat voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de Wiw gold, van toepassing voor de behandeling van het bezwaar en beroep, dat voor de datum van de inwerkingtreding van de Wiw is gemaakt respectievelijk ingesteld tegen een besluit dat is genomen op grond van de JWG.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de JWG, zoals dit destijds gold en voor zover te dezen van belang, biedt de Jeugdwerkgarantieorganisatie, in casu verweerder, elke jongere als bedoeld in artikel 2 van die wet, die binnen zijn gemeente woonplaats heeft, schriftelijk een dienstverband aan.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de jongere in dienst treedt van de Jeugdwerkgarantieorganisatie op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 16, eerste lid, van de JWG luidt als volgt:

Ter zake van het einde van de dienstbetrekking zijn de navolgende leden van toepassing, zulks met uitsluiting van artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (Stb. F214), alsmede van artikel 265 van boek 6 en behoudens voor zover in deze leden anders is bepaald, afdeling 9 van titel 10 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

In het elfde lid van artikel 16 van de JWG is bepaald dat beëindiging van de dienstbetrekking in strijd met dit artikel nietig is. De nietigheid kan gedurende zes maanden in rechte worden ingeroepen.

Uit het voorgaande blijkt dat het einde van de dienstbetrekking volledig door artikel 16 van de JWG wordt beheerst. Uit lid 11 van artikel 16 juncto artikel 11, tweede lid, van de JWG volgt dat de vraag of sprake is van een incorrecte beëindiging zal dienen te worden beoordeeld volgens de voor burgerrechtelijke arbeidsovereenkomsten gebruikelijke procedures. In eerste aanleg zal een dergelijke procedure derhalve voor de kantonrechter dienen te worden gevoerd.

Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat zij als bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van een geschil ten aanzien van de beëindiging van een JWG-dienstverband. De onderhavige procedure betreft evenwel een verzoek om schadevergoeding voor schade geleden als gevolg van de, volgens eiser, onrechtmatige beëindiging van het JWG-dienstverband.

Onder verwijzing naar de van toepassing zijnde jurisprudentie, in het bijzonder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 1997, gepubliceerd in AB 1997/229, overweegt de rechtbank dat de algemene dan wel bijzondere bestuursrechter slechts bevoegd is te achten tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, als waarvan hier sprake is, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Indien derhalve tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, dan is er ook geen beroep mogelijk tegen een besluit naar aanleiding van een verzoek om vergoeding van de schade die daardoor is veroorzaakt. Een wettelijke belemmering in de bevoegdheid van de bestuursrechter kennis te nemen van een beroep tegen de schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid werkt aldus door in zijn bevoegdheid kennis te nemen van een beroep tegen een naar aanleiding van die bevoegdheidsuitoefening genomen besluit.

Het vorenstaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat, nu zij niet bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf (de beëindiging van de JWG-dienstbetrekking), zij evenmin bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen de beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 1998, strekkende tot afwijzing van het verzoek van eiser om vergoeding van de door die beëindiging veroorzaakte schade.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat tegen het besluit van 25 maart 1998 op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld en dat daartegen op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb evenmin bezwaar kan worden gemaakt.

Dit heeft als gevolg dat eisers bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van zijn verzoek door verweerder ten onrechte ongegrond is verklaard, nu eiser in zijn bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

Het bestreden besluit kan om die reden dan ook niet in stand blijven. De rechtbank ziet reden om op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en eiser alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaar.

Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd kan aan het voorgaande niet afdoen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op ¦ 1.420,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten is de rechtbank in dit verband niet gebleken.

Het vorenstaande leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk;

bepaalt voorts dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van f 1.420,--;

wijst de Stichting Werkgelegenheidsbevordering Ubbergen aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden;

bepaalt voorts dat de Stichting Werkgelegenheidsbevordering Ubbergen aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad f 60,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.E. Snijders als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2000, in tegenwoordigheid van R. van Diest als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's Gravenhage.

Verzonden op: 26 mei 2000

Coll: